Howard

uit: ADHD and children who are gifted van James Webb
Vertaald door Gonnie Hollanders voor Signaal nr.40, April 1996

De leraren van Howard zeggen dat hij simpelweg niet werkt in overeenstemming met zijn talenten. Hij maakt zijn opgaven niet af, of schrijft alleen antwoorden op zonder zijn werk te laten zien; zijn handschrift en spelling zijn onvoldoende. Hij kan in de klas niet stilzitten, praat met anderen, en verstoort vaak de klas door anderen te onderbreken. Hij was gewoon om de antwoorden op de vragen van de leraar luidkeels door de klas te roepen (gewoonlijk waren zij juist), maar nu dagdroomt hij veel en lijkt verstrooid.

Heeft Howard 'Attention Deficit Hyperactivity Disorder' (ADHD), is hij hoogbegaafd, of beide?
Vaak worden pientere kinderen verwezen naar psychologen of kinderartsen, omdat zij bepaalde gedragingen vertonen (bijv. rusteloosheid, onoplettendheid, impulsiviteit, een hoge mate van activiteit, dagdromen), gewoonlijk gekoppeld aan een diagnose van ADHD.
Het 'Diagnostisch en Statistisch Handboek van Geestesziekten' (DSM-111-R) van de Amerikaanse Psychiatrische Associatie vermeldt nadrukkelijk 14 kenmerken die kunnen worden aangetroffen bij kinderen bij wie de diagnose ADHD gesteld is. Tenminste 8 van deze kenmerken moeten aanwezig zijn, de eerste symptomen moeten zich voor de leeftijd van 7 jaar hebben voorgedaan, en zij moeten gedurende tenminste 6 maanden aanwezig zijn.

DSM-lll-R Criteria voor het stellen van diagnose van 'Attention Deficit Hyperactivity Disorder' *

  1. Beweegt vaak zenuwachtig met handen en voeten of wriemelt in zijn stoel (bij adolescenten kan dit beperkt zijn tot subjectieve gevoelens van rusteloosheid).
  2. Vindt het moeilijk om te blijven zitten wanneer dit geŽist wordt.
  3. Wordt gemakkelijk afgeleid door prikkels van buitenaf.
  4. Vindt het moeilijk om zijn beurt af te wachten in spellen of groepssituaties
  5. Flapt vaak antwoorden op vragen eruit, nog voor ze gesteld zijn.
  6. Heeft moeite instructies van anderen op te volgen (niet te wijten aan weerspannig gedrag of onbegrip).
  7. Heeft moeite de aandacht bij taken of spelactiviteiten te houden.
  8. Schakelt vaak van de ene onafgemaakte activiteit over op de andere.
  9. Heeft moeite rustig te spreken.
  10. Praat vaak buitensporig veel.
  11. Onderbreekt of stoort anderen, bijv. bemoeit zich met het spel van anderen.
  12. Lijkt vaak niet te luisteren naar wat hem verteld wordt.
  13. Verliest vaak dingen, noodzakelijk voor taken of bezigheden op school of thuis (bv.speelgoed, potloden, boeken).
  14. Raakt vaak verzeild in lichamelijk gevaarlijke activiteiten zonder te denken aan mogelijke gevolgen (niet met het doel sensatie te zoeken), bijv. rent de straat op zonder uit te kijken.

Bijna al deze gedragingen echter kunnen ook worden aangetroffen bij pientere, talentvolle, creatieve, hoogbegaafde kinderen. Tot nu toe is er weinig aandacht besteed aan de overeenkomsten en verschillen tussen de twee groepen, waardoor de mogelijkheid is ontstaan dat er op beide terreinen verkeerd wordt geÔdentificeerd: hoogbegaafdheid en ADHD.
Soms stellen professionele hulpverleners de diagnose ADHD door alleen te luisteren naar de beschrijvingen van het gedrag van het kind door ouder of leraar, gecombineerd met een korte observatie van het kind. Ook worden korte vragenlijsten gebruikt om een en ander te bepalen, ofschoon deze vragenlijsten slechts de beschrijving van het gedrag door ouders of leraren meten.
Kinderen die zo fortuinlijk zijn een grondig lichamelijk onderzoek (hetgeen tevens een onderzoek naar allergieŽn en andere stofwisselingsstoornissen nhoudt), en uitgebreide psychologische onderzoeken (waarbij ook de intelligentie, de prestaties en de emotionele toestand worden beoordeeld) te ondergaan, hebben een betere kans om op de juiste wijze te worden geÔdentificeerd. Een kind kan hoogbegaafd zijn, en ADHD hebben. Zonder een grondig professioneel onderzoek is het moeilijk te zeggen.Hoe kunnen ouders of leraren het onderscheid maken tussen ADHD en hoogbegaafdheid?
Het verschil zien tussen gedrag dat soms in verband wordt gebracht met hoogbegaafdheid, maar ook kenmerkend is voor ADHD, is niet gemakkelijk; zoals de volgende lijst van overeenkomsten laat zien.

Gedragingen die gekoppeld zijn aan ADHD (Barkley,1990)

  1. Slecht de aandacht erbij kunnen houden in bijna alle omstandigheden.
  2. Geringe volharding bij opdrachten die niet onmiddellijk logische gevolgen hebben.
  3. Impulsiviteit, wil direct behoeften bevredigen
  4. Vindt het moeilijk om zich te houden aan opdrachten, bestemd om gedrag in sociaal verband te reglementeren of te verhinderen
  5. Actiever, rustelozer dan gewone kinderen.
  6. Heeft problemen met het zich houden aan regels en voorschriften

Gedragingen die gekoppeld zijn aan hoogbegaafdheid (Webb, 1993)

  1. Geringe aandacht, verveling, dagdromen in bepaalde omstandigheden.
  2. Geringe taakgerichtheid bij taken die onbelangrijk lijken,
  3. Achterstand in beoordelingsvermogen, bij zich ontwikkelende intelligentie.
  4. Intensiteit kan lijden tot machtsstrijd met autoriteiten.
  5. Hoge mate van activiteit: heeft soms minder slaap nodig.
  6. Plaatst vraagtekens bij regels, gewoonten en tradities.

Neem de omstandigheden en achtergronden in overweging

Het is belangrijk om de omstandigheden waarin het gedrag van een kind problematisch is, te onderzoeken. Kenmerkend voor hoogbegaafde kinderen is, dat zij niet in alle omstandigheden problemen vertonen. Bijvoorbeeld leraar van de school zal het kind beschouwen als iemand met ADHD, maar een andere leraar niet; of op school worden ze beschouwd als lijdend aan ADHD, maar door de muziekleraar of de leider van de scouting niet. Nader onderzoek van de problematische situatie openbaart in het algemeen andere factoren die het probleemgedrag in de hand werken.
Kinderen met ADHD echter, vertonen het probleemgedrag in vrijwel elke omgeving, zowel op school als thuis, ofschoon de mate waarin het probleemgedrag optreedt, van plaats tot plaats belangrijk kan verschillen, sterk afhankelijk van de structuur van de situatie Dat wil zeggen: het gedrag bestaat in elke omgeving, maar is in de ene omgeving meer een probleem dan in de andere.

In de klas is het waargenomen onvermogen van het hoogbegaafde kind om zijn aandacht bij zijn taak te houden waarschijnlijk toe te schrijven aan verveling het onderwijsprogramma, een verkeerde manier van leren of andere omgevingsfactoren. Hoogbegaafde kinderen brengen soms 1/4 tot 1/2 van hun gewone lestijd door met wachten tot de andere kinderen hen hebben ingehaald - soms zelfs meer, als zij in een heterogeen samengestelde klas zitten. Het niveau van leren dat zij aankunnen, ligt vaak 2 tot 4 klassen boven de klas waarin zij daadwerkelijk zitten. Zulke kinderen beantwoorden niet-uitdagende of saaie klassikale omstandigheden met gedrag waarbij zij zich aan hun taak onttrekken, met onderbrekingen, of andere pogingen om zichzelf te vermaken. Dit gebruik van extra tijd is vaak de oorzaak van een verwijzing voor een onderzoek naar ADHD.

Hyperactief is een woord dat vaak wordt gebruikt om zowel hoogbegaafde kinderen als kinderen met ADHD te beschrijven.

Terwijl zij zich moeilijk kunnen concentreren, hebben kinderen met ADHD een hoge mate van activiteit, maar deze mate van activiteit wordt vaak in allerlei situaties aangetroffen (Barkley, 1990)
Een groot deel van de hoogbegaafde kinderen is ook zeer actief. Wel 1/4 deel van hen heeft misschien minder slaap nodig; hun activiteit is echter in het algemeen geconcentreerd en doelgericht, in tegenstelling tot het gedrag van kinderen met ADHD.

De intensiteit van de concentratie van hoogbegaafde kinderen zorgt ervoor dat zij vaak lange perioden en veel energie besteden aan dat wat hen echt interesseert. Hun speciale interesses komen echter soms niet overeen met de wensen en verwachtingen van ouders of leraren. Terwijl het kind dat hyperactief is zich in vrijwel elke situatie maar heel kort kan concentreren (behalve gewoonlijk bij tv en computerspelletjes), kunnen kinderen die hoogbegaafd zijn zich zonder moeite gedurende lange periodes concentreren op zaken die hen interesseren, en eisen zij niet directe voltooiing of directe logisch gevolgen van die opdrachten.

De activiteiten van kinderen met ADHD zijn gewoonlijk zowel eindeloos als willekeurig; de activiteit van het hoogbegaafde kind treedt gewoonlijk slechts af en toe op en is doelgericht.

Terwijl het zich moeilijk kunnen houden aan regels en voorschriften nog maar sinds kort wordt geaccepteerd als een teken van ADHD (Barkley, 1990), trekken hoogbegaafde kinderen soms actief regels, gebruiken en tradities in twijfel, waarbij ze soms ingewikkelde regels bedenken waarvan ze verwachten dat anderen ze zullen respecteren of gehoorzamen. Sommigen raken verwikkeld in een machtsstrijd. Deze gedragingen kunnen leiden tot onbehagen bij ouders, leraren en leeftijdsgenoten.

Eťn kenmerk van ADHD dat geen tegenhanger heeft bij kinderen die hoogbegaafd zijn, is de wisselende taakgerichtheid. In vrijwel elke omgeving zijn kinderen met ADHD gewoonlijk zeer wisselvallig in de kwaliteit van hun werk (bijv. schoolcijfers, karweitjes), en in de hoeveelheid tijd die gebruikt wordt om taken te volbrengen (Barkley, 1990).
Kinderen die hoogbegaafd zijn handhaven consequent vaste prestaties en hoge cijfers in de klas, wanneer zij hun leraar aardig vinden en uitgedaagd worden, ofschoon ze zich soms tegen bepaalde onderdelen van hun werk verzetten, vooral herhaling van opdrachten die als saai worden ervaren.
Sommige hoogbegaafde kinderen kunnen uiterst doelgericht en geconcentreerd bezig zijn om een product voort te brengen dat met hun eigen, zelf opgelegde maatstaven overeen komt.

Wat ouders en leraren kunnen doen

Vaststellen of een kind ADHD heeft kan buitengewoon moeilijk zijn als dat kind tevens hoogbegaafd is. Het gebruik van vele instrumenten, inbegrepen intelligentietesten die door deskundige professionele krachten worden afgenomen, testen van prestaties en persoonlijkheidstesten, evenals inschattingen door ouder en leraar, kunnen de beroepskracht helpen om de geringe verschillen tussen ADHD en hoogbegaafdheid vast te stellen. Door een individuele beoordeling zorgt de beroepshulpverlener ervoor dat hij een zo goed mogelijk contact krijgt met het kind, om zodoende het beste resultaat op de testen te bereiken. Aangezien de testsituatie constant is, is het mogelijk om betere vergelijkingen tussen kinderen te maken.
Gedeelten van de prestatie- en intelligentietesten zullen concentratiestoornissen of leerproblemen onthullen, terwijl persoonlijkheidstesten zijn ontwikkeld om aan te tonen, of emotionele problemen (bijv. depressie, angst) wellicht het probleemgedrag veroorzaken. De evaluatie zou moeten worden gevolgd door geschikte wijzigingen in de instructies en in het onderwijsprogramma, die rekening houden met vergevorderde kennis, diverse manieren van leren en verschillende soorten intelligentie.

Zorgvuldige overweging en goede professionele beoordeling zijn noodzakelijk alvorens te concluderen dat pientere, creatieve, intense jongeren zoals Howard ADHD hebben. Houd rekening met de kenmerken van het hoogbegaafde/talentvolle kind en met de omstandigheden van het kind. Aarzel niet om de mogelijkheid van hoogbegaafdheid te opperen tegenover elke professionele hulpverlener die het kind onderzoekt op ADHD: wees echter niet verrast als de beroepskracht weinig oefening heeft gehad in het herkennen van de kenmerken van hoogbegaafde/talentvolle kinderen (Webb 1993). Het is belangrijk om de juiste diagnose te stellen en ouders en leraren moeten soms informatie aan anderen verstrekken, daar hoogbegaafdheid in de opleiding van professionele hulpverleners vaak over het hoofd wordt gezien.

* DSM-111-R Criteria voor het stellen van de diagnose van 'Attention Deficit Hyperactivity Disorder' herdrukt met toestemming van het 'Diagnostisch en Statistisch Handboek van Geestesziekten', 3e editie, herzien, Washington, DC, Amerikaanse Psychiatrische Associatie, 1987.

**Noot van de webredactie van Pharos in 2008: De DSM, een classificatie voor psychische stoornissen, is ontwikkeld onder verantwoordelijkheid van de American Psychiatric Association. In juni 1994 verscheen de vierde editie (DSM-IV), in 2001 verscheen een tekstrevisie (DSM-IV-TR). De DSM is ontwikkeld voor gebruik bij met name onderzoek. Door internationaal dezelfde criteria af te spreken voor psychiatrische aandoeningen wordt onderzoek en communicatie duidelijker en betrouwbaarder. De DSM is dus een classificatiesysteem, ten onrechte wordt het als een diagnose-systeem gehanteerd. In 2011 verschijnt DSM V.



April 1996
Gonnie Hollanders