Mijmeringen na een symposium

Dini van den Heuvel

Op 16 september1992 is er in Nijmegen, bij gelegenheid van de zestigste verjaardag van Prof. Dr. F.J. Mönks, een symposium gehouden met als titel "Groei en ontwikkeling van het hoogbegaafde kind." Er waren sprekers aangekondigd die ik nog nooit gehoord had over hoogbegaafdheid. Een goed idee. Ik werd nieuwsgierig en ging er naar toe.

Wat heeft het symposium me opgeleverd?

Op de eerste plaats dat er nog veel moet gebeuren met betrekking tot groei en ontwikkeling van hoogbegaafde kinderen. Consultatiebureau-artsen, is me duidelijk geworden, krijgen 90 tot 95%.van de moeders met pasgeboren kinderen op hun spreekuur.
Het is heel hard nodig dat deze artsen goede informatie krijgen over groei en ontwikkeling van hoogbegaafde kinderen. Niet alleen over de lichamelijke en motorische ontwikkeling maar ook over de intellectuele en sociaal­emotionele ontwikkeling.
Voorkomen is immers nog altijd beter dan genezen, zowel vanuit economisch als vanuit humanitair oogpunt. Als door therapie en allerlei andere voorzieningen weer recht gebreid moet worden wat er in de eerste levensjaren verkeerd is gegaan, kost dat niet alleen veel geld, maar het levert ook niet bepaald een bijdrage aan een gelukkig leven. Daar hebben onze kinderen toch ook recht op.

Op de tweede plaats, dat wetenschappers die tot op heden nog niet zo betrokken waren bij groei en ontwikkeling van hoogbegaafde kinderen heel enthousiast kunnen worden als hun gevraagd wordt zich eens in het onderwerp te verdiepen.
Zowel met betrekking tot sociale ontwikkeling als met betrekking tot achterstandssituaties van hoogbegaafden wordt dan eens hardop gezegd en met onderzoeksgegevens ondersteund wat ouders thuis ervaren. Heel fijn, maar ook hier ligt nog een groot terrein braak.
Ervaringsgegevens schreeuwen om wetenschappelijke onderbouwing, zodat mythen zoals b.v. deze kinderen komen er toch wel en zij hebben al zoveel voordelen, dan eindelijk eens voorgoed naar het rijk van de fabeltjes verwezen worden.

Ook moet er nog wel wat gebeuren naar de politiek toe. Zeker als er in het onderwijs structurele oplossingen moeten komen voor onze kinderen. Nog veel te weinig politici zijn ervan overtuigd, dat het huidige onderwijssysteem nauwelijks uitdaging biedt aan hoogbegaafde kinderen en helemaal niet inspeelt op hun behoeften.
Het lijkt me van belang dat ouders, wetenschappers en politici die al wel hiervan doordrongen zijn, zich samen eens goed beraden hoe bestaande kennis en ervaring in bredere kring bekend wordt, zodat ook onze kinderen binnen het onderwijs de kansen krijgen waar zij recht op hebben.

Persoonlijk heeft het symposium me ook wel wat opgeleverd. Ik ben blij met al die mensen die zich inzetten voor onze kinderen en het geeft me weer een extra stimulans om aan de Pharos-telefoon te luisteren naar vragen van ouders en andere begeleiders en hen zo goed mogelijk informatie te geven.

Braaf zijn of actie ?

Toen ik dit alles opgeschreven had overviel me een gevoel van: hoelang moeten we nog zo doorgaan en "braaf" symposia over hoogbegaafden laten organiseren?

Zou het niet beter zijn als ouders eens luid en duidelijk hun protest laten horen. Misschien worden zij dan eerder serieus genomen. Bijvoorbeeld iedere week onze kinderen een dag niet naar school laten gaan en zelf, eventueel gezamenlijk, voor hun verrijking, verbreding, of verdieping zorgen.

Ik weet het niet?!

Twee weken later.

Toen ik vandaag mijn "Mijmeringen na een symposium", die ik opzij had gelegd omdat publiceren toch niet zo'n goed idee leek, nog eens doorlas, besloot ik ze toch op te sturen naar de redactie van "Signaal".

Ik heb ondertussen namelijk in "Mededeling" nr.48 van de Dr.Binetstichting het antwoord gelezen van de Commissie Evaluatie Basisonderwijs op de brief die Pharos samen met de Dr.Binetstichting (zie Signaal nr.22 blz.2) aan deze commissie gestuurd heeft.

De commissie schrijft in dit antwoord dat er gezien de vastgelegde uitgangspunten vanuit gegaan kan worden dat in het deelrapport over "onderwijs op maat' ook aandacht besteed zal worden aan kinderen die boven het gemiddelde presteren. Er wordt daar echter een kanttekening bijgeplaatst, die mij wat verontrust.
De commissie zal zich baseren op bestaande onderzoeksgegevens. Dit roept bij mij vragen op. Welke onderzoeksgegevens bedoelen zij? Gaat het daarbij uitsluitend om wetenschappelijk onderzoek? Of spelen ervaringsgegevens, zoals die o.a.bij Pharos en de Dr.Binetstichting bekend zijn ook een rol? Als de commissie deze ervaringsgegevens niet meeneemt in de beoordeling zullen veranderingen lang op zich laten wachten.
Bovendien, ervaringsgegevens wetenschappelijk onderbouwen vraagt tijd en geld. Wie zal dat betalen? Dezelfde overheid die nu op onderzoeksgegevens zit te wachten? Aan deze vicieuze cirkel heeft niemand iets.

Dus toch maar actie of heeft iemand betere ideeën?



december 1992
Dini van den Heuvel