Domein  E    Wetenschapsfilosofie  :   wat is wetenschappelijke kennis?

 

 

Subdomein 01: Centrale begrippen en onderscheidingen

 

De kandidaat kan

     

21  uitleggen welk soort vraagstukken onderdeel zijn van de wetenschapsleer.

 

Daarbij kan hij

     de volgende centrale begrippen uitleggen: theorie, grondslagen, axioma, wetmatigheid, zinvolheidscriterium, hypothese, empirische basis, demarcatie, empirische cyclus, onderzoeksprogramma, paradigma, sciëntisme;

     de volgende begrippenparen uitleggen en toepassen aan de hand van een concreet probleem: wetenschappelijke- en common-sense kennis; formele en empirische wetenschappen; feit en theorie; verklaren en verstaan; inductie en deductie; verificatie en falsificatie; kwaliteit en kwantiteit; waardevrijheid en waardegebondenheid;

     de wetenschapsfilosofische vooronderstellingen van een betoog aangeven;

     een beargumenteerd standpunt innemen ten aanzien van een concreet wetenschaps- filosofisch vraagstuk. Daarbij kan hij verschillende (eigen) referentiekaders en eventueel ook (eigen) vooronderstellingen verwoorden.

 

 

Subdomein 02: Toonaangevende visies

 

De kandidaat kan

 

22    verschillende toonaangevende visies uit de traditie van de wetenschapsleer weergeven en uitleggen.

 

Daarbij kan hij de gedachtegang weergeven en uitleggen:

 

     waarin de alledaagse ervaring de basis is van wetenschappelijke kennis (Aristoteles);

     waarin gedachte-experiment en wiskundige representatie essentieel zijn voor wetenschappelijk kennis (Galileď, Newton);

     waarin de empirische benaderingswijze van de natuur primair staat (Bacon);

     waarin wetenschap het hoogste stadium van objectieve kennis is (Comte);

     waarin wetenschap waardevrij is (Weber);

     waarin wetenschap uitsluitend gebaseerd is op positieve feiten (Wiener Kreis);

     waarin wetenschappelijke ontwikkeling verloopt via een proces van trial and error (Popper);

     waarin de wetenschappelijke gemeenschap wetenschappelijke denkpatronen (paradigma's) bepaalt (Kuhn);

     waarin vele methoden van onderzoek als wetenschappelijk worden beschouwd (Feyerabend);

     een beargumenteerd standpunt innemen ten opzichte van deze wetenschapsfilosofische opvattingen.

 

 

Domein: Wetenschappelijke kennis

 

De kandidaat kan

 

23  uitleggen welke kennistheoretische toegang de wetenschap tot de werkelijkheid biedt, in onderscheid van kunst, religie, ideologie, of introspectie en wat het onderscheid is tussen sociale wetenschappen, geesteswetenschappen en natuurwetenschappen.

 

24    verschillende opvattingen over de status van wetenschappelijke kennis weergeven en uitleggen.

 

Daarbij kan hij enkele van de volgende opvattingen uitleggen en weergeven:

     de teleologische benaderingswijze van de natuur (Aristoteles);

     de mathematische benaderingswijze van de natuur (Galileď en Newton);

     wetenschap als intuďtieve benadering (Spinoza);

     de empiristische benaderingswijze van de natuur (Bacon);

     de logisch-positivistische opvatting: wetenschap is uitsluitend gebaseerd op positieve feiten (Wiener Kreis);

     de kritisch-rationalistische opvatting over wetenschappelijke kennis (Popper);

     wetenschappelijke kennis door middel van het 'Verstehen' (Dilthey);

     de wetenschappelijke gemeenschap bepaalt wetenschappelijke denkpatronen (paradigma's) (Kuhn);

     de natuurwetenschappelijke methode is het model voor alle wetenschappen (sciëntisme);

     enkele niet-westerse opvattingen over (wetenschappelijke) kennis.

 

 

Subdomein: Wetenschap en samenleving

 

De kandidaat kan

     

25  aangeven dat het proces van wetenschappelijke kennisverwerking is ingebed in verschillende contexten.

Daarbij kan hij enkele van deze contexten omschrijven:

     economische context;

     politieke context;

     context van wetenschappelijke traditie;

     cultureel-historische aspecten;

     genderaspecten.

 

26  een aantal opvattingen over de verhouding wetenschap en samenleving weergeven en uitleggen, met name wat betreft:

     de rol van wetenschappelijke gemeenschappen;

     de maatschappelijke betekenis van de menswetenschappen;

     de vraag of de wetenschappelijke praktijk beheersbaar is;

     de waardevrijheid van wetenschappen.

 

27  aangeven welke rol wetenschap speelt in de samenleving en criteria aangeven aan de hand waarvan deze rol kan worden beoordeeld en beheerst.