Aan de Pharostelefoon

Dini van den Heuvel

Dit artikel heeft in 1997 in de VTO - Nieuwsbrief gestaan. (VTO:VroegTijdige Opsporing van ontwikkelingsstoornissen door jeugdzorg/ggz).

Via de Pharostelefoon kunnen ouders en beroepskrachten met vragen over hoogbegaafd­ heid terecht. Momenteel bellen jaarlijks 2500 mensen. Ook ouders met kinderen beneden de 7 jaar stellen hun vragen aan ervaren telefonisten, zelf ouder.
Soms bellen zij met een heel concrete vraag. Wat doet Pharos? Maar veelal gaat het om vragen, waarin doorklinkt dat ouders veel onbegrip ontmoeten en behoefte hebben aan een gesprek met iemand die hun vragen begrijpt en problemen kent. Dini van den Heuvel geeft antwoord op enkele veel gestelde vragen.

Heeft een driejarig meisje een gedragsprobleem of is zij hoogbegaafd?

Een medewerkster van een consultatiebureau belt met de vraag over een 3 jarig meisje. Het meisje heeft nogal wat gedragsproblemen, ze vraagt veel aandacht, wil 's avonds niet naar bed en is heel lastig. Kan dit erop wijzen dat het kind hoogbegaafd is?
Ik vraag haar of zij heeft gelet op signalen, die wijzen op een ontwikkelingsvoorsprong? Hoogbegaafde kinderen ontwikkelen zich sneller en anders dan hun leeftijdgenoten. De ontwikkelingsvoorsprong ontstaat doordat ze van heel jong (vanaf de geboorte) opval­ lend intensief met de wereld om zich heen omgaan. Zij gebruiken veel energie om in snel tempo de omgeving te verkennen en zich allerlei vaardigheden eigen te maken. Ze hebben behoefte aan veel ontdekkingsruimte en nieuw en uitdagend speelgoed. De box is dan ook snel te klein.
Op peuterleeftijd kan deze voorsprong zich uiten in een grote woordenschat en een goede zinsbouw. Zij leren zichzelf soms lezen voordat zij naar groep drie van de basisschool gaan en hebben al vroeg door wat getallen betekenen. De drang naar kennis zit in hen. Ze kunnen hun nieuwsgierigheid nauwelijks loslaten en begraven zich met veel plezier in nieuwe uitdagingen. Zij kunnen niet anders dan leergierig zijn. Zij werken daarbij in een hoog tempo en hebben behoefte aan veel variatie en diepgang.
Door deze ontwikkelingsvoorsprong hebben ze ook behoefte aan ander speelgoed dan hun leeftijdgenootjes. Spelietjes vinden ze al vlug te saai. Bovendien staat die andere interesse, tezamen met de voorsprong in taalgebruik en taalbegrip vaak het spelen met kinderen van dezelfde leeftijd in de weg.
Volwassenen in hun omgeving moeten hierop alert zijn en zich bovendien realiseren, dat bovenstaande vaardigheden alleen zichtbaar worden als kinderen de ruimte krijgen om zich te uiten !
Als zij echter hun energie niet kwijt kunnen en hun leergierigheid niet mogen gebruiken kunnen er gedragsproblemen ontstaan. Het letten op een ontwikkelingsvoorsprong en nagaan of een peuter voldoende uitdagingen krijgt en ermee uit de voeten mag is belangrijk. Over het herkennen van hoogbegaafdheid en er vervolgens mee omgaan is momenteel informatie beschikbaar. De belster wilde zich graag meer verdiepen in hoogbegaafdheid. Ik heb haar dan ook een literatuurlijst en informatie over Pharos gestuurd.

Moet ik mijn zoontje stimuleren of laten spelen?

Een moeder belt over haar zoontje van 2 jaar. Hij ontwikkelt zich heel anders dan de kinderen in de peuterspeelzaal waar ze werkt. Ze heeft wat gelezen over hoogbegaafd­ heid, maar ze weet niet goed hoe ze zelf met het kind om moet gaan. Is het wel goed het kind te stimuleren met letters en cijfers of moet ze het kind vooral laten spelen.
Ik heb samen met haar besproken, dat spelen niet voor ieder kind hetzelfde is. Intellectu­ eel begaafde kinderen krijgen spelenderwijs getal begrip. Zij leren zichzelf al spelend lezen. Ook kleuren en vormen leren ze bijvoorbeeld tijdens hun spel in de zandbak of met blokken. Ze gaan er echt niet speciaal voor zitten om les te krijgen. Extra stimuleren is ook niet nodig. Wel is van belang het kind de ruimte geven en te bevestigen in wat het kan of doet. En natuurlijk aandacht voor de spelletjes die het zo graag doet.

Moet ik mijn zoontje van twee laten testen?

Een moeder met een zoontje van twee vraagt aan de telefoon of en wanneer ze haar kind moest laten testen. Haar zoontje ontwikkelt zich erg snel en ze heeft gehoord dat je met een kind met een ontwikkelingsvoorsprong professionele hulp moet zoeken anders kan het wel eens fout gaan.
Ze wil geen professionele hulp. Ze wil zelf verantwoordelijk zijn en beslissen, maar toch is ze onzeker over de manier van opvoeden. Ze wil het zo goed mogelijk doen.
Testen op zo jeugdige leeftijd is niet nodig en misschien wel niet gewenst. Bovendien is de relatie tussen testen, testafnemers en hoogbegaafde kinderen nogal ingewikkeld. Als een test goed wordt afgenomen, levert die gegevens op over het IQ-getal, maar nog niets over hoe met je kind om te gaan. Er zijn trouwens geen kant en klare oplossingen.
Hoogbegaafde kinderen zijn op de eerste plaats gewone kinderen. Zij hebben dus net als andere kinderen vooral liefde en aandacht nodig. Het is wel van belang op hun mogelijk­ heden in te spelen op een manier zodat het kind zich verder kan ontwikkelen en op een manier die past bij je eigen mogelijkheden als ouder.
Ik heb haar voorgesteld om contact te zoeken met andere ouders van hoogbegaafde kinderen. Pharos organiseert huiskamer- en speelbijeenkomsten. Ervaringen uitwisselen en zelf wat lezen over hoogbegaafdheid kan al heel verhelderend en ondersteunend werken.
Deskundigen kunnen natuurlijk adviseren als het nodig is, maar waak ervoor om hoogbe­ gaafdheid als een "afwijking" te gaan zien en met je kind in een circuit van hulpverlening terecht te komen als dit niet nodig is.
Je wordt dan zelf als ouder erg afhankelijk van anderen, maar je kind zal ook het gevoel krijgen dat het toch wel iets heel ingewikkeld is om hoogbegaafd te zijn. En dat hoeft echt niet. Het is vooral genieten, als je daarvoor ook jezelf de ruimte geeft.


November 1996
Dini van den Heuvel.