1  =  theatron  :
Schuin oplopende  toeschouwerszitplaatsen in concentrische rijen, uitgehouwen in de rotsen of in de vorm van houten stellages; er was plaats voor naar schatting 15.000 bezoekers.

2  =  orchestra  :
Cirkelvormig speelvlak van ongeveer 20 meter doorsnede, waar het koor zong en danste ; in het midden was een plaats voor een altaar van Dionysos.

3  =  parodoi  :
Twee toegangen tot de orchestra, waarlangs het koor opkomt. Als acteurs langs de parodoi opkomen, wil de toneelconventie dat opkomst van links betekent 'van buiten de stad' en opkomst van rechts betekent 'uit de stad'.

4  = skènè  :    
Dit gebouw kon dienen als kleedruimte voor de acteurs. De voorzijde ervan diende ook als decor, meestal een paleisfront. Op een laag podium hiervoor speelden de acteurs.

HET   GRIEKSE   THEATER