Passend onderwijs voor hoogbegaafden

Dini van den Heuvel

Zorgplicht voor scholen

Per 1 augustus 2014 krijgen alle basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs in Nederland een zorgplicht. Deze zorgplicht betekent dat scholen ervoor moeten zorgen dat iedere leerling die op hun school zit, of die zich bij hun school aanmeldt een passende onderwijsplek krijgt.
Dit passend onderwijs kan zowel op de eigen school gegeven worden als op een andere school binnen een regionale samenwerkingsverband. In de regionale samenwerkingsverbanden werken het reguliere onderwijs en het speciaal onderwijs samen. Er zijn aparte samenwerkingsverbanden voor het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs

Zoals staatssecretaris Dekker van OCW in zijn brief "Passend onderwijs en hoogbegaafdheid" aan de Tweede Kamer aangeeft, geldt deze zorgplicht ook voor onderwijs aan hoogbegaafde kinderen. De overheid stelt daartoe extra geld beschikbaar aan de samenwerkingsverbanden om ervoor te zorgen dat ook hoogbegaafde kinderen een passend onderwijsaanbod krijgen.

Dit geld kan gebruikt worden om:

  • de leerkrachten bij te scholen
  • de kwaliteit van de lessen te verbeteren
  • ervoor te zorgen dat de scholen genoeg voorzieningen hebben
  • samenwerkingsverbanden te helpen om hun beleid voor hoogbegaafde leerlingen vorm te geven.

Vanuit het idee dat er in de toekomst aan elke leerling passend onderwijs geboden dient te worden, zijn veel basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs gestart met plusgroepen. Soms hebben scholen een speciale plusgroep voor hoogbegaafden, maar er zijn ook scholen die andere leerlingen toelaten. Twee onderzoeken over plusklassen voor hoogbegaafden heb ik nader bekeken.

Effect van plusklassen en Leren leren in de plusklas

In 2011 hebben drie medewerkers van het Christelijk Pedagogische Studiecentrum (CPS) een onderzoek verricht naar het effect van plusklassen. Het onderzoek bestaat uit een tweetal deelonderzoeken. Enerzijds betreft het een inventarisatie van ervaringen en studies naar het effect van plusklassen en brengt daarmee in kaart welke witte vlekken er zijn die wellicht aanleiding vormen voor vervolgonderzoek. Anderzijds beschrijft het een kleinschalig aanvullend onderzoek waarin antwoord werd gezocht op één van die witte vlekken: de opbrengsten van plusklassen voor scholen. De resultaten zijn gepubliceerd in "Eindrapportage Evaluatie plusklassen". Deze eindrapportage geeft ook duidelijk weer hoe in 2011 de stand van zake was met betrekking tot plusklassen voor hoogbegaafden.

In 2013 hebben twee onderzoekers van de Rijks Universiteit Groningen samen met een leerkracht van een bovenschoolse plusklas in Groningen bekeken hoe Leren leren in een plusklas bij kan dragen aan passend onderwijs voor hoogbegaafden. Daartoe hebben zij een lessenreeks Leren leren ontworpen. Deze reeks bestond uit 8 lessen. Deze op grotere leerautonomie gerichte lessenreeks is in de plusklas uitgevoerd en vervolgens is bepaald of deze grotere autonomie de leercompetentie en leermotivatie van de deelnemende leerlingen versterkt. De resultaten van het onderzoek staan beschreven in "Leren leren in een plusklas".
Leerkrachten of andere begeleiders die op zoek zijn naar hoe zij leren leren een plaats kunnen geven in hun eigen onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen vinden in dit rapport veel praktische tips.

Deze twee onderzoeken laten volgens mij goed zien, dat plusklassen niet zomaar passend onderwijs bieden voor hoogbegaafde kinderen. Hoe de onderzoeken gedaan zijn, wat de conclusies zijn en hoe deze bij kunnen dragen aan verbetering van onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen komt uitgebreid in de bovenstaande rapporten aan de orde.

Verrijkingsklas 1986

Al lezend bekroop me steeds meer het gevoel, dat er momenteel met de beste bedoelingen gezocht wordt naar passend onderwijs voor hoogbegaafden, maar dat de verrijkingsklas waar onze zoon in 1986 een schooljaar naar toe is geweest, hij was toen 12 jaar, zo gek nog niet was.
In de verschillende beschrijvingen van hedendaagse plusklassen vind ik veel terug van de opzet van toen. Maar er zijn ook verschillen. De verrijkingsklas van de Dr. Binetstichting in Tilburg bestond uit een klein groepje (6-8 kinderen) hoogbegaafde kinderen die, onder begeleiding van de psychologe van de stichting, een dagdeel per week onder schooltijd bij elkaar kwamen. De kinderen werkten er met elkaar samen in de groep, maar er was ook aandacht voor hun individuele ontwikkeling.
In maart 1988 heb ik in nummer 4 van Signaal, het verenigingsblad van de oudervereniging Pharos, een artikel geschreven over mijn ervaringen met die verrijkingsklas.

De huidige plusklassen die ik ben tegengekomen zijn over het algemeen groter en meer divers van samenstelling. En dan is het dus ook niet goed mogelijk om bij de begeleiding aandacht te besteden aan de drie de pijlers, die in het inventariserende onderzoek van het CPS aangegeven worden:

  • aandacht voor het verrijken van het curriculum
  • het vergroten van de sociaal-emotionele vaardigheden
  • het vergroten van de metacognitieve vaardigheden, leren leren.
Ook zijn de huidige leerkrachten over het algemeen nog te weinig bekend met het begeleiden van het leerproces, wat toch bij leren leren noodzakelijk is.

De verrijkingsklassen van de Dr. Binetstichting zijn eind 1997 gestopt in verband met ziekte en overlijden van de psychologe.

Conclusie

Al met al is er nog veel werk te verrichten voor er naar mijn idee echt passend onderwijs voor hoogbegaafden is gerealiseerd. Maar er is ook wel wat veranderd sinds 1986.
Toen waren er maar twee of drie verrijkingsklasjes voor hoogbegaafden in heel Nederland en in 2011 geven veel scholen aan dat zij met een of andere vorm van plusklassen voor hoogbegaafde kinderen bezig zijn.
Bovendien hebben plusklassen voor hoogbegaafde kinderen nu een plaats in het beleid van het ministerie van Onderwijs gekregen en dat was in die tijd ook wel anders. In 1988 schrijft mevrouw N.J. Ginjaar-Maas, destijds staatssecretaris van OCW, in haar conceptbeleidsnotitie nog dat verrijkingsklassen het hoogbegaafde kind in een ongewenste sociale uitzonderingspositie brengen.
Dat is volgens mij niet zo. Juist in de gewone schoolklas zijn ze vaak een uitzondering en is samen spelen en werken niet zo vanzelfsprekend. En ook voor hoogbegaafde kinderen is het van belang dat zij spelenderwijs hun sociale vaardigheden kunnen oefenen.

Verder vind ik het heel erg de moeite waard, dat er de laatste jaren, zoals uit de door mij gelezen onderzoeken blijkt, onderzoek gedaan wordt naar plusklassen voor hoogbegaafde kinderen. Want gericht onderzoek naar onderwijs aan hoogbegaafden zal een bijdrage leveren aan verbetering van onderwijsarrangementen voor hen. En dat gebeurde rond 1986 ook nog maar mondjesmaat.

Ik hoop dat al degenen die op het ogenblik bezig zijn om passend onderwijs voor hoogbegaafde kinderen mogelijk te maken dit met veel enthousiasme, kennis en inzet blijven doen.
Ook zou het een idee zijn om de begeleiding van hoogbegaafde leerlingen uit de hoek van de zorg te halen en hen te begeleiden als leerlingen met meer mogelijkheden. Scholen zouden dan een activiteitenplan kunnen opstellen voor de begeleiding van hoogbegaafde leerlingen in plaats van een zorgdossier.

20 augustus 2014
Dini van den Heuvel

Op 7 oktober 2014 heb ik Passend onderwijs voor hoogbegaafden 2 geschreven als aanvulling op bovenstaand artikel.