Dyslexie en hoogbegaafdheid

Dini van den Heuvel

Dyslexie

Dyslexie: heel erg lastig!

Lezen en spellen zijn ingewikkelde bezigheden. Meestal staan we hier niet zo bij stil. De meeste kinderen leren het, net als praten, spelenderwijs en zijn zich echt niet bewust van de vele verschillende vaardigheden die zij zich daarbij eigen maken.
Dit geldt echter niet voor alle kinderen. Er zijn kinderen die, ondanks dat ze op allerlei gebieden van het dagelijks leven een normaal verstandige indruk maken, of zelfs bijdehand zijn, problemen krijgen met lezen en spellen.

Dyslexie: een verzamelnaam

Deze problemen komen we in de literatuur tegen onder de naam dyslexie. Dyslexie betekent echter leesprobleem; het speIlingsprobleem, het niet zonder spellingfouten kunnen schrijven, heet dysorthografie. Omdat deze problemen bij jonge kinderen bijna altijd tezamen voorkomen worden ze echter nogal eens samengevat met het woord dyslexie. Dit voor de goede orde en voor degenen die zich verder in de problematiek willen verdiepen.

Dyslexie: een verklankingsprobleem
Waardoor dyslexie veroorzaakt wordt is niet helemaal duidelijk. Onderzoekers gaan er momenteel vanuit dat dyslexie een verklankingsprobleem is. Dyslectici hebben problemen met het omzetten van geschreven of gedrukte letters en woorden in spraakklanken en omgekeerd. Het is waarschijnlijk een gevolg van een stoornis bij het coderen en decoderen van zowel gesproken als geschreven taal. Zij worstelen met een zwakkere inprenting van taal en door deze minimale, in de dagelijkse omgang zelfs niet altijd opvallende taalstoornis, lopen zij als het ware al een vertraging in het lezen op voor zij ermee begonnen zijn. Uit onderzoek is dan ook vast komen staan dat de vroege taalontwikkeling van dyslectische kinderen meestal niet vlekkeloos is verlopen.
Omdat taalverwerving een heel ingewikkeld proces is, kan erop allerlei onderdelen iets fout gaan. Om hier wat meer zicht op te krijgen in het kort aandacht voor de taalontwikkeling van kinderen.

Taalontwikkeling

Het vermogen taal te begrijpen en zelf te gaan spreken ligt bij mensen erfelijk vast. Welke taal een kind gaat spreken is echter helemaal afhankelijk van de taal die de volwassenen in de omgeving spreken.
Een kind gaat in eerste instantie de taal van de volwassenen begrijpen. Het reageert, door geregelde bevestiging van volwassenen, anders op het ene woord dan op het andere. Dit is een begin van receptieve taalbeheersing. Taalontwikkeling begint dus niet met de eerste zelfgesproken woorden, maar op het moment dat het kind taalklanken gaat opvatten als betekenisvol, als verwijzing naar personen (mama, papa), dieren (hond, poes), dingen (auto, pop), en gebeurtenissen (gaan slapen of uitgaan). Horen, luisteren en coderen spelen hier dus al een belangrijke rol. Als het kind woorden gaat nabootsen, anderen gaat imiteren komt de expressieve taalbeheersing op gang.
Doordat er in de omgeving van het kind positief wordt gereageerd op deze pogingen krijgt het kind een steeds uitgebreidere woordenschat en het begrijpen van taal gaat snel vooruit. Op een gegeven moment, het ene kind is hier wat sneller in dan het andere, kan het kind praten op communicatieve wijze. Het gaat de taal van volwassenen spreken. Het wil begrepen worden in wat het bedoelt, vraagt hoe de dingen heten, hoe je ze moet noemen en hoe je moet zeggen wat je bedoelt. Het is boeiend te zien hoe een kind de taal leert, met zijn eigen spraakklanken (fonologie) met zijn eigenaardige regels van meervoudsvorming en vervoegingsregels van werkwoorden (morfologie), met woordbetekenissen, zinsbetekenissen en het kunnen begrijpen van grotere tekstgedeelten (syntaxis en semantiek) .
Dit leren gebeurt 'vanzelf doordat kinderen woorden en zinnen horen en deze zelf gaan napraten op de manier waarop ze hen voorgesproken worden. In de eerste levensjaren leren kinderen de accenten, de melodie en het ritme van de taal. Verstaan en spreken zijn innig met elkaar verweven en zijn alleen in schema's en modellen te onderscheiden.
Deze voorlopers van het lezen en spellen zijn uiterst belangrijk voor een kind. Latere problemen zijn beter te begrijpen als we beter weten waar een kind in die voorbereidende ontwikkeling allemaal mee bezig is.

Lezen

Bij het leren lezen is in grote lijnen onderscheid te maken tussen voorbereidend lezen, aanvankelijk lezen, spellend lezen, herkennend en begrijpend lezen. Ook deze indeling is een theoretische om wat meer zicht te krijgen op de verschillende vaardigheden. In de praktijk lopen ze meestal vloeiend in elkaar over.

Voorbereidend lezen

Op een gegeven moment gaat een kind begrijpen dat er een samenhang is tussen gesproken taal en het lezen en schrijven van taal. Kinderen ontdekken bijvoorbeeld dat woorden iets betekenen, dat er lange en korte woorden zijn, dat woorden uit lettergrepen bestaan en dat sommige woorden dezelfde klank hebben en dat je daarmee kunt rijmen.

Aanvankelijk lezen

Dit kan zich zowel uiten in het onthouden van globaal gelezen woorden als in het doorhebben van klank- en letterkoppelingen. Dit onthouden en toepassen is de eerste stap in het lezen. Zij zetten dan geschreven of gedrukte tekens om of vervangen deze door spraak klanken. Informatie van het ene systeem, het visuele, zetten zij om in informatie van een ander systeem, het auditief - vocale. Zij moeten de informatie steeds omzetten in een andere code en dit coderen en decoderen moet snel en automatisch gaan verlopen om goed te gaan lezen.

Spellend en herkennend lezen

Bij spellend lezen moet een kind de samenstellende koppelingen nog stuk voor stuk identificeren en deze daarna samenvoegen tot een woord.
Kinderen die het spellen al zo goed beheersen dat ze een woord in één keer kunnen lezen, gaan herkennend lezen. Af en toe zullen ze nog wel eens terugvallen op spellend lezen, bijvoorbeeld bij moeilijke woorden of ingewikkelde zinnen.

Begrijpend lezen

We spreken van begrijpend, vloeiend, vanuit de context lezen of verhalend lezen als het stadium van het spellend lezen voorbij is. Als het herkennend lezen voldoende is ontwikkeld om echt te kunnen lezen. Te kunnen begrijpen wat er in een tekst staat.

Spellen

Lezen en spellen zijn twee kanten van één medaille. Kinderen leren deze vaardigheden op school vrijwel gelijktijdig. Problemen met lezen en spellen duiken dan ook meestal samen op. Op het eerste gezicht lijkt het leren spellen het omgekeerde van het leren lezen. Dit klopt wel, maar toch is het goed om bij enkele zaken even speciaal stil te staan.
Kinderen moeten naast het register voor visuele schrift­ tekens voor kleine en hoofdletters een nieuw register vormen. Zij moeten schrijfletters uit het verbonden schrift ook in hun geheugen vastleggen en automatiseren. Verder is het zo dat, door oefening, de fase van het geautomatiseerd woorden schrijven volgt op het spellend letter - voor - letter schrijven. Net zoals bij het leren lezen de fase van het herkennend lezen na het spellend lezen volgt. Kinderen moeten dus schriftbeelden spontaan op kunnen roepen om ze vloeiend schriftelijk te kunnen produceren. Dit gaat allemaal nog goed zolang de overeenkomst van wat een kind hoort en het schriftbeeld duidelijk is. Maar dat werkt al snel niet meer, we hebben immers een heel systeem van spellingsregels en als een kind die niet voldoende beheerst kan het ook hier verkeerd gaan. Dit alles leidt dan tot hardnekkige spellingfouten.

Stukje voor stukje voortbouwen op de basis

Kinderen moeten dus bij het leren lezen en het leren schrijven zonder spellingfouten, verder kunnen bouwen op de vaardigheden die ze tijdens het praten ontwikkeld hebben. Zij moeten klanken herkennen, deze goed opslaan in hun geheugen, nieuwe klanken vergelijken met wat ze al weten en zo hun repertoire uitbreiden. Leren lezen en schrijven doen nog meer beroep op deze vaardigheden dan leren praten, want er komt een dimensie bij. Zij moeten niet alleen spraakklanken reproduceren, maar zij moeten deze ook herkennen in geschreven tekst en zelf in staat zijn deze klanken om te zetten in letters, woorden en zinnen.
Deze processen doen op allerlei vaardigheden van kinderen een beroep. Zij moeten onderscheid kunnen maken tussen verschillende klanken en tekens, auditief en visueel discrimineren. Maar ook moeten zij weer in staat zijn een woord uit de verschillende klanken en tekens samen te stellen, synthetiseren. Bovendien moeten zij informatie van het visuele systeem omzetten in het auditieve - vocale systeem en omgekeerd, coderen en decoderen.
Bij deze ingewikkelde processen kunnen er natuurlijk op allerlei plaatsen verstoringen optreden. Als klankstructuren bijvoorbeeld vervormd of onoverzichtelijk in het geheugen zijn opgeslagen kost het meer tijd en moeite om ze terug te zoeken en te vergelijken met nieuwe woorden die het kind tegenkomt. Als associaties (b v. het woord stoel en het voorwerp) niet voldoende zijn geautomatiseerd kost het teveel tijd om woorden te herkennen enz.

Dit zijn maar enkele voorbeelden om u enig idee te geven. Voor meer uitgebreide informatie zowel met betrekking tot taalverwerving en het leren lezen en spellen als met betrekking tot de stoornissen die kunnen ont­ staan, verwijs ik u naar onderstaande literatuur.

De wisselwerking tussen kindvariabelen en omgevingsvariabelen

Bij het lees- en spelproces spelen verschillende variabelen op elkaar in. Deze variabelen zijn te verdelen in kindvariabelen, de mogelijkheden en de leeractiviteiten van een kind en omgevingsvariabelen, de aard van het lesmateriaal en de instructiekwaliteit. Van een goede wisselwerking tussen deze variabelen is het succes van een leerproces afhankelijk. Dus is het niet zo vreemd dat kinderen die in aanleg niet zo'n sterke taalkant hebben, met leesmethoden die hier geen rekening mee houden helemaal slecht af zijn. In de praktijk, zowel bij het leren lezen en schrijven als bij de behandeling van lees- of spellingstoornissen, zal men dus met beide soorten variabelen rekening moeten houden en hun wisselwerking niet uit het oog mogen verliezen.
Kinderen hebben baat bij een duidelijke, systematische taaldidactiek. Slecht taalonderwijs veroorzaakt nog geen dyslexie, het gebrek is al in de baarmoeder aanwezig. Wel is het zo dat slecht taalonderwijs het probleem snel
verergert. Ook is het van belang voor ieder kind het goede moment te kiezen voor het beginnen met taalonderwijs. Dit begin moet passen bij de mogelijkheden van het kind. Voor de motivatie van het kind is het goed om aan te sluiten bij de eigen belevingswereld en te zorgen dat de inspanning van het kind succes kan hebben.
Positieve ervaringen zijn goed voor het lees- en spellingproces en ook voor het zelfbeeld en de motivatie van een kind.

Extra hulp als het niet zo goed gaat.

Het is uiteraard noodzakelijk voor een kind met een leesstoornis dat, naast het oefenen van taalvaardigheden, aan het proces van het leren lezen en schrijven gewerkt wordt.
In de hulpverlening aan taalzwakke kinderen zijn begeleiders vanuit verschillende disciplines werkzaam. Zij werken vanuit hun eigen deskundigheid. De logopediste helpt bij de taalontwikkeling, de remedial teacher richt zich op het leren lezen en spellen, de neuropsycholoog en orthopedagoog zullen zich eerder verdiepen in het functioneren van de hersenen en hun therapie daarop afstemmen en de taalkundige zal andere methodes aanreiken voor taal en spellingsregels. Dit alles met de beste bedoelingen. Het is echter wel zaak dat iedere hulpverlener zich bewust is van de eigen beperkingen. Deze spelen bijna altijd mee in de diagnose en vandaaruit in de behandeling. Uit een onderzoek kwam bijvoorbeeld naar voren dat logopedistes en remedial teachers die samenwerken breder gaan kijken om de juiste diagnose te stellen. Zij signaleren eerder problemen die op het vakgebied liggen van de ander dan logopedistes of remedial teachers die alleen vanuit hun eigen discipline werken.
De verschillende therapieën hoeven elkaar echter niet te bijten. Wel zou het goed zijn als de deskundigen hun methodes, met de voordelen en de nadelen die aan iedere benadering verbonden zijn, eens naast elkaar leggen en eens kijken waar ze eventueel elkaar aan kunnen vullen of juist niet voor een bepaald kind geschikt zijn. Daar zouden zowel hulpverleners als kinderen mee gebaat zijn en ouders zouden kunnen kiezen voor een oplossing die het best bij hun kind past.

Signalen serieus nemen voorkomt veel leed!

Dyslexie is een heel lastige handicap die wellicht niet helemaal te verhelpen is, maar door betere begeleiding en vroegtijdige signalering wel te verlichten en te verbeteren is. Maar helaas, lang niet alle dyslectische kinderen worden op jonge leeftijd herkend. Dat komt in de eerste plaats doordat leerkrachten niet voldoende bekend zijn met dyslexie, maar ook doordat kinderen die wat intelligenter zijn dyslexie op allerlei manieren kunnen compenseren. Zij proberen bijvoorbeeld gehele woordbeelden te onthouden. Zij steunen dan bij het lezen op hun visueel geheugen. Het lijkt dan of ze verklankend lezen, maar na verloop van tijd blijkt hun lezen slechts te berusten op visuele inprenting. Ook kunnen fonologisch zwakke kinderen hun problemen met het verklanken wat compenseren en camoufleren door te steunen op hun grote woordenschat en hun kennis van de wereld. Hierdoor zijn zij vaardig in het hanteren van context-leesstrategieën en begrijpen ze toch wat er in een tekst staat. Spellingsproblemen blijven bij deze kinderen wel hardnekkig aanwezig. Hun fouten worden gekenmerkt door terugval op het fonetisch afluisteren van klanken, samengaand met gebrek aan grammatica en spellingsregels. Door een onopgemerkte of verwaarloosde vorm van lichte dyslexie ontstaat bij hen dysorthografie.

Dyslexie in het voortgezet onderwijs

Meestal wordt bij deze kinderen de dyslexie later zichtbaar, soms pas in het voortgezet onderwijs. Voor ouders en leerkrachten ook iets om alert op te zijn, serieus te nemen en op te zoek gaan naar goede begeleiding. Taalzwakke kinderen kunnen juist op andere terreinen heel goed presteren. Jammer dus als de taalzwakte gezien wordt als een reden om het V.O. niet af te maken. Juist bij deze kinderen, die hoog scoren op andere vaardigheden, is het van belang om alles op alles te zetten om de vakken Nederlands en Engels tot het niveau van een voldoende te krijgen en te houden. Hulpmiddelen kunnen zijn: meer tijd om schriftelijk werk te maken en minder nadrukkelijk met spelling omgaan, maar juist het kind stimuleren vanuit de mogelijkheden die het wel heeft. Zo'n positieve benadering voorkomt faalangst bij deze kinderen en het gevoel dat ze omdat ze niet zo goed in talen zijn, dom zijn.
Zodra zij tijdens hun opleidingen los kunnen komen van 'de talen' voelen zij zich als een vis in het water in wetenschap, techniek en handvaardigheid eisende beroepen. Jammer als zij de kans niet krijgen omdat zij zo'n lastige handicap hebben en verder wel over de nodige mogelijkheden beschikken.

Dyslexie en gedragsproblemen

Als een kind dyslectisch is wil dat nog niet zeggen dat het ook andere problemen heeft. Wel kan het niet goed kunnen leren lezen en leren spellen problemen zoals faalangst en weinig zelfvertrouwen veroorzaken. Dit kan al heel jong beginnen. Na groep 3 in de basisschool wordt op school al veel nieuwe informatie schriftelijk aangeboden, dus als je niet zo handig bent met lezen heb je vlug een achterstand, ook in andere vakken!
Dyslexie kan bij hoogbegaafde kinderen ook heel raar uitpakken. Als je wel slim bent en goed begrijpt wat mensen bedoelen, accepteren volwassenen niet zo snel dat je problemen hebt met lezen en schrijven. Ze veronderstellen eerder dat je ergeen zin in hebt en dat je je best niet doet. De oplossingen die zij aandragen zijn dan ook meestal op het gedrag van het kind gericht in plaats van op het taalprobleem. Niet alleen voelen deze kinderen zich slecht begrepen, ook snappen ze niets van zichzelf. Ze zijn redelijk slim, maar vlot lezen en zonder spelling­ fouten schrijven wil maar niet lukken. Dit kan heel negatief werken als het niet erkend wordt.

Het is zaak bij alle kinderen tijdig deze handicaps te signaleren en serieus te nemen. Leerkrachten moeten hier beter voor toegerust worden en ouders doen er goed aan zich niet met een kluitje in het riet te laten sturen. Ook is het nodig dat scholen hun taalmethodes zorgvuldig kiezen.
Er bestaan natuurlijk onderlinge verschillen bij kinderen. Het ene kind is nu eenmaal taalgevoeliger dan het andere en alle kinderen leren met vallen en opstaan en maken fouten, maar als er hardnekkige lees- en/of spellingfouten blijven bestaan is het zaak om eens wat beter te kijken om erger te voorkomen. Dyslexie blijkt in een aantal gevallen erfelijk te zijn. Dus kinderen waarvan een van de ouders dyslectisch is hebben meer kans om het ook te zijn. Bovendien is uit onderzoek bekend dat dyslexie vier maal zoveel bij jongens voorkomt dan bij meisjes.

Tenslotte, gebrekkig lezen of spellen wordt niet verklaard vanuit gebrekkige intelligentie. Leren lezen en leren spellen vragen om relatief specifieke bekwaamheden die niet noodzakelijkerwijs met wel of niet intelligent zijn samenhangen.

Literatuur
  • Aarle E.v. en Henneman K. (red.) Dyslexie. Swets en Zeitlinger, Lisse, 1993
  • Clemens, J.H.M.W. Diagnostiek van lees problemen in het VOO Tijdschrift voor Remedial Teaching 94/3
  • Cools J.M.W. Vroegtijdige Onderkenning van dyslexie. Een onderzoek naar signalen. Tijdschrift voor Remedial Teaching 95/3
  • Dumont J.J. Dyslexie: Theorie, diagnostiek en behandeling. Lemniscaat, Rotterdam, 1994.
  • Henneman, K. Problemen van gevorderde spellers. Signalering, dia­ gnostiek en begeleiding. Coutinho, Muiderberg, 1994
  • Pijlman F., Wammes J.(red.) Leesmoeilijkheden in het voortgezet Onderwijs. Zwijsen, Tilburg, 1986
  • Smits A.E.H. Dyslexie: Vroegtijdige onderkenning van risicofactoren door de logopedist. Tijdschrift voor Remedial Teaching 95/4
  • Truijens A. Niet dom maar dyslectisch. Elsevier 12/8/95
  • Meer informatie
    Ook kunt u voor informatie terecht bij de landelijke Oudervereniging 'Balans', de Kwinkelier 40, 3722 AR Bilthoven. Telefoon 030 - 2292204.


juni 1996
Dini van den Heuvel