De Grot [fragment]

Vertaling: Gerard Koolschijn. Uit: Plato, schrijver / teksten gekozen en vert. [uit het Grieks] door Gerard Koolschijn, 9e dr. Bert Bakker, Amsterdam 1998.

[Het eerste gedeelte is een parabel, een beschrijving van de mensen in de grot.]

'Onze natuurlijke toestand wat ontwikkeling betreft zou je met de volgende situatie kunnen vergelijken. Stel je een aantal mensen voor in een onderaardse, grotachtige woning, met een naar het daglicht toegekeerde ingang langs de volle breedte van de grot. Ze zijn daar van jongsaf aan opgesloten, aan handen en voeten en aan hun nek geboeid, zodat ze daar moeten blijven en alleen recht voor zich uit kunnen kijken, want vanwege die boeien zijn ze niet in staat zich om te draaien.
Verder is er licht van een vuur dat hoog en ver boven hen brandt, in hun rug, en tussen het vuur en de gevangenen een weg in de hoogte, waarlangs je je moet voorstellen dat een muurtje is aangelegd, zoals bij een poppenkast vůůr het publiek een scheidswand staat waarboven de poppen worden vertoond. Langs dat muurtje moet je nu mensen allerlei voorwerpen zien dragen, die boven het muurtje uitsteken, en beelden van mensen en dieren, gemaakt van steen en hout en van allerlei ander materiaal, waarbij sommigen van die mensen natuurlijk praten en anderen zwijgen. Een vreemde vergelijking en een vreemde gevangenis, zul je zeggen, maar die mensen lijken op ons.
Want wat dacht je, hebben zulke mensen om te beginnen van zichzelf of van elkaar ooit iets anders gezien dan de schaduwen die door het vuur op de tegenover hen liggende wand van de grot worden geworpen? Als ze inderdaad gedwongen zijn hun hele leven hun hoofd onbeweeglijk te houden is dat onmogelijk. En hetzelfde geldt natuurlijk voor de dingen die langs gedragen worden.
Dus als ze in staat zouden zijn met elkaar te praten, denken ze ongetwijfeld dat ze praten over de dingen die ze op die muur zagen. En als er in de gevangenis ook een echo was van die tegenoverliggende wand, geloof je niet dat ze dan, wanneer een van die voorbijgangers spreekt, zouden denken dat het geluid werd gemaakt door de passerende wandschaduw? Dat lijkt me logisch. Zulke mensen zullen er ongetwijfeld van uitgaan dat de werkelijkheid niets anders is dan de schaduwen van die voorwerpen.

[Het tweede gedeelte is de opgang / bevrijding van de mensen uit de grot; een moeilijk en pijnlijk proces.]

Stel je nu eens hun genezing voor, hun bevrijding uit die gevangenis van onwetendheid. Hoe zou die toegaan als hen in het werkelijke leven het volgende overkwam? Wanneer iemand werd losgemaakt en gedwongen plotseling op te staan, zijn hoofd om te draaien, te lopen en naar het licht op te kijken, en als die handelingen zouden hem pijn doen en hij zou door de schittering niet in staat zijn de voorwerpen te onderscheiden waarvan hij tot dusver de schaduwen had gezien, hoe zou hij dan, denk je, reageren als men hem zou vertellen dat het maar flauwekul was wat hij tot op dat moment had gezien, en dat hij nu dichter bij de werkelijkheid was en een juistere kijk had op de dingen, omdat zijn blik nu was gericht op echte voorwerpen? En als men hem dan ook nog elk voorwerp dat langs kwam zou aanwijzen en hem zou dwingen vragen te beantwoorden over wat dat was, geloof je niet dat hij dan met zijn mond vol tanden zou staan en zou denken dat wat hij tot dusver had gezien eerder echt was dan wat men hem nu aanwees?
En als men hem verder zou dwingen naar het licht zelf te kijken, zouden zijn ogen dan geen pijn doen? Zou hij zich niet afwenden en vluchten naar de dingen die hij wel kan onderscheiden, in de overtuiging dat die echt duidelijker zijn dan wat men hem aanwees?
Als men hem nu uit die grot zou meesleuren, met geweld, langs een ruwe, steile weg naar boven, en hem niet zou loslaten voor men hem naar buiten had gesleurd in het licht van de zon, zou hij zich dan niet verschrikkelijk voelen en zich er enorm over opwinden dat hij zo wordt meegetrokken?
Wanneer hij in het daglicht kwam zouden zijn ogen natuurlijk door de felle schittering zijn verblind en hij zou helemaal niets onderscheiden van wat men hem nu als de werkelijkheid voorhoudt. Er zal een gewenningsproces nodig zijn voordat hij de dingen daarboven kan zien. In het begin zou hij het gemakkelijkst schaduwen kunnen onderscheiden en daarna weerspiegelingen in het water van mensen en voorwerpen, en nog later al die dingen zelf.
Als hij zover is gekomen zou hij ook naar de hemellichamen kunnen kijken en naar de hemel zelf, makkelijker 's nachts, wanneer hij kijkt naar het licht van de sterren en de maan, dan overdag naar de zon en het zonlicht. Ten slotte zou hij dan ook de zon, niet alleen weerspiegeld in het water of in een ander wateroppervlak, maar de zon zelf op zijn eigenlijke standplaats kunnen waarnemen en kunnen bestuderen, hoe hij is. Daarbij zou hij dan uiteindelijk tot de conclusie komen dat het die zon is die voor de seizoenen en jaren zorgt, alles in de zichtbare wereld bestuurt en zo in zekere zin ook de oorzaak is van alles wat zijzelf daar beneden hadden gezien.

[Het derde gedeelte gaat over het eigenlijk niet meer terug willen keren naar de grot, als we eenmaal buiten zijn geweest.]

Als hij nu terugdenkt aan zijn eerste woning, aan de kennis daar en aan zijn medegevangenen van toen, zou hij dan met de verandering in zijn situatie niet gelukkig zijn en die andere mensen beklagen? Stel dat er daar toen een bepaalde hiŽrarchie was geweest, waarbij de hoogste functies waren weggelegd voor de mensen die de dingen die voorbijkwamen het scherpst konden onderscheiden, een goed geheugen hadden voor de volgorde waarin ze plachten te verschijnen en op grond daarvan dus met het meeste succes konden voorspellen wat er zou komen, denk je dan dat hij daaraan nog behoefte zou hebben of jaloers zou zijn op de status van de mensen die daar in de gevangenis de hoge posten bekleden? Zou hij niet eerder het gevoel hebben dat Homerus beschrijft, veel liever op aarde een knecht te zijn van een onbemiddeld man? Zou hij niet alles liever meemaken dan een leven van zulke waanideeŽn?
Stel je verder eens voor wat er zou gebeuren als zo iemand naar beneden terugging en op dezelfde plaats ging zitten. Door de plotselinge overgang vanuit het zonlicht zou hij in het donker nauwelijks geen hand voor ogen zien. Als hij dan in het beoordelen van die schaduwen weer moest meten met de mensen die daar nog altijd gevangen zitten, op een moment dat zijn ogen zich nog niet op het duister hebben ingesteld -- en het zou wel enige tijd duren voor hij daaraan gewend was -- zou hij dan niet een belachelijke indruk maken? Zou men niet van hem zeggen dat hij met die tocht naar boven zijn ogen had bedorven en dat het niet de moeite waard was zelfs maar een poging te ondernemen om boven te komen? Als iemand dan zou proberen de mensen daar te bevrijden en naar boven te leiden, zouden ze hem toch doden als ze hem op een of andere manier in handen zouden krijgen?

[Het vierde gedeelte geeft een uitleg van de vergelijking.]

Nu, deze vergelijking is in zijn geheel op het voorafgaande van toepassing. De zintuiglijk waarneembare wereld komt overeen met die woning in de gevangenis, het licht van het vuur met het vermogen van de zon. En als je in die tocht omhoog en de aanblik van de dingen daarboven de weg ziet waarlangs de psyche opstijgt naar de wereld van het denken, dan heb je begrepen wat in elk geval mijn eigen verwachtingen zijn, en die wilde je nu eenmaal graag horen. Alleen god zal weten of ze met de werkelijkheid overeenstemmen.
Hoe het ook zij, wat ik me voorstel is dat in die kenbare wereld uiteindelijk na zeer veel moeite de waarde [het goede] zichtbaar wordt. Als men die gezien heeft, zal men volgens mij tot de conclusie moeten komen dat die waarde [het goede] het blijkbaar is, die altijd de oorzaak is van alles wat juist en goed is: dat hij in de zichtbare wereld het licht en de oorsprong van het licht heeft voortgebracht en zelf centraal staat in de wereld van het denken en inzicht in de waarheid mogelijk maakt. Ook zal men begrijpen dat men zonder inzicht in die waarde [het goede] niet op een verantwoorde manier zijn persoonlijk of maatschappelijk leven kan inrichten.
Als je het enigszins kunt volgen zul je het met me eens zijn dat het niet zo vreemd is dat iemand die zover is gekomen zich niet graag bezighoudt met de aangelegenheden van de wereld en dat zijn psyche zich altijd gedwongen voelt daarboven te verkeren. Als die vergelijking inderdaad ook op dit punt opgaat, is dat heel begrijpelijk. Je hoeft je er dan ook niet over te verbazen dat iemand die van dat goddelijke schouwspel terugkeert naar de ellende van het menselijk bestaan een figuur slaat en zich volkomen belachelijk maakt. Op een moment dat hij nog nauwelijks iets kan zien, voordat hij voldoende aan de heersende duisternis is gewend, wordt hij gedwongen voor een rechtbank of ergens anders te debatteren over die schaduwen van het recht en een strijd aan te gaan over de willekeurige opvattingen van mensen die het wezen van de rechtvaardigheid nog nooit hebben gezien.
Een verstandig mens herinnert zich dat er twee redenen zijn waarom het oog in verwarring kan raken: een overgang van licht naar donker en een overgang van donker naar licht. Hij zal beseffen dat hetzelfde voor de psyche geldt. Wanneer hij ziet dat die van zijn stuk raakt en niet bij machte is iets te onderscheiden zal hij niet uitbarsten in onnadenkend gelach, maar zich afvragen of zo'n psyche niet juist uit een helderder leven komt en last heeft van de ongewone duisternis. En als dat het geval is, zou hij hem met zijn ervaringen en manier van leven feliciteren.
Wie zo nodig moet lachen maakt zich met zijn gelach nog het minst belachelijk wanneer hij lacht om de onzekerheid van een psyche die uit de onwetendheid in een helderder wereld komt en daar wordt verblind door de felle schittering, maar in dat geval is medelijden eerder op zijn plaats.'