Het vlot

(Hans de Wit,
Het vlot, 2007)
Narcissus
‘Dit is
Ripley,
w564502460h, hoofdofficier,
laatste
overlevende van handelsruimteschip
Nostromo,
meldt zich af.
stilte
Kom,
kat.’
Nooit lukt het ons eraan te
ontkomen
om als een God of noem het
Geest of Ziel
ons van buitenaf te zien.
Zoals we dromen
leven we, alleen. Wie weet
zonder chlorofyl
kunnen we ooit, zonder
behoefte aan de kat
op schoot, zonder mens- en
dierverlaten aarde,
kan eens de vrouw geheel
zonder man, al is dat
liefst nu nog weg te denken
hier; van waarde
dan zijn andere waarden, nooit
heimwee meer
naar krokus bloeiend in een
tuin met sneeuw:
tijdrekening zonder dag,
maand, jaar en eeuw,
slaags raken androïden- en
xenomorfenheer,
maar jij beziet je weer,
oneindig op zich gericht
blijft je ik,
jij, facehugger over je eigen
gezicht.
Ze klikt de
recorder uit.
Staart naar
buiten.
ext. kosmos
De shuttle Narcissus zweeft de
ruimte in.
Zaal der grote
formaten
Werd nog geen drieëndertig
maar met bijna dat aantal
schilderijen uit zijn oeuvre
in het Louvre. Naar ‘Het vlot’
in de zaal der grote formaten
worden we al bij de onthaal
verwezen ‘Bah, une vignette,’
oordeelde hij op zijn
sterfbed.
Géricault. Ary Scheffer toont
ons zijn dood, in zaal 61, op
een grauwe winterdag, maar
in werkelijkheid scheen de
zon.
In werkelijkheid scheen de
zon,
maar Géricault toont storm en
golven waarin de laatste
vijftien
het schip zien aan de horizon.
Met honderdvijftig waren ze
toen het begon. Geschrokken
keek ik om me heen en om in
de zaal der grote formaten.
Wie
in deze roezemoezende drom
zou ons het eerst verlaten?
Wie
zou weigeren biscuit te delen?
Wie zou als eerste verwilderd
‘Wij zijn met veel te velen’
schreeuwen? Wie ging me kelen?
Wie zou ik vierendelen? Van
wie
zou ik vlees en vet verteren?
‘Er zijn er nog te veel te
velen!’
Wiens urine zou ik drinken?
Van urine drinken plas je weer
eerder, noteerde arts Savigny.
Werd ik van mijn plank
gesmeten
of zou ik maar mezelf
verdrinken?
‘Is schipbreuk dan een oogst
en vervoert de storm het
graan?’
Wat in hemelsnaam zag ik aan
voor een kust met plantages?
Met stokken elkaar en naar
de haaien slaand. Bijtend open
wonden van in zout water
staan,
zeekwallen eraan. Geef mijn
lippen
je laatste traan! Laat me
stikken
van het lachen om wat rest van
ikke!
Een stukje tin op de tong –
de koelste sensatie! Rozengeur
hmm uit een lege parfumfles!
Wat
wil een mens meer? Dames?
Heren?
Nieuwe kleren? Geloof? Hoop?
Liefde? Trots? En natie? Hals
over kop ontvluchtte iedereen
de zaal der grote formaten.
Uit
alle hoeken en gaten stroomden
de massa’s naar de kassa’s
terug
en ik spoelde erin mee en weg,
stormwind in en winterregen.
In werkelijkheid zei ik dat
het niet
kon, zulke gave lijven na zo
veel dagen
op dat vlot op je plastic
museumtas op
een bank in de goddelijke
voorjaarszon.
Eigenlijk heb je
alles al
Eigenlijk heb je alles al om
op zomaar een dag
te staan huilen in zomaar een
bos populieren,
liefde gehad, verloren,
gevonden, vader verast,
moeder ontbonden, vlees
gediend, god verlaten,
je vlot alleen met zwarte
gaten om je heen zonder
verder te komen dan fanaten
rond een zwarte steen,
eigenlijk weet je alles al, je
bent de dood zijn niet
te missen kans, zijn niet te
weigeren voorstel je
met alle voorstellingen van
hem te wissen, rouw
is er dan geen, geen krans of
graf, geen annonce
in de krant, je ziet zijn
oever die je wacht slechts
zolang je denkt dat hij je al
dan niet verwacht en
wenkt, zacht ritselt met zijn
populieren, looigeur
in zijn dal, er is geen
strandingszand, een traan
misschien nog in je kussen,
eindelijk is het dan
dat alles af is of nee want
eigenlijk heeft alles je al.