Breder vakkenpakket als alternatief voor hoogbegaafde leerlingen in het VWO

door Dini van den Heuvel
en

Eindexamen in 10 vakken

door Guido

In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs, klas 4, 5 en 6, moeten leerlingen een vakkenpakket kiezen waarin zij examen willen doen. Meestal komt dit neer op het laten vallen van vakken.
Het gevolg hiervan voor hoogbegaafde leerlingen is, dat zij in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs, zoals die er momenteel uitziet, in een beperkt aantal vakken les krijgen.
Bovendien krijgen zij in verhouding tot hun mogelijkheden teveel lesuren per vak. Zij zijn immers in staat zich lesstof eigen te maken in veel kortere tijd dan hun medeleerlingen. Ook hebben zij niet zoveel herhaling nodig als meestal in lesmethoden is ingebouwd. Dus verveling en demotivatie blijven niet uit. Met een beetje goede wil, inzet van de leerling en medewerking van schoolleiding en docenten is hierin verandering aan te brengen. In hetzelfde aantal lesuren kunnen meer vakken gedaan worden.

Een korte illustratie vanuit de praktijk

Onze zoon moest in de vierde klas kiezen of hij Grieks of Latijn wilde blijven doen. En klassieke taal is voldoende om eindexamen gymnasium te kunnen doen. Dat was jammer. Waarom kiezen, waarom niet alle twee blijven doen? De cijfers voor alle vakken waren ruim voldoende. In overleg met de conrector bovenbouw en de leraren klassieke talen, besloot hij niet te kiezen en dus op deze manier zijn pakket te verrijken.
Dit had nog een ander, achteraf heel motiverend gevolg. Volgens het rooster zou hij per week vijf uur meer naar school moeten dan zijn medeleerlingen. Door wat passen en meten slaagde hij er echter in dit terug te brengen tot maar twee uur meer. Grieks werd teruggebracht tot vier uur in plaats van vijf uur. Een uur natuurkunde en een uur Latijn werden ingevuld met Grieks. Voordelen hiervan waren: meer kennis, meer afwisseling in het rooster, minder onnodige herhalingen en dus interessantere lessen.
Bovendien werd er met betrekking tot het bijhouden van lesstof en het maken van afspraken met docenten een beroep gedaan op zijn eigen verantwoordelijkheid.

Dit is zo goed bevallen dat hij besloot in de vijfde klas een vakkenpakket samen te stellen van 10 vakken. De school roosterde 8 vakken in, net als bij alle andere leerlingen en voor twee vakken werden uren geruild. Bovenstaande voordelen bleven bestaan. Wel moest hij met meer docenten overleggen. Meestal lukte dit tot ieders tevredenheid. Af en toe was een extra gesprek op een ouderavond noodzakelijk voor wat meer begrip.
Dit laatste was in de zesde klas niet meer nodig. Alles werd meer routine en het examen kwam in zicht.

Veel voordelen en weinig extra werk

Deze manier van verrijking en verbreding van de lesstof biedt voor de leerling veel voordelen en voor de school geeft het weinig extra werk. De schoolleiding moet er natuurlijk wel achterstaan dat leerling(en) deze kans krijgen.

Roosterplanners moeten bereid zijn met hen rekening te houden. Niet dat alle vakken keurig ingepland moeten worden, maar wel dat deze leerling(en) er zijn en dat af en toe overleg met hen noodzakelijk is. Een suggestie daarbij: laat in het begin van het schooljaar de leerling zelf bekijken of de gemaakte roosters voldoende mogelijkheden bieden. Bespreek dit samen en maak afspraken over lestijden en met vakdocenten.

Dit betekent wel dat de schoolleiding bereid moet zijn een stukje van de eigen verantwoordelijkheid met de leerling te delen. Dit kan voor scholen een nieuwe situatie zijn waarmee weinig ervaring bestaat en waarvoor men huiverig is. Daar staat tegenover dat de leerling die toch niet zo jong meer is, leert voor zichzelf op te komen, te onderhandelen met leraren en roostermakers, inschatten wat wel en niet mogelijk is en afspraken bijstellen en veranderen.

Voor vakdocenten betekent dit alles dat zij ervan op de hoogte zijn en ermee akkoord gaan dat niet alle lessen bijgewoond worden. Soms kan het noodzakelijk zijn dat de docent aan de leerling doorgeeft welke stof behandeld is of wordt. Zeker als het stof betreft die niet in het boek terug te vinden is.
Het is natuurlijk helemaal geen probleem als in goed overleg met andere leerlingen aantekeningen uitgewisseld worden, maar de leerling mag hiervoor niet afhankelijk worden van medeleerlingen.

Tenslotte zal er enkele keren per schooljaar door schoolleiding, docenten, leerling en eventueel ouders bekeken moeten worden hoe het gaat. De ervaring leert, dat deze verrijking en verbreding van het vakkenpakket in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs niet alleen momenteel haalbaar is zonder al teveel extra voorzieningen, maar er ook toe bijdraagt dat lesstof uitdaging blijft houden en dat er op de individuele behoeften van leerlingen ingespeeld kan worden. Bovendien wordt er een groter beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van de leerling voor zijn studie.Ook dit laatste kan in de toekomst goed van pas komen.

Eindexamen in 10 vakken

Guido

Het bovenstaande artikel van mijn moeder wil ik hier met enkele praktijkervaringen aanvullen. In de vierde klas heb ik zoals beschreven ook Grieks gevolgd. Daarvoor was het noodzakelijk Grieks in plaats van een uur natuurkunde en een uur Latijn te volgen.

Aanvankelijk liep hierbij de samenwerking met zowel leraren als leerlingen slecht. Ik dacht namelijk in het begin dat leraren alleen stof uit het boek behandelden. Die kon ik zonder hen ook wel onder de knie krijgen, dus maakte ik me weinig zorgen. Totdat in een proefwerk een vraag verscheen over een onderwerp dat niet in het boek stond. Dat had de leraar blijkbaar in een uur dat ik er niet was, behandeld.
Daarna heb ik de afspraak met die leraar gemaakt, dat hij me zou waarschuwen als hij weer iets anders als wat in het boek stond, zou behandelen.

Ook leerlingen werkten soms slecht mee. Voor Latijn was het noodzakelijk, dat ik de in de les waarin ik afwezig was geweest gemaakte vertaling met mijn -eigengemaakte- vertaling kon vergelijken. Maar sommige leerlingen waren niet bereid mij hiervoor hun vertaling te geven. Na verloop van tijd echter wist ik, wie mij wl wilde helpen, dus kon ik het probleem omzeilen.

Vijfde en zesde klas

Bij de overgang van de vierde naar de vijfde klas koos ik ervoor om in tien vakken eindexamen te gaan doen. Een positief effect hiervan was, dat ook andere leerlingen ( 5) extra vakken gingen doen.

In de vijfde klas had ik slechts weinig problemen: ik volgde alle vakken zo goed als dat kon, daarbij geholpen door medeleerlingen en leraren.
Er was echter een leraar met wie eenvoudigweg geen afspraken gemaakt konden worden. Doordat ik daardoor mijn greep op de lesstof dreigde te verliezen, was mijn rapportcijfer voor dat vak lager dan verwacht.
Toen heb ik mijn cluster-rooster eens goed bekeken en ben naar de conrector gegaan met het verzoek om dat vak in een ander cluster, met een andere leraar, te mogen volgen. Mijn verzoek werd ingewilligd. De rest van de vijfde klas verliep nagenoeg probleemloos.

In de zesde klas werd mijn rooster zo vastgesteld, dat ik weer van dezelfde leraar als bovengenoemde les zou krijgen. Toen wachtte ik niet totdat het cijfer voor dat vak aan zou geven hoe slecht het zou gaan, maar ben ik meteen naar de conrector gegaan met een verzoek om wijziging van mijn rooster. Dit had het bijkomende voordeel, dat ik ook voor andere vakken leraren kreeg die mij meer aanstonden dan degenen bij wie ik ingeroosterd was.

De verwachte, grote hoeveelheid leerwerk voor schoolonderzoeken en examens bleef (gelukkig) uit, mede door een goede planning mijnerzijds. Ook de hulp van verschillende leraren, die mij hun lesplanning doorgaven, speelde daarbij een grote rol.

Terugkijkend op deze drie jaar kan ik concluderen, dat het volgen van extra vakken voor mij een mogelijkheid was om mijn kennis te vergroten en verveling minder kans te geven. Met een beetje planning en overleg met de school kostte het me weinig extra moeite.
De school hoefde ook weinig meer te doen dan begrip en welwillendheid te tonen voor mij.

Nu (12 juni) is het feest: ik ben geslaagd!!

Guido, namens de gehele redactie van Signaal, van harte gefeliciteerd.

Riel, juni 1992


Zie ook: Een klas overgeslagen, dus jonger in het voortgezet onderwijs