Plato's Eros-leer

Plato's opvattingen over Eros (de liefde) vinden we in het Symposium (zie onderstaande tekst). Socrates vertelt tijdens een drinkgelag het verhaal dat hem verteld is door Diotima. Volgens Plato is Eros onze reactie op schoonheid. Zodra wij schoonheid zien willen we het bezitten en er altijd bij in de buurt zijn. Eros kan zich richten op het niveau van de zintuiglijke waarnemingen, bijvoorbeeld mooie lichamen en mooie dingen. Wat echter gebeurd als we vaak mooie dingen zien, is dat we de schoonheid van alle dingen gaan waarderen en niet de schoonheid van een enkel object; we gaan als het ware de afspiegeling van de Idee schoonheid herkennen in alle dingen die mooi zijn.
Eros kan zich echter ook richten op een hoger niveau; zo kunnen we ons ook richten op de schoonheid in het algemeen, de schoonheid van theorieën of de schoonheid van de geest. Eros richt zich dus op een steeds abstracter niveau en op een gegeven moment zal je in een flits van een seconde de Idee van schoonheid zelf schouwen. Deze liefde voor de intelligibele schoonheid is een grotere liefde dan de liefde voor de schoonheid van de sensibele dingen.

De trap naar de schoonheid [fragment]

Vertaling: Gerard Koolschijn. Uit: Plato, schrijver / teksten gekozen en vert. [uit het Grieks] door Gerard Koolschijn, 9e dr. Bert Bakker, Amsterdam 1998.

'Nu wordt er wel eens gezegd,' zei zij, 'dat liefde het zoeken naar de eigen helft is, maar volgens mijn theorie is liefde niet gericht op een helft, en ook niet op een geheel, zolang die niet—dat moet je je goed realiseren—waardevol zijn. Want zelfs hun eigen handen en voeten zijn mensen bereid te laten afsnijden als zij het idee hebben dat iets van henzelf schadelijk is. Dat iets bij jezelf hoort is op zichzelf beslist geen reden tot tevredenheid, of het moest zijn dat je zonder meer van alle waardevolle dingen zegt dat ze bij jezelf horen en van jezelf zijn, en dat je met waardeloze dingen niets te maken hebt. Het enige wat mensen werkelijk begeren is: waardevolle dingen, dingen waar ze wat aan hebben.

[...] Kijk, Socrates, ieder mens is vruchtbaar en heeft een bepaalde potentie, zowel lichamelijk als geestelijk, en wanneer hij op een bepaalde leeftijd is gekomen verlangt onze natuur te baren en te verwekken. Het is een goddelijke gebeurtenis en in een sterfelijk wezen is dat het onsterfelijke element: zwangerschap en verwekking.

Zonder harmonie kan die bevruchting onmogelijk plaatsvinden en tussen het lelijke en alles wat goddelijk is bestaat nooit harmonie. Alleen schoonheid begunstigt geboorte. Wanneer daarom het potente in contact komt met iets moois wordt het zacht, genietend ontspant het zich en vervloeit en bevrucht. Maar tegenover iets lelijks trekt het zich nors en somber samen, wendt zich af en krimpt ineen en verwekt niet, maar houdt zijn zaad vast als een benauwende last. Daarom raakt het vruchtbare en potente, al volop rijpe, ook hevig opgewonden tegenover het mooie, omdat het degeen die het heeft van enorme pijn verlost. De liefde is namelijk niet gericht op wat mooi is, zoals jij denkt, Socrates.'

'Waarop dan wel?'

'Zij is erop gericht bij het mooie te verwekken en te baren.'

'Zou het?'

'Beslist,' zei zij. 'En waarom eigenlijk dat verwekken? Omdat een sterfelijk wezen in de verwekking iets eeuwigs en onsterfelijks vindt.'

[...] 'Wanneer nu iemands potentie lichamelijk is,' zei ze, 'dan richt hij zich meer op vrouwen en gaat zijn liefde die kant uit. Door voortplanting zal hij dan naar zijn idee onsterfelijkheid, een 'blijvende naam en geluk voor de eeuwigheid' verwerven. Maar wanneer die potentie geestelijk is, want er zijn mensen,' zei zij, 'die eerder geestelijk dan lichamelijk potent zijn en het soort dingen verwekken of baren dat past bij de geest. En welke dingen zijn dat? Inzicht, en menselijke kwaliteiten in het algemeen. Tot hen behoren alle scheppende kunstenaars en die vakmensen van wie men zegt dat ze oorspronkelijk werk doen. Nu is verreweg het belangrijkste en meest waardevolle inzicht,' zei zij, 'het inzicht dat betrekking heeft op de inrichting van de maatschappij en 'rechtvaardigheid' en 'gevoel voor verhoudingen' genoemd wordt. Wanneer god je op dát terrein van jongs af aan een bepaalde potentie heeft gegeven, zoek je natuurlijk, wanneer de leeftijd is gekomen waarop je verlangt te verwekken, in je omgeving iets moois, want bij iets lelijks zul je nooit kunnen verwekken. Je wordt door mooie lichamen meer aangetrokken dan door lelijke, en als je dan een mooie, begaafde geest aantreft word je wel heel sterk aangetrokken door die combinatie van beide, en in het contact met zo iemand vind je meteen een overvloed van woorden, over je idealen en over hoe een mens zou moeten zijn en waarmee hij zich zou moeten bezighouden, en zo probeer je hem dan te vormen.

[...] Kijk,' zei ze, 'als je deze zaak op de juiste manier benadert, moet je als je jong bent al beginnen je te richten op mooie lichamen. Eerst ben je, als je goed begeleid wordt, op één van die lichamen verliefd en verwek je daar mooie ideeën, en vervolgens kom je zelf tot het inzicht dat de schoonheid van het ene lichaam verwant is aan die van een willekeurig ander lichaam, en dat het heel dwaas zou zijn, als het je toch om uiterlijk schoon te doen is, niet de schoonheid van alle lichamen als één en hetzelfde te beschouwen. Wanneer je dat eenmaal beseft, word je een minnar van alle mooie lichamen en van dat heel hevige voor één persoon maak je je los, je kijkt erop neer en vindt het onbelangrijk.

Vanaf dat moment begin je meer waarde te hechten aan schoonheid van geest. Als iemand dan geestelijk iets te betekenen heeft, is dat voldoende voor je, ook al is hij niet erg aantrekkelijk. Je wordt verliefd op zo iemand en zorgt voor hem, en je verwekt en zoekt het soort ideeën dat jonge mensen in hun ontwikkeling ten goede zal komen. Daarbij word je dan weer gedwongen te kijken naar wat er in het maatschappelijke leven en in de maatschappelijke normen mooi en waardevol is, en de onderlinge samenhang in dat alles waar te nemen, met de bedoeling dat je lichamelijke schoonheid als iets onbelangrijks gaat beschouwen.

Na de maatschappelijke praktijk moet je in contact worden gebracht met de wetenschap, zodat je ook de schoonheid van kennis leert zien, en dan inmiddels met al die schoonheid vóór je niet meer in slaafse tevredenheid met dat ene—met de schoonheid van één jeugdig persoon of één willekeurig mens of één bepaalde maatschappelijke activiteit—een onbeduidend en bekrompen bestaan leidt. Op die oceaan van schoonheid gericht en met die schoonheid voor ogen zul je veel mooie, bijzondere ideeën voort brengen in een rijke intellectuele activiteit, tot je voldoende gesterkt en gegroeid bent om één bepaalde vorm van kennis te ontwaren die betrekking heeft op een schoonheid van volgende aard. En probeer nu alsjeblieft zo goed als je kunt je aandacht erbij te houden.

Als je namelijk zover in de kennis van de liefde bent opgeleid en achtereenvolgens op de juiste manier al die verschillende vormen van schoonheid onder ogen hebt gehad, zul je wanneer je dan de uiteindelijke inwijding in de liefde nadert plotseling iets waarnemen van een onvoorstelbare schoonheid, Socrates, dát waarvoor al die vroegere inspanningen hebben gediend, iets wat in de eerste plaats eeuwig is, wat niet ontstaat en niet vergaat, niet groeit en niet afsterft, ook niet in het ene opzicht mooi is en in het andere lelijk, of nu eens wel en dan weer niet, of in verhouding tot het één mooi en tot het ander lelijk, of hier mooi en daar lelijk, en zo voor sommigen mooi en voor anderen lelijk.

Die schoonheid zal zich ook niet aan je voordoen in de vorm van een of ander gezicht of van handen of andere dingen die iets lichamelijks hebben, ook niet als een of ander idee of een vorm van kennis, niet als iets dat ergens in iets aanwezig is, in een levend wezen bijvoorbeeld of in, met dien verstande dat wanneer die andere dingen ontstaan en vergaan, déze schoonheid toch in geen enkel opzicht meer of minder wordt en in het geheel niet wordt beïnvloed.

Wanneer je dus van de dingen hier om ons heen door de juiste soort liefde zover bent gestegen dat je díe schoonheid begint waar te nemen, dan heb je het uiteindelijke doel zo ongeveer binnen bereik. Want dat is de juiste manier om tot de liefde te komen of door een ander gebracht te worden: beginnen met de mooie dingen hier om ons heen en dan terwille van díe schoonheid steeds verder omhooggaan, als ware het langs de treden van een trap, van één naar twee en van twee naar alle mooie lichamen, en van die mooie lichamen naar mooie maatschappelijke activiteiten en van die activiteiten naar mooi wetenschappelijk werk om van dat wetenschappelijk werk dan eindelijk terecht te komen bij die wetenschap die niets anders dan die schoonheid op zichzelf bestudeert, zodat je uiteindelijk de eigenlijke schoonheid leert kennen.

Zover in het leven te komen, m'n beste Socrates,' zei die vrouw uit Mantinea, 'is het belangrijkste wat een mens kan bereiken: de eigenlijke schoonheid te aanschouwen. Als je díe ooit te zien krijgt, zul je hem onvergelijkelijk veel mooier vinden dan de kostbaarste voorwerpen of de mooiste jonge mensen, van wie je nu, als je ze ziet, al zo overstuur raakt dat je bereid bent, jij en allerlei anderen, om wanneer jullie je geliefde zien en steeds bij jullie geliefde zijn, als dat op een of andere manier mogelijk was, niet meer te eten en niet meer te drinken maar alleen nog maar te kijken en bij hen te zijn.

Wat moeten we dan wel niet verwachten,' zei ze, 'als je erin zou slagen de eigenlijke schoonheid te zien te krijgen, in echte, zuivere, onvermengde vorm, niet bedolven onder menselijk vlees en kleur en allerlei andere sterfelijke onzin, maar de eigenlijke goddelijke schoonheid, als je die in haar zuivere gedaante zou kunnen waarnemen?

Denk je,' zei ze, 'dat het een onbeduidend leven zou zijn, wanneer een mens dáárop is gericht en dát aanschouwt met het juiste middel en dáármee samen is? Je beseft toch wel,' zei ze, 'dat je er alleen dán in zult slagen, doordat je het mooie ziet met het middel waarmee het gezien moet worden, om geen namaak-goede eigenschappen voort te brengen—want met namaak ben je dan niet in contact—maar echte, want je bent met het echte in contact. En wie echte goede eigenschappen voortbrengt en verder ontwikkelt, aan hem is het gegeven om god te behagen en meer dan enig ander mens onsterfelijk te worden.'

Dat zei Diotima dus, Faedrus, en zelf ben ik daar ook van overtuigd. Daarom probeer ik ook de anderen ervan te overtuigen dat voor dát bezit niet makkelijk een betere medewerker voor de menselijke natuur kan worden gevonden dan de liefde. Daarom beweer ik dus dat ieder mens de liefde in ere moet houden en houd ik de liefde zelf ook in ere, en besteed ik niet alleen zelf bijzondere aandacht aan alles wat met de liefde in verband staat maar spoor ik ook andere mensen daartoe aan. En daarom prijs ik niet alleen nu maar altijd de macht en de kracht van de liefde zoveel als ik kan.'