Voor Jos, Lia, Lorijn, Muriel, Nina en Emma.
Dokkum
Ik werd geboren op 26 februari 1939 in het huis A70 van de Kweekschoolbuurt, aan de rand van het stadje Dokkum. Die A voor ons huisnummer betekende Aalsum, een gehuchtje vlakbij. Het betekende dat de straat niet in de gemeente Dokkum lag, maar in de gemeente Oost-Dongeradeel (Wat een naam hè?) Daar viel Aalsum onder.
De straat
Het was een straatje van huizen met rode muren en rode dakpannen. Aan het begin van die straat stond een Kweekschool, daar kon je leren voor onderwijzer, dat noemen ze nu leraar op de basisschool. Het was een somber gebouw, met sportveldjes eromheen en een hoge heg. Het was oorlog. Leerlingen zag je er nooit, de school was dicht.
In die heg zag ik eens een boomkruiper. Zon mooi gekleurd vogeltje, dat van boven naar beneden langs de takken kroop had ik nog nooit gezien.
Aan het andere einde van de straat lag een hoog grijs betonnen bruggetje, met een betonnen trap aan beide kanten. Onder dat bruggetje door ging de Aalsumervaart. In de herfst kwamen daar boten door, vol met suikerbieten. Als we zon scheepje zagen aankomen, renden we het bruggetje op en riepen tegen de schipper: " Baas mai k een bieut". Dat is Fries voor: baas mag ik een biet? Soms gooide de schipper dan een paar bieten op de brug. De mensen kookten er stroop uit, want suiker was niet meer te koop. Eenmaal zat er een stel "grappige" jongens op zon schip, die ons met bieten van het bruggetje probeerden te gooien. We gingen snel liggen, de bieten vlogen ons om de oren en natuurlijk gingen ze over de brug en kwamen in het water terecht. Na die bietenregen hadden we nog niets.
Het Huis
Ons huis was erg eenvoudig, Het was een van twee woningen onder een dak. Naast ons woonde de familie Jilderda. Jilderda werkte op dezelfde fabriek als mijn vader, een kaas- en boterfabriek Het was een koud huis. Er was bijna geen steenkool en hout om de kachel te stoken. Aan de achterkant waren veel weilanden en daarachter lag de Waddenzee. Bij harde noordenwind en regen zaten we in de keuken te bibberen, want het tochtte er erg. In de wc zat je op een houten plank, met een gat er in. Door dat gat poepte je. Onder het gat stond een houten tonnetje. Je bips veegde je af met een stukje krant. Piesen deed je in een piespot of in de tuin, anders was het tonnetje veel te gauw vol. Een keer in de veertien dagen kwam er een wagen met paard langs om de volle tonnen op te halen. Je kreeg dan een lege ton terug. Die wagen stonk nogal natuurlijk.
We hadden nog geen waterleiding. Regenwater dat op het dak viel ging via de dakgoten en regenpijpen in een waterkeldertje, buiten. Op dat keldertje stond een "regenbak" een put van beton met vanboven een ronde ijzeren deksel. Met een emmertje aan een ketting putte mijn moeder daar het water uit, voor het eten, koffie, de afwas en de was. Natuurlijk hadden wij geen wasmachine. Mijn moeder waste elke maandag met de hand. Hemden en broeken werden uitgekookt op het fornuis, als er genoeg brandstof was.
Gelukkig was het niet altijd slecht weer. Met mooi weer speelden we buiten in de tuin of op straat. Mijn zusje, dat acht jaar ouder was dan ik, speelde vaak met jongens een spel dat "tiepeljen" heet. Je speelde het met een lange stok en een kort stokje dat werd weggeslagen. De spelregels ken ik niet; ik was ook nog te klein en mocht niet eens mee doen. Overal was ik te klein voor, er waren bijna geen kinderen van mijn leeftijd. Met verstoppertje deed ik voor "spek en bonen" mee. Ze deden niet eens hun best me te zoeken. Met indiaantje spelen was ik altijd een heel onbelangrijk hulpje, terwijl mijn zusje het opperhoofd was.
Achter ons huis was een groentetuin Er stonden bessenstruiken in met veel gras er onder en er lag ook een aardbeienbed, met veel onkruid. Mijn vader had een hekel aan tuinieren. In zijn vrije tijd las hij veel liever boeken. Ik herinner mij wel, dat ik eens met mijn vader in de tuin was. Ik liep tussen rijen bloeiende tuinbonen, die zo hoog waren dat ik er niet over heen kon kijken. Overal gonsden hommels om mij heen. Ik raakte bijna bedwelmd door de lekkere zoete lucht van al die duizenden zwart-witte bloemetjes. Mijn vader tilde mij er uit en zei dat die sterke lucht gevaarlijk was.
Naast de groentetuin liep een graspaadje naar achteren, dat uit kwam op "de bleek" een grasveldje met een paar waslijnen. Als de was goed droog was, werden alle witte dingen, zoals lakens en slopen, tafellakens en ondergoed op het gras van de bleek uitgespreid. Door het zonlicht werden al die spullen dan nog witter; ze werden gebleekt.
Dat groene paadje langs de tuin, daar hield ik van. Je kon er heel interessante dieren vinden. Slakken bijvoorbeeld. Ik deed ze in de zakken van mijn jas en meestal vergat ik ze. Ze werden wakker in hun huisje en even later kropen er een aantal over mijn kleren. Ook spinnennesten kon je er vinden. Boven in de grasstengels zag je grijze spinsels. Als je die voorzichtig openmaakte zag je heel veel kleine gele eitjes. Soms kwam er tot mijn schrik een razendsnelle moederspin te voorschijn. Van het droge gras draaide ik met mijn handen vogelnestjes, die ik in de struiken vastklemde om de vogels wat werk uit hun snavels te nemen. Dichtbij het paadje, bij de buren langs de sloot, stond een wilgenstruik met heel lange bladeren, waarin grote rupsen leefden. Achter het huis, bij het wc-raampje stonden een paar grote meidoorns, waar onze buurkinderen en ik graag in klommen. In de herfst kon je de melige rode vruchtjes er van eten. In het vieze slootje achter onze tuin, waar al het afvalwater van de huizen naar toe liep, groeide hoog donkergroen gras. Vaak trok ik het bovenste blaadje uit zon grasstengel. Dat had de vorm van een mes. Daar speelde ik dan een tijdje mee. Het gras was Liesgras leerde ik later.
Oorlog
Het werd weer herfst en de grote bomen in onze straat bogen met veel geruis in de storm. Met duizenden kwamen de blaadjes omlaag. Ik vulde ijverig mijn houten kruiwagentje met blad en dacht: "Wat maken die bomen toch veel wind".
Die winter verdwenen alle bomen uit onze straat. Allemaal werden ze s nachts stiekem omgehakt. De mensen hadden hout nodig, voor hun kachel.
Gelukkig hadden we geen honger. Mijn vader kende door zijn werk bijna alle boeren in de omgeving De een gaf wat melk, de ander tarwe. Elke dag werd er in de oude koffiemolen tarwe gemalen en aten we pap van tarwe en melk. We kregen zoveel melk, dat mijn vader zelfs kaasjes maakte. Een kaaspersje stond in de kelder.
Eens op een nacht werden we wakker. Vliegtuigen vlogen vlak over ons huis. Hun mitrailleurs ratelden. Heel veel grote kogelhulzen vielen op ons dak. Ik schrok daar vreselijk van. Die hulzen waren later mooi speelgoed. Soms stonden we s avonds bij de voordeur en zagen lange lichtstrepen langs de hemel. Het waren zoeklichten om vliegtuigen op te sporen. Heel eng vond ik dat en ik vroeg steeds of mijn vader en moeder weer in de kamer kwamen.
Er vielen soms erg grote stukken band uit de lucht, ongeveer als serpentine of plakband, maar dan niet klevend. Aan de ene kant matzwart en de andere kant bekleed met zilverpapier. Vaak waren het nog rollen. Vliegtuigen gooiden dat uit, om de radarapparaten van de vijand in de war te brengen. Meestal was ik te laat en te klein om dat op te rapen en ik was erg jaloers op oudere kinderen die er mee speelden.
Maar het einde van de oorlog kwam in zicht. In onze keuken hing een grote kaart van Europa, waarop mijn vader elke dag precies optekende hoe de toestand was. Lijnen stonden er op, waar de legers lagen. Spelden met papiertjes wezen naar de plekken waar gevochten werd. Mijn zusje had me geleerd, op de kaart alle eilanden in de Middellandse Zee aan te wijzen. Ik herinner me ze nog altijd. Ik begon bij Corsica en eindigde bij Kreta, maar door elkaar kende ik ze ook.
Visjes
Het werd een koude winter. In een zijslootje van de vaart lag het roeibootje van visser Minnebo half onder water tussen de ijsschotsen. In dat bootje zat een bun, een soort kist om vis in te bewaren. In die bun zwommen kleine visjes. Wie heeft me geholpen om ze te vangen? Ik weet het niet meer. Op een dag had ik een stuk of zes van die visjes. Ze kwamen in een jampot op het buffet. Wat was ik er blij mee! Wat een verdriet toen alle visjes de volgende dag dood op hun rug dreven. Natuurlijk was dat potje veel te klein voor zoveel visjes en werd het water te warm in de kamer.
Bevrijding
Plotseling was het bevrijding. De "Canadezen" kwamen met allerlei vreemde grote groenbruine autos Sommige hadden rupsbanden. Ze stonden op de weide naast de kweekschool. Ze reden het hoge hek langs die wei gewoon plat om er op te komen. De soldaten sliepen in lokalen van de school. Met mijn moeder ging ik daar kijken. Een soldaat duwde me een soort reep met vruchtjes in mijn hand. Verbaasd keek ik er naar en wist niet wat het was. Hij smaakte heel erg zoet. s Avonds gingen we naar de stad. Iedereen was blij. Er was muziek en gejuich en vuren, maar ik zag er niet veel van, ik was te klein. Gelukkig tilde mijn vader me af en toe op.
Een snoek
Als je over het bruggetje ging en dan links langs de vaart, dan kwam je bij een wit gebouw met een plat dak, langs de spoorbaan. In dat gebouw werkten Canadese soldaten. Er was daar een rechte houten kant, waar schepen konden aanleggen. Op die plek zaten veel kinderen te vissen. Ik wilde ook een hengel. Mijn moeder pakte de bamboestok waar het gordijn aan zat dat voor het fornuis hing. Mijn vader maakte een snoer van sterk garen, een dobber van een kurk en de pen van een veer en een haak van een omgebogen speld. Ook ik kon hengelen. De soldaten hielpen graag met vissen, ik denk dat ze zich verveelden. Ze verlengden mijn te korte hengel met een bezem en al gauw wiebelde mijn stukje deeg ook in het water. Ik wilde liever zelf vissen, maar durfde niets te zeggen. Toen gebeurde er plotseling iets verrassends. Juist toen het deegje omhoog werd gehaald schoot er een vis op af, de soldaat haalde snel op en een seconde later spartelde er een klein snoekje in het gras. Iedereen lachte, maar ik was heel trots. Het snoekje, misschien 15cm lang, gooiden ze weer in de vaart.
Het witte gebouw
Een paar dagen later ging ik met een overbuurjongetje weer naar dat geheimzinnige witte gebouw. Toen we daar zo wat rondslenterden, kwam er plotseling een soldaat aan, die ons allebei een spierwitte plak brood gaf met vuurrode jam. Dat smaakte heerlijk, zoiets lekkers had ik nog nooit gegeten. Mijn hele leven heb ik die smaak onthouden.
Een paar dagen later ontdekte ik iets verschrikkelijks. In het gebouw werden schapen geslacht. Ik was helemaal van de kaart en rende naar huis, maar ik durfde het niet te vertellen. Mijn hele leven heb ik onthouden wat ik daar zag, maar ik heb het nooit aan iemand verteld. Jij bent de eerste die het weet.
Soms kom ik nog wel eens in Dokkum. Het gebouw staat er nog altijd, even wit, maar nu groter. Exportslachterij Feenstra staat er op.
School
De zomer ging en de dag kwam dat ik voor het eerst naar school moest. Als je zes was ging je naar de lagere school. Daarvoor had je de kleuterschool, maar die was er niet bij ons in de buurt. Bovendien zei mijn vader: "Laat hem maar spelen, op school zitten kan hij nog lang genoeg."
Mijn zus had me bang gemaakt voor de school, ik zou bij Juffrouw De Vries, Juffrouw "Tet" in de klas komen, een vreselijk vervelend streng mens volgens haar. Ik weet niet zo veel meer van die school. Ik geloof dat de juf inderdaad streng was. Ik zat een beetje in elkaar gedoken in de klas en was alleen maar bang. Ik denk ook dat ik er niet veel geleerd heb. Zelfs als ze een verhaaltje vertelde was ik nog bang dat er elk ogenblik iets vervelends kon gebeuren. Ik vond het er dus helemaal niet prettig. Eenmaal moest ik nablijven, maar waarvoor weet ik niet meer. Misschien had ik niet goed opgelet.
Als eindelijk s middags de bel ging, rende ik eerst naar de WC, ik durfde nooit onder schooltijd te vragen, dus was het hoge nood. Daarna vloog ik de school uit. Al gauw kende ik alle straten, stegen en weggetjes van de stad. Elke dag probeerde ik een andere weg naar huis terug. Vaak over een "bolwerk" een hoge wal langs de stadsgracht, met bomen en mooie huizen. Op het Bolwerk van Dokkum staan ook nog steeds twee grote korenmolens. Een enkele keer liep ik helemaal buiten de stad om, over het Schapendijkje, waar een kastanjeboom stond, die helemaal hol was. Je kon zelfs in die holte staan. Die boom vond ik heel geheimzinnig. Als ik over het Schapendijkje liep, kwam ik wel flink te laat thuis maar mijn moeder zei daar nooit iets van.

Vader, moeder, grote zus Enny en broertje freek in 1944
Haringhuizen.
In het voorjaar van 1946 kwam er een grote verandering in het leven van ons gezin. Op een mooie dag in het voorjaar reed ik met mijn moeder, broertje en zus in een rammelende vrachtwagen over de Afsluitdijk richting Noord-Holland. Mijn vader was daar al zes weken. Achter op de wagen stond al ons huisraad. We verhuisden naar het kleine dorpje Haringhuizen, dicht bij Schagen. In dat gehuchtje stond een kleine kaas- en boterfabriek. Mijn vader was daar naar toegestuurd om het fabriekje weer op gang te brengen. In de laatste jaren van de oorlog had het stilgestaan. Er kwam geld uit Amerika, als het voor een bepaalde datum weer draaide. Het fabriekje heette Crema. Dat woord was bij ons thuis natuurlijk al heel vaak gezegd. Vlak voordat we het dorpje binnenreden liep er een oude man met een witte baard. Freek, mijn broertje van bijna drie jaar wees naar de man en riep: "Crema!"
Haringhuizen was, en is, maar een heel klein dorp. Aan het ene eind stond een mooi oud kerkje en aan de andere kant een vervallen oud zuivelfabriekje. De muren waren voor de oorlog witgeverfd, maar nu helemaal afgebladderd. Daartussen stonden ongeveer dertig huisjes, een paar boerderijen en in het midden was een oud café.
Bij Wieger en Aagje
Wij kregen nog geen eigen huis, maar gingen wonen in het voorste deel van het huisje van Wieger en Aagje van der Meulen. Het was een kamertje, een keuken en een zolder, waar je via een laddertje kon komen. Ik sliep met mijn oudere zus in de keuken. Mijn ouders, met mijn broertje Freek op de zolder. De plee (een wc zonder water) was een aangemetseld hokje achter het huis.
Het huis was wel erg gehorig. Je kon precies horen wat er gezegd werd als Wieger en Aagje ruzie kregen. Dat gebeurde nogal eens, want Aagje was Jehovas getuige en Wieger niet. Dat gaf wrijvingen.
Het was een mooi plekje. Naast het huisje stond de lange boerderij van Jannes, voor het huis was een grote groentetuin, waaruit we lekkere aardbeien kregen. Achter het huis was ook een tuin, waar Wieger tabak verbouwde, heel hoge planten die lekker roken.
Schuin tegenover ons woonde monteurbankwerker Koers, die ook op de fabriek werkte en uit Groningen was gekomen. s Avonds kwam hij de krant brengen. We lazen samen met hem Het Nieuwsblad van het Noorden. Ik zat dan op zijn knie, terwijl hij mij het verhaaltje van Panda uit die krant voorlas. Het verhaal werd altijd reuze spannend als de sluwe vos Joris Goedbloed verscheen en Panda probeerde hem op het rechte spoor te houden.
Een ander huis
Naast de fabriek stond een groter huis, dat voor ons werd opgeknapt. In het najaar was het klaar. Het was groter, maar ook kouder en vochtiger. Alleen in de kamer stond een kachel. In de keuken en de slaapkamertjes boven was het erg koud. De slaapkamers waren eigenlijk alleen maar hokjes met wanden van latten en board. Alles was nog duur, ook bouwmateriaal. De wanden in de keuken waren witgeverfd. De schilder kwam ze op een heel vindingrijke manier wat opvrolijken; hij doopte een doek in geel verfwater, maakte er een prop van en dan rolde hij die vochtige prop over de muur, waardoor er allemaal gele figuurtjes op de wand werden afgedrukt.
Rond ons huis
Achter en naast het huis was een sloot, die erg stonk. Het afvalwater van de fabriek kwam er door een buis in uit. In de zomer dreven er grote bruine en groenige bacteriekoeken op het water. In de buurt van de buis kropen grijze rattenstaartlarven van zweefvliegen. Door dat rattenstaartje haalden ze adem aan het wateroppervlak. Mijn moeder vond ze erg vies. Ze kropen door de buis tot in de boterkelder in de fabriek, waarschijnlijk om daar te verpoppen in vliegen.

rattenstaartlarve
Tussen ons huis en de fabriek was een hoge houten stelling, met daarop heel grote vaten van teakhout. Je kunt ze zien op de foto. Daarin kwam de wei. Wei is het gele water dat er overblijft van de melk, als er kaas van is gemaakt. In wei zit nog de suiker en een heel klein beetje vet. Boeren kregen vaak melkbussen met wei, om dat aan de varkens te geven. De rest van de wei ging naar een fabriek die er melksuiker uit haalde. Melksuiker zit vaak in medicijnen.
Tegen de fabriek aan stond het ketelhuis, met een dak van ijzeren golfplaat. s Winters kon je je daar heerlijk opwarmen, maar in de zomer was het er niet uit te houden van de warmte. Er stond een grote stoomketel, die gestookt werd met steenkool. Stoker Arie van Wijk stond altijd luid te zingen. De stokers gooiden steeds steenkool uit een kruiwagen op het vuur. De ketel leverde stoom voor de fabriek. In de fabriek stonden een paar lange kaasbakken met een dubbele wand. In die dubbele wand werd stoom geblazen om de melk, 5000 liter, op de juiste temperatuur te brengen. Als er warm water nodig was legde men een stoomslang in een melkbus of een emmer vol water en blies gloeiend hete stoom in het water. Dat gaf een vreselijk kabaal, net als bij een espressomachine, maar dan 100x sterker. In een paar minuten kookte het water dan.
Rond de fabriek kon je heerlijk spelen. Er waren bergen steenkool en sintels, dat is aan elkaar gesmolten steenkoolas. Sintels zijn erg schadelijk voor het milieu, maar daar dacht men toen nog niet aan. Er waren veldjes die helemaal bedekt waren met het plantje hondsdraf Je kon bij die prachtige bloemetjes de mooiste hommels zien. Vooral de zwarte steenhommels, met hun oranje achterlijf vond ik mooi. Natuurlijk leerde ik pas later de namen van planten en dieren.
Afgebroken.
Ons huis staat er niet meer. Er staat een ander huis. Het fabriekje is ook al lang geleden afgebroken. Het is later nog een conservenfabriekje geweest. Nu zijn ze bezig op deze plek mooie dure vrijstaande huizen te bouwen. Het hele dorpje is veranderd. Er zijn nog maar een paar huizen van vroeger te herkennen, de meeste zijn helemaal nieuw.
Toch heeft het dorp nog hetzelfde karakter. Er is geen nieuwbouwwijk aangeplakt. Rondom zijn nog altijd de weilanden zoals vroeger. Alleen aan de kant van Schagen, langs de weg waar die oude man "Crema" in 1946 liep, ligt tussen de bomen een crematorium Is dat geen rare toevalligheid?
Hoe beviel het?
Mijn moeder was heel erg tevreden in Noord-Holland Ze stond vaak te zingen bij het aanrecht. Soms zong ik met haar mee: "In t groene dal, in t stille dal, waar kleine bloempjes bloeien " Mijn moeder vond het heerlijk dat ze uit de keuken de duinen kon zien in de verte. Ze wilde er dolgraag heen en we zijn er ook één keer heen geweest op de fiets. Langs de sloot achter ons huis kon je heel veel lammetjes zien rennen, daar hadden we veel plezier van.
Mijn vader had het moeilijker, natuurlijk viel het niet mee om de fabriek weer goed te laten draaien, maar mijn moeder was ook altijd veel optimistischer dan mijn vader.
Mijn zus Enny, kon niet meekomen op haar nieuwe school. In Dokkum was ze in de oorlog weinig op school geweest. Ze moest blijven zitten, maar dat wilde ze niet. Daarom ging ze van de ULO naar een andere school, de Huishoudschool. Ze heeft daar later veel spijt van gehad.
Mijn kleine broertje sloot al gauw vriendschap met de melkautochauffeur Kos. We schrokken vreselijk toen we een paar jaar later hoorden, dat Kos met de auto onder de trein was gereden.
Op de bon
Veel dingen die je wilde kopen waren nog "op de bon". Dat betekent, dat je ze alleen kon kopen als je er ook distriebutiebonnen bij inleverde. Die bonnen kreeg elk gezin van de gemeente. Een vast aantal per persoon. Door die bonnen, werd er gezorgd, dat rijke mensen niet alles voor de neus van de armen konden weg kopen.
Mijn vader had uitgevonden dat je stiekum in de fabriek meer boter kon maken dan er aan het rijk werd opgegeven. Die geheime boter lag bij ons in de kelder en als er weer genoeg gemaakt was, kwamen de arbeiders van de fabriek bij ons langs, om gratis een extra pondje roomboter te halen zonder bon.
Naar school
Natuurlijk moest ik ook weer naar school. In Haringhuizen was geen school. De school die daar vroeger stond, was nu een kaaspakhuis van de fabriek.
Ik moest lopend naar het dorp Barsingerhorn. Dat was een afstand van vier kilometer, waar ik ongeveer een uur over deed. Het was wel een mooie wandeling. Ik zag altijd heel veel onderweg, zoals kleine snoekjes in een heldere sloot en zwanenveren, die ik heel graag wilde hebben om er een pen van te maken, maar net aan de andere kant van de sloot lagen.
De eerste winter in Haringhuizen was vreselijk streng. Het vroor hard. Het sneeuwde en er was heel veel wind. De sneeuwduinen lagen tot aan de dakgoten en we waren helemaal geïsoleerd De bakker en de kruidenier konden ons dorp niet meer bereiken. Dat duurde wel een dag of drie. De wegen rondom de fabriek moesten worden opengegraven. Er kon geen melk van de boeren worden opgehaald. Natuurlijk kon je ook niet naar school.
Toen het voorjaar werd en het ijs eindelijk uit de sloten was verdwenen, dreven in sommige sloten heel veel dode vissen. Allerlei soorten, van groot tot klein. Ik weet nog de plaats, ergens onderweg naar school, waar een eind van een sloot helemaal bedekt was met stinkende vis.
De juf van de eerste en tweede had een brilletje en was aardiger dan de juf uit Dokkum. Haar naam ben ik vergeten.
Eindelijk kwam ik in de derde klas (nu groep 5.) Daar kreeg ik een schat van een onderwijzeres. Ze heette juffrouw Schlamilch, maar iedereen zei slamiel. Haar man was hoofd (directeur) van de school. We leerden leuke liedjes en de kalender met de maanden van het jaar stond als een soort klok op het bord.
Eens had ik een erwt in een vochtige spons meegenomen naar school. Ik bewaarde hem in het vakje onder het schrijfblad van mijn schoolbank. Ik wilde hem aan de juf laten zien, maar durfde dat eigenlijk niet. Op een morgen schrok ik vreselijk. De erwtenplant was uit mijn vakje gegroeid. Juf Schlamilch zag het en kwam naar me toe. Ik was bang, dat ik een vreselijke straf zou krijgen, maar tot mijn stomme verbazing was ze blij verrast en de plant kwam in een potje voor het raam te staan!
Ik was heel erg mager in die tijd. De huisarts maakte zich zorgen en zei dat mijn schouderbladen wel vleugeltjes leken. Daarom moest ik met nog een paar kinderen mijn brood in de middagpauze op eten bij de juf thuis. We kregen er dan een beker melk bij.
Voor de school waren tuintjes, met bloemen en groente, van de kinderen van de twee hoogste klassen. Hoofdmeester Schlamilch werkte daar op mooie middagen in met zijn leerlingen. Wat verlangde ik er naar later ook eens zon schooltuintje te krijgen.
In de derde klas kreeg ik eindelijk een fiets. Monteur Koers had hem gemaakt. Het was een verbouwde herenfiets. De stang was naar beneden gebogen, om het zadel lager te krijgen, en op de trappers waren houten blokken gemonteerd, want mijn benen waren nog te kort. Nu kon ik snel naar school en werd ook niet meer gepest onderweg. Ik reed vaak heel snel af op de jongen, die mij altijd pestte, toen ik nog liep. Hij moest dan op zij springen en begon te schelden als ik voorbij was.
Natuurlijk kon ik nu ook lezen. Ik had een boek waar ik gek op was. Het was een leerboek voor plant- en dierkunde voor een middelbare school. Er stonden prachtige platen in. Gekleurde platen met paddenstoelen en een plaat met lichtgevende vissen: "In de diepzee." Een zwart-wit plaat: "Bonte kraai leert zijn jongen muizen vangen." Als mijn moeder aan het werk was in huis, dan liep ik achter haar aan om stukjes uit het boek voor te lezen. Jammer dat ik dat boek nu kwijt ben.
Op een dag fietste ik met mijn vader naar Schagen. Ik kreeg een echte hengel, want er kwam een viswedstrijd van de school! We kochten hem bij de kapper, die ook visspullen verkocht.
De viswedstrijd was voor mij een succes; er werden door alle kinderen maar twee vissen gevangen. Ik ving er eentje en dat was toevallig de grootste. Ik kreeg dus de eerste prijs. Wat het was? Dat weet ik niet meer zeker Een visspel met magneetjes en kartonnen visjes geloof ik.
Ursem
En toen was het plotseling tijd om weer te verhuizen. Het bedrijf waar mijn vader bij werkte, (LIJEMPF, Leeuwarder ijs- en melkproducten fabrieken) had de Marshall-subsidies geïnd en sloot daarna meteen drie van de vier fabrieken in Noord-Holland; de Crema, een fabriek in Hoorn, en een in Alkmaar. Alle melk ging voortaan naar de fabriek, De Prinses. Die stond in De Schermer bij het dorp Ursem. Mijn vader werd naar die fabriek overgeplaatst. Hij werd daar assistent-directeur. Dat betekende dat hij de hele fabriek draaiende moest houden, want de directeur bemoeide zich alleen met de verkoop van de kaas.
De fabriek

We kwamen te wonen midden in een vlakke polder, op een buurtje van acht arbeiderswoningen Daar woonden chauffeurs, kaasmakers, botermakers enz. Op het kruispunt, vlakbij stond de deftige woning van de directeur. Het waaide er vaak heel hard, want je er stonden vrijwel geen bomen. Twaalf kilometer verder kon je de stad Alkmaar zien liggen. De wegen zijn er nog altijd kaarsrecht.
Zoek
Op een van de eerste mooie lentedagen, toen we pas in Ursem woonden, het was juist Moederdag, gingen mijn kleine broertje Freek en ik aan de wandel. Eerst naar de dijk bij de ringvaart en daarna richting Schermerhorn. We hadden geen haast; er was veel te zien: pinksterbloemen, kieviten, molens, grote spelende karpers in een sloot bij Schermerhorn Verdwalen konden we niet; in de verte kon je immers steeds de hoge fabrieksschoorsteen zien, waar we weer naar toe moesten. We sloegen de weg langs de Noordervaart in en namen een tussenweggetje, de "Hondenweg" (Oosternotweg), om weer op huis af te gaan. Halverwege dit weggetje werden we ingehaald door een veel oudere buurjongen op de fiets, die zei, dat we snel naar huis moesten gaan. Inmiddels waren alle mensen van het buurtje ons aan het zoeken. Onze ouders waren dodelijk ongerust, doordat we zo lang wegbleven. Wij konden ons helemaal niet voorstellen, dat ze zo ongerust zouden worden.
Een nieuw huis
In 1951 werd er een dubbel woonhuis aan het eind van de buurt bijgebouwd. Wij gingen toen in die nieuwe laatste woning wonen. Daarmee steeg ook onze huishuur van 2,50 naar 7,50. Achter ons nieuwe huis kwam "de blikken tent", een grote ronde golfplaten loods. Die kon je vanaf het bruggetje bij Oudorp, 8 km van ons huis, als je uit Alkmaar kwam fietsen, al zien blikkeren in de zon.
Er waren maar een paar kinderen van mijn leeftijd op dat buurtje. Die gingen naar de Rooms Katholieke school. Ik ging naar de kleine openbare school in Ursem. Het was wel een fijne plek om te wonen. Achter de huizen lag de fabriek, met zijn 30m hoge gemetselde rode schoorsteen, het ketelhuis, met twee grote stoomketels en de weipoedermakerij, waar het water van de wei op enorm grote hete walsen werd verdampt. Grote messen schraapten de gedroogde wei van die walsen en die viel als weibrokken in grote bakken. We lustten die weibrokken heel graag en namen ze ook mee naar school om ze te ruilen voor knikkers. De hele dag, en s zomers ook de hele nacht kon je het donderend geluid van de poedermakerij horen. Als je bij de machines stond kon je elkaar niet verstaan. De poedermakers schepten de weibrokken in grote papieren zakken. Chefpoedermaker Rens was door zijn werk al erg doof geworden. Als je een papieren zak opraapte in de weipoedermakerij, dan renden de huiskrekels alle kanten op. Ze hadden het erg naar de zin in deze vochtige warme omgeving. Ze vonden er ook een overvloed aan voedsel. Boven in de ontluchting van het ketelhuis zongen de mannetjeskrekels de hele nacht. Je kon ze over de hele buurt horen. Ik houd nog altijd van dat geluid. Dezelfde krekels, worden nu in bijna alle dierenzaken verkocht, als voer voor hagedissen. Huiskrekels zijn ook leuke huisdiertjes, maar om te voorkomen, dat de heel kleine jongen ontsnappen, moet je het bakje afdekken met erg fijn gaas.
In de voorkant van de fabriek was de melkontvangst, waar twee keer per dag de melk op autos werd aangevoerd in melkbussen van 40l. Hier was het lawaai nog erger. Melkbussen werden omgekiept en de melk van elke boer apart, in hangende bakken, gewogen. De bussen van een boer hadden allemaal hetzelfde nummer. Soms werd er van elke boer een klein flesje melk apart gehouden, voor de kwaliteitscontrole. De lege bussen gingen op hun kop, luid rammelend over een ijzeren lopende band de bussenspoelmachine in, waar ze met koud water en gloeiende stoom van 120° C werden schoongemaakt. Daarna rammelden ze weer terug naar de vrachtautos.
In de botermakerij stonden gonzende centrifuges, die een deel van de room uit de melk haalden en platte pasteurs die de melk heet maakten om het beter houdbaar te maken.
In de hoek draaide een grote karn van teakhout, waar buurman Brouwer elke dag aangezuurde room in liet lopen en waar een paar uur later grote klompen boter uitkwamen, nadat de karnemelk was afgetapt.
Boven was koelafdeling, waar de melk, na het pasteuriseren, werd afgekoeld. Een dunne film melk liep daar van een soort reuzengrote geribbelde wasborden naar beneden. Binnen in die "wasborden" stroomde koud water.
In de melkopslag stonden heel grote tanks, waar je alleen in kon kijken als je een stalen laddertje op ging en een rond luikje omhoog klapte.
Daarachter was de kaasmakerij, met de lange kaasbakken en de persen. s Avonds haalden we kaasrandjes, reepjes verse kaas, die tussen de kaasvorm en het deksel was doorgeperst. Twee mannen haalden elke avond de nieuwe kazen uit de doeken, sneden het randje er af en kiepten de kaas omgekeerd weer in het vat.
Daarachter waren de stenen pekelbakken, waarin de kaas een aantal dagen ronddobberde. En daar weer achter de pakhuizen, waar de kazen op lange planken lagen te rijpen.
Spelen
Voor kinderen was het wel fijn om bij zon fabriek te wonen. Je kon er heerlijk spelen en vuil worden. Achteraan, naast de "blikken tent", lagen bergen steenkool en daarnaast een grote berg oud roestig ijzer. Daar waren zelfs een paar oude kaasbakken bij. We groeven een gang onder het ijzer door en kwamen zo onder de kaasbak, een prachtig hol. Onder de kaasbak, die met een einde in de sloot lag, rook het niet al te fris. De sloten voor de huizen en aan de andere kant van de fabriek waren heel erg vies. Ze stonken verschrikkelijk, het water was zwart en er dreven grote bacteriekoeken op. Aan waterzuivering dacht men toen nog niet. De ramen deed je in de zomer, als de wind naar de huizen blies, niet open. Er waren daar, net als in Haringhuizen, meer ongezonde dingen, zoals de sintels, dat is afval van de verbrande steenkool, dikke riemen centrifugeslib,waar alle rommel uit de melk in zat,die lagen te rotten.
Het huisvuil van de huizen werd elke week opgehaald door een arbeider van de fabriek. Die stortte het op een grote hoop op het landje achter de fabriek. Een paar maal per jaar werd die hoop in brand gestoken. Eens in de paar dagen werden de rookkanalen van de stoomketels met stoom doorgeblazen. Er stegen dan pikzwarte rookwolken uit de schoorsteen op en als je onder die rook stond, dan dwarrelden er overal zwarte roetvlokjes om je heen omlaag. Alle vrouwen renden dan naar buiten om de was van de lijn te halen. Aan de voet van de fabrieksschoorsteen stonden grote mandflessen met 30 liter zwavelzuur, salpeterzuur, natronloog en chloorbleekloog. Voor al die dingen zouden nu boetes worden uitgedeeld, maar toen vond men dat niet zo belangrijk. De industrie moest draaien, om ons arme land wat rijker te maken.
Klei
We groeven een diep gat in de slootkant van het weiland en haalden daar mooie grijze klei uit, waarvan je leuke dingen kon maken. Eens maakten we van klei een groot schip. We deden dat op het platte betonnen dak van ons schuurtje. Onze ouders vonden dat goed. De buurkinderen hielpen mee.
Een polder
Ook maakten we soms, als het fijn zomerweer was, een polder. We maakten een ronde dijk van klei in een ondiep stuk sloot en pompten dan met een blikje het water binnen de dijk weg. Als de polder droog was, maakten we er weggetjes, slootjes en kleine boerderijtjes in. We lieten onze Dinkey-toys autootjes in de polder rijden. Jammer genoeg stond de volgende dag die "polder" altijd weer onder water.
Pijl en boog
We speelden ook met pijl en boog. De boog maakten we van een taaie, niet te dunne wilgentak en een sterk, dun touwtje. Voor de pijlen, die we maakten van dik riet, gingen we naar de ringvaart. Voor op de pijl werd een stukje vliertak gestoken. Daardoor ging hij rechter en verder door de lucht.
Soms stonden we aan de voet van de 30 meter hoge fabrieksschoorsteen en schoten er precies langs naar boven. Een enkele keer viel de pijl op zijn weg terug precies in de schoorsteen. Dat was ook onze bedoeling. Het was een leuk spel.
Bootjes
Bootjes maakten we ook regelmatig. Mijn bekendste "schip" was de Blokzeil. Het was een zeilschip, gemaakt van een langwerpig houtblok. Een ouderwetse tweemaster, met rechthoekige zeilen en een boegspriet. Omdat we geen boor hadden, maakten we met een gloeiende staaf ijzer, gaten in het dek en staken daar, de wat puntig gemaakte masten, in. Het had een echt ankertje, van lood. Ankertjes maakten we door in een plat afgesneden aardappel de vorm van een anker uit te snijden. Die vorm goten we vol met gesmolten lood. Het was moeilijk om aan lood te komen. Meestal sneden we dat stiekem van loodstroken die onder kozijnen zaten. Lood smelten deden we in een oude lepel, boven het butagascomfoor in de keuken. De Blokzeil had een kiel van blik en ook een blikken roer. Hij zeilde mooi, ik was er erg trots op. Ik voelde me een echte scheepsbouwer, net als mijn grootvader, die op een scheepswerf had gewerkt.
We maakten ook heel andere bootjes; kleine lichte bootjes, gevouwen uit een blad van riet. We hadden allerlei typen: roeibootjes, zeiljachtjes, stoomscheepjes, maar de snelste waren onze zeil-vrachtbootjes. Daar hielden we wedstijden mee op mooie dagen aan de ringvaart, als de vissen niet wilden bijten. Om het bootje goed rechtuit te laten varen, legden we er een klein steentje achter in, dan bleef het roertje onder water. Het maken van die bootjes wil ik je wel even leren.
Carbid
In de werkplaats van de fabriek gebruikte men een grote tank met water en carbid om gas te maken. Dat gas gebruikte men om te lassen. Als je carbid in water gooit ontstaat er een brandbaar gas, acethyleen. Vroeger hadden jullie overgrootouders carbidlampen op hun fiets.
Wij gooiden carbid in een groenteblikje en deden er wat water bij. De boel ging dan meteen bruisen. Wij staken het gas aan en lieten het blikje wegdrijven in de sloot, die altijd stroomde. Honderden meters ver kon je dan het brandende blikje zien wegdrijven.
Op oudejaarsavond knalden de mensen met carbidbussen. Vaak waren die van grote verfblikken gemaakt, maar ook wel van melkbussen. Wij knalden niet. Onze ouders vonden het te gevaarlijk. Het ijzeren deksel van zon bus kon wel 50 m wegvliegen. Er gebeurden vaak ongelukken mee.
Wil je meer weten over carbid? klik dan hier.Een tamme kraai
Eens, toen ik uit school kwam, vond ik, bij een boerderij, een jonge kraai. Hij was uit een nest gewaaid, dat in een boom zat aan de andere kant van de sloot. Het waaide die dag heel hard. Ik nam hem mee, we voerden hem thuis goed en al heel gauw was hij helemaal aan mensen gewend. Hij ging op mijn schouder of op mijn hoofd zitten, trok aan mijn oren, of peuterde er in.
Hij trok ook altijd aan mijn wimpers. Of aan mijn neus. Toen hij goed kon vliegen ging hij mee naar de ringvaart als we gingen vissen. Op de terugweg treuzelde hij vaak en moest alle daken van de boerderijen bezichtigen. In de loop van de zomer werd hij steeds wilder, ging steeds langer en verder weg. Op een dag kwam hij niet meer thuis.
Eieren zoeken
In het voorjaar zocht ik voor schooltijd vaak eendeneieren. Het wemelde van wilde en half wilde eenden in onze omgeving. Ik zocht ze langs de wegsloten. Als ik twee, drie of vier eieren in een nest vond, nam ik er een paar mee naar huis, Was het nest al voller, dan liet ik ze liggen, zodat de eend ze kon uitbroeden. Je moest de eendeneieren goed bakken, want ze konden besmet zijn met ziektekiemen. Eendeneieren hebben een vrij sterke smaak. Soms vond ik er zoveel, dat we ze niet allemaal konden opeten. Dan verkocht mijn moeder een aantal eieren aan de bakker. Die gebruikte zein de beschuit.
Kievitseieren werden niet veel gezocht. Boeren in Noord-Holland hadden er een hekel aan als je door de akkers liep.
Waterdieren
Heel vaak zwierf ik met en schepnetje langs de sloten. Thuis had ik boekjes over dieren, die in sloten en plassen voorkomen, o.a. "In sloot en plas" van Heijmans en Thijsse. Alle dieren, die daarin werden genoemd, vond ik. De beide stekelbaarssoorten, de grote Pikzwarte Waterkever, de vraatzuchtige Geelgerande Waterkever, waterpissebedden en springerige vlokreeften, prachtig mooi rode of zwart met rode watermijten, allerlei waterwantsen, waaronder natuurlijk de Ruggenzwemmer, maar ook de zeldzame Staafwants. Ook waren er kokerjuffers en natuurlijk in het voorjaar salamanders en kikkervisjes.
Ze zijn er nu nog allemaal, maar hoeveel kinderen zoeken er nog naar?
Ik had thuis een klein aquarium, van maar 20 x 20 x 30cm. Hierin hield ik de gevangen beestjes vaak een tijdje en bekeek hun vorm en gedrag.
Wil je iets van deze waterdieren zien, klik dan hier.De ringvaart
Bij die ringvaart was het heerlijk. Er groeide een brede geheimzinnige rietkraag, waarin we plekjes maakten om te kunnen vissen. Soms gebeurde het, dat er, als je stil zat, zomaar jonge karekietjes langs kwamen. Ze konden nog niet vliegen , maar klommen door de rietstengels. Je kon ze zelfs op je vinger laten zitten. Bang waren ze helemaal niet. Het waren jongen van de Kleine Karekiet.
Eens vond ik er het prachtige, met paardenhaar beklede nestje van een Rietgors.
Op drie plaatsen tussen Rustenburg en Schermerhorn zong de Grote Karekiet luid zijn krasserig lied. Dat was aan het brede vaartgedeelte in de bocht, net voorbij het gemaal, in de bocht voorbij Ursem en in de sloot achter de dijk bij Schermerhorn. Je kon ze al van verre horen. Op die plaatsen bleef in de winter dik riet in het water staan. Dat riet is juist geschikt voor de grote karekiet om er zijn nest tussen op te hangen.
Konijnen
Konijnen hadden we ook altijd. Achter het huis stond een lang hok, met vier afdelingen, gemaakt van oude kaasplanken. Vaak gingen we paardenbloemen voor ze zoeken, maar soms vergaten we dat en zorgde mijn moeder voor ze.
We voerden ze vaak aardappeltjes. We stoomden die eerst gaar onder de uitlaatpijp van de radiatoren, die de "blikken tent" s winters verwarmden.
Eens had ik een prachtig grijsgespikkeld konijn (agouti heet dat), dat 12 jongen kreeg. Toen de jongen drie weken oud waren ging de moeder dood. Alle jongen kwamen in een grote kist en we moesten ze uit een schoteltje leren drinken. Er gingen vier dood, de rest groeide op tot mooie konijnen. Ze waren allemaal precies als de moeder.
Poezen
Ook poezen hadden we altijd. De bekendse was "Moeder Neeltje", We hadden hem in Haringhuizen gekregen van de kaasmaker Boerlage, die altijd zei: "Ik ga weer naar moeder Neeltje", als hij naar huis ging. Moeder Neeltje zat onder het eten altijd op de leuning van de stoel bij mijn vader. Als mijn vader een stukje vlees aan de vork had, dan griste zij het er soms snel met haar poot af. Mijn vader keek dan naar haar en zei: "Nu moet het toch niet gekker worden." Moeder Neeltje was ook gek op tomaten, iets heel bijzonders voor een kat.
Ze had een pikzwarte dochter, dat was mijn poes. Op een dag kwam die thuis, met een plat lijf. Ze sleepte de achterpoten achter zich aan. Waarschijnlijk was er iets over haar heen gereden. We legden haar in een poppenledikantje. Het duurde weken, maar de poes werd weer helemaal beter. Nu zou je met zon dier naar de dierenarts gaan, maar dat deed je toen nog niet. Op het platteland was alleen een veearts, die zorgde voor koeien, paarden, varkens en schapen.
Van eten voor poezen hadden de mensen ook nog niet veel verstand. Katten aten melk met brood er in geweekt. Kattenvoer was niet te koop. Katten waren door die melk altijd in de diarree. We dachten dat dat zo hoorde. Nu worden katten soms wel twintig jaar. Vroeger werd een kat hoogstens een jaar of acht. Misschien hadden katten in de stad het wel beter dan bij ons.
Op school
Ik ging naar een kleine school in Ursem. Er waren daar maar iets meer dan veertig leerlingen op de hele school. Ik kwam in de derde klas (nu groep 5) bij juffrouw Joosten. Dat ging helemaal mis. Ik moest op een andere manier gaan schrijven, van losse rechte letters naar met elkaar verbonden en schuin. De juf hield daar geen enkele rekening mee. Ze commandeerde al "volgende regel" als ik nog maar op de helft van de eerste was. Elke dag kreeg ik op mijn donder dat ik niet goed schreef en bijna elke dag moest ik nablijven om mijn schrijfwerk af te maken. Ik fietste dan later verdrietig alleen naar huis. Je begrijpt dat ik een flinke hekel aan dat mens kreeg. Mijn prestaties op school waren dan ook heel slecht en aan het eind van het jaar vond de juf dat ik maar naar een school voor speciaal onderwijs moest. Ze wilde me niet nog een jaar in de klas hebben. Mijn ouders vonden die oplossing maar niets, want op de vorige school kon ik goed meekomen. Ze overwogen mij naar de school in het dorpje Stompetoren te sturen, samen met mijn broertje Freek. Die ging ook naar school dat jaar. Omdat er dat jaar weinig nieuwe kinderen op school de school in Ursem kwamen, zou de school geen twee onderwijzers meer mogen hebben en kwam de juf dus zonder werk. De school gaf toe en tot mijn grote plezier mocht ik het toch proberen bij meester Mul, die klas 4, 5 en 6 had. Gelukkig ging het daar goed. Alleen met cijfersommen was ik een beetje langzaam.
Pen en inkt
penhouders met kroontjespennen en een griffel
Onze ouders leerden in de lagere school nog op een lei schrijven, met een staafje, een griffel. Ze maakten de lei schoon met een sponsje.
Wij schreven op school met pen en inkt. Alleen in de eerste en tweede klas (nu groep 3 en 4) schreef je nog met potlood.
Voor in het werkblad van de schoolbank, naast de gleuf voor de pennen, zat een glazen potje, waar inkt in zat. Van tijd tot tijd werd de inkt aangevuld uit een grote fles. Er moest altijd goed op worden gelet, dat dat potje niet overliep, anders kwamen al je boeken en schriften in het vak eronder onder de inkt te zitten.
Eens in de paar maanden kregen we een nieuwe "kroontjespen" in onze penhouder. Ik drukte altijd veel te hard op mijn pen, waardoor de twee delen van de punt al gauw uit elkaar gingen. Dat schreef lastig; de pen bleef vaak haken. Soms boog ik de punten weer naar elkaar toe, een andere keer schreef ik met de pen op zn kop.
Je begrijpt dat ik nooit een voldoende voor schrijven kreeg.
Er waren kinderen die zo op hun penhouder kauwden, dat er maar een klein stompje overbleef, tot woede van de meester.
Je had ook roze of lichtgroen vloeipapier. Als je een stuk had geschreven, drukte je het vloeipapier er op, je "vloeide je werk af", zodat het niet ging vlekken als je het schrift dicht deed. Soms viel er een druppel inkt van je pen, vooral als je die te diep in de inkt had gedoopt. Je had een vlek! Dat was een ramp!
De pen werd afgeveegd aan een inktlap. Dat was een stapeltje ronde bontgekleurde lapjes, die in het midden aan elkaar vastgenaaid waren. Midden op de inktlap zat vaak een knoop van een broek of jas.
In mijn schooltijd kwam de balpen. Dat was in het begin iets heel bijzonders. Op school mocht je hem niet gebruiken, want, zei men, hij verknoeide je handschrift. Nou die ellendige gewone pennen hadden al lang mijn handschrift verknoeid.
Het was een fijne school. We deden op het plein vaak wilde spelletjes, waarbij we tot woede van Meester Mul elkaar vaak door de heg gooiden die rond het plein was. We zaten nog in ouderwetse houten schoolbanken.
In de winter brandde er een grote zwarte kolenkachel. Boven langs de wanden van het lokaal hingen prachtige schoolplaten "Aan de oevers van de Nijl", "Op Borneo", "Aan de Noordpool", "Onder de dadelpalmen" Ik droomde vaak weg als ik naar die platen keek. Gelukkig heb ik er later op rommelmarkten nog een paar van die platen kunnen kopen.
In de zomer als de zon er was staken we papiertjes in brand met een brandglas. Aan fietssturen zat vroeger een bescherming van een zwarte stof. Dat rookte prachtig als je dat aanstak met je brandglas. Ook brandden we de letters van onze naam in onze klompen. Met een spiegeltje kon je ook mooi spelen als de zon scheen, We lieten de spiegelvlekjes langs de stammen en takken van de kastanjebomen omhoogklimmen, tot we bij het eksternest bovenin kwamen. Als het regende, mochten we in de veranda spelen. Het was een pleintje met een dak op palen. Dat was een gezellige plek.
Ik kon in klas vier vijf en zes redelijk goed meekomen. We zaten maar met zn drieën in de zesde klas. Toch vond de meester me aan het eind van die klas me nog wat te jong en onervaren om meteen de sprong naar de ULO-school in Alkmaar te maken. Hij stelde voor me eerst een jaar naar de VGLO-school (Voortgezet Gewoon Lager Onderwijs) in Alkmaar te sturen. Zo gebeurde het en daar heb ik nooit spijt van gekregen.
De VGLO

Voortaan fietste ik dus naar Alkmaar om naar school te gaan. Dat was een ritje van 12 km. Soms was het een fijn ritje, maar er waren ook dagen dat het vroor of sneeuwde en het grootste deel van de tocht ging over kale rechte wegen. De school was een nieuwe "Finse" school; een laag, langwerpig, houten gebouw met een stuk of tien lokalen. Een cadeau van Finland aan Nederland waar veel scholen waren verwoest in de oorlog. Het was een vrij strenge school en hoewel ik in de voorbereidingsklas voor de ULO zat ging ik toch 8 uur per week naar de ambachtsschool (technische school) op te timmeren, metaal te bewerken, te schilderen en technisch te tekenen. Ik heb van die lessen erg veel geleerd. De rest van mijn leven kon ik omgaan met gereedschap. In de middagpauze moesten we ons meegebrachte brood opeten van een bordje, met mes en vork. We kregen er een beker melk bij. Bij toerbeurt moest je de afwas doen. Al die dingen had ik nog nooit gedaan. Mijn brood had ik altijd uit mijn handen gegeten en het warme eten alleen met vork en lepel. De afwas deed mijn moeder altijd. Je begrijpt dat dat een nuttig jaartje was voor mij.
Aan het eind van het jaar ging ik over naar de ULO. Ik was 13 jaar. Ik voelde me er aardig snel thuis. Van lange duur zou het bezoek aan deze school niet duren, want we gingen weer verhuizen.