Kritiek op het utilisme

Er zijn een aantal bezwaren tegen het utilisme van Bentham & Mill. Hieronder volgen er een aantal en worden de
antwoorden van John Stuart Mill gegeven zoals hij ze in zijn boek 'Utilitarianism' (1863) heeft gegeven.

(1) Het waardebeginsel 'pleasure' is te hoog gegrepen.
Mill antwoordt, dat met het geluk niet een toestand van hoogst aangenaam genot en verrukking wordt bedoeld, maar
dat het gaat om periodes zonder smart. Utilistisch handelen is ook het verminderen van pijn en verdriet; het utilisme
is dus ook negatief te benaderen.

(2) In het utilisme is geen plaats voor het offer (deze kritiek komt vanuit de heersende christelijke moraal).
Mill antwoordt, dat het offer op zichzelf niet goed is, dat het alleen moreel te verantwoorden is als het goede
gevolgen heeft. Offerbereidheid en het offer zelf kunnen bestaan, maar zij zijn nooit goed om zichzelf. Een offer om
het offer is niet juist.

(3) Het utilisme zou alleen goed zijn voor degene die handelt.
Deze kritiek berust op een misverstand; het utilisme wordt hier verward met het ethisch egoïsme. Bij het utilisme gaat
het juist om de gevolgen van alle betrokkenen (en dus niet alleen om degene die handelt).

(4) Het utilisme is teveel eisend. Is het niet veel te veel gevraagd om te eisen dat in 'de hele wereld' goed teweeg
wordt gebracht. Er zijn toch ook dingen die we om onszelf doen?
Mill antwoordt, dat maar heel weinig mensen in staat zijn het lot van alle mensen in de wereld te bepalen; voor veel
mensen is de horizon te beperkt. Mensen handelen juist als ze de belangen van de directe omgeving / groep ten
goede komen. Sommige mensen zijn echter wel in staat het lot van veel meer mensen te beïnvloeden (denk aan
politici); deze mensen zijn ook verantwoordelijker (het is dus terecht dat het utilisme veeleisend is).

(5) Het utilisme heeft de exclusieve aandacht voor de gevolgen van een handeling en te weinig aandacht voor de
gezindheid waaruit een handeling voortkomt.
Mill antwoordt, dat de juistheid van een handeling uitsluitend wordt bepaald door wat de handeling teweeg brengt.
Toch kunnen we aan personen en karaktertrekken een waardeoordeel verbinden. Dit waardeoordeel is anders dan
het waardeoordeel over handelingen; Mill wil de oordelen over handelingen duidelijk scheiden van de andere
waardeoordelen.

(6) Het utilisme zou goddeloos zijn ('irreligious').
Mill geeft twee antwoorden. Als eerste zegt hij dat het afhangt van wat het karakter van de Godheid is. Als we mogen
aannemen dat God het beste / het goede voor zijn schepselen wil, wat is dan een betere theorie dan het utilisme?
Ten tweede zegt hij, dat wat God ook maar geschikt geacht mag hebben betreffende de moraal, dat dat moet
beantwoorden aan de standaard van het utilisme.

(7) Het utilisme is onuitvoerbaar ('impracticable').
Het zou niet in de praktijk te brengen zijn, omdat het nogal wat vraagt van de mensen. Als je het goed over het
kwaad voor de hele wereld wilt bewerkstelligen, moet je:

1. weten wat de alternatieven zijn.
2. de waarschijnlijke gevolgen van een handeling bepalen (denk aan de onmogelijkheid bij zaken als abortus, etc.).
3. de waarde van de gevolgen bepalen.

Mill antwoordt, dat je er geen tijd voor hebt (je moet vaak snel handelen) en als je er wel de tijd voor hebt, kom je er
moeilijk uit. Gelukkig ben je niet de eerste die over de problematiek heeft nagedacht en er zijn generaties aan jou
vooraf gegaan, die over zaken als leven en dood nagedacht hebben; deze handelingen van de voorgaande
generaties zijn vastgelegd in regels. Mill zegt dan ook dat een ieder zich in eerste instantie aan de regels moet
houden (een neerslag van ervaringen van generaties voor jou). Pas als je gegronde twijfel hebt moet je de calculatie
toepassen; de uitkomst kan op utilistische gronden afwijken van de regels.

Bron  :  Jeroen  Vink   Website  voor  filosofen     ( http://members.tripod.lycos.nl/filosofie/ethiek/19111999.html )