HUUB BEURSKENS 02-03-2012 - contact: huub.beurskens@gmail.com

subpagina's:  BIO&BIBLIO    GEDICHTEN    ATELIER    PLEIN AIR    mouseover   NONNOLLESBLOG UITGEVERIJ TROMDRAGER

TROMDRAGER

UITGEVERIJ ZONDER WINSTOOGMERK

Huub Beurskens, Dieman - tranches de vie

verhalen, 160 pagina's, vormgeving Office of CC

Het boek is in een exclusieve, gelimiteerde uitgave

van 200 genummerde en gesigneerde exemplaren verschenen

en is niet via de handel verkrijgbaar zijn.

Prijs op dit moment: 13 euro, all in (dus ook verzendkosten).
In de loop der tijd zal het bedrag worden verhoogd.
Informeer en reserveer via een e-mail aan

huub.beurskens@gmail.com

Wordt het niet tijd om jezelf als het ware gezelschap te houden door je op een flesje gekoeld bier te trakteren en daarvan aan een van mijn groene tafeltjes in de zon te genieten of onder een parasol als je wilt, vroeg een terras voor een versnaperingenkiosk. Het wees daarbij met een weids en vloeiend gebaar, als een goocheme panoramist, op stelletjes in bont geschilderde, richtingloos drijvende roeiboten op een grote blikkerende vijver met aan een zijde een onnut neoklassiek bouwsel bekroond door een roerloze gehelmde ruiter, het wees op een brede geasfalteerde laan met joggers, kalm rollende wandelwagens en schokkend zwabberende driewielers, op een schaduwrijk perceel met jonge, maar al looigeurige populieren, op een accordeonist op een hengelaarkrukje, achter een bal rennende kinderen en een kleine rotonde met een marmeren fontein in de vorm van een breedpotige champagnecoupe met een bruisende flessennek in het eigen midden, met duiven die op de rand van het bekken vlogen, een paar keer hun hals naar de hoog uitstekende holle naaf bogen die glinsterde van zijn eigen, rondom neerstromend water, waarbij hun kopjes even verdwenen, als voor een eerbiedige groet of woordeloos schietgebedje, om dan weg te wieken naar wat alleen de zwartbronzen ruiter kon zien.

          Dieman genoot van het door hemzelf volschenken van zijn bierglas misschien nog meer dan van de verkwikkende eerste teug en de voorstelling van een wit streepsnorretje van schuim meteen boven zijn lip. Hij keek om zich heen alsof de plichtpleging van het nemen van het allerlaatste slokje van het dan lauw en bitter geworden verschaalde nat dit keer voor eeuwig zou uitblijven. De schaduwen van de bomen leken niet te ontstaan doordat de bladeren het rechtstreekse zonlicht tegenhielden, maar doordat een letterlijk en figuurlijk grote impressionist allerhande bleekrozige en botergele vlekken pasteus boven op de violetbruin van de grond en het emeraldgroen van de tafels had geschilderd.

          Niet alleen op het terras zaten mensen. Dieman keek naar een man en een vrouw die op een houten bank zaten, naast elkaar, met net genoeg afstand om niet bij elkaar te horen en te weinig ruimte om elkaar niet eerder te hebben ontmoet. De ietwat gezette vrouw, met sluik vlasblond haar, breide. De man had zijn hoed tussen haar en hem op de bank gelegd. Een al wat oudere heer, mager, met droge lippen, grijzend, licht kalend en met waakzame ogen. Iemand die een liefhebbende vader kon zijn geweest voor een meisje dat inmiddels volwassen was en het huis had verlaten. Wanneer de breister iets zei, zonder van haar werk op te kijken en zonder dat Dieman meer waarnam dan haar mondbewegingen, die zo geluidloos iets weg hadden van poliepachtige in- en uitstulpingen in een diepzeenatuurfilm met accordeonmuziek, drukte de man zijn wandelstok, waarvan hij de greep met beide handen bleef vasthouden, langzaam een heel klein stukje schuin neer- en voorwaarts, met de dop door de kiezels voor zijn voeten, totdat die een hoek van vijfenveertig graden met de planeet maakte, om hem vervolgens weer tot zijn verticale stand tussen zijn benen terug te trekken en er zijn handen op navelhoogte op te laten leunen.

          Op de kleine rotonde bevond zich eveneens een al wat oudere man, maar geen heer deze. Hij droeg een uiterst kort en strak zittend, dat wil zeggen, bespottelijk zilverkleurig sportbroekje en een wit haltershirt, waardoor de beginnende gerimpeld- en geplooidheid van zijn huid allerminst werden verhuld, ondanks de getaandheid ervan en de conditie die zijn spieren kennelijk hadden. Op hoge zwarte lakleren rolschaatsen draaide hij, met de armen op zijn rug en een grote koptelefoon op, rondjes om de marmeren fontein, het ene na het andere, waarbij hij zijn lichaamsbewegingen kennelijk aanpaste, als een rondrollende discodanser, aan de muziek die hij hoorde en die zo te zien in het geheel niet spoorde met die van de accordeonist. Zo nu en dan slaakte hij een kreet, alsof hij een woord meezong.

          Dieman draaide al op zijn stoel om zich geamuseerd van deze oude gek af te wenden en te zien wat er nog meer voor een schaduwzitter waarnemend te genieten viel, toen hij de indruk kreeg dat de rolschaatser uitgerekend iets meezong of riep wanneer hij het punt passeerde waar het denkbeeldige lijnstuk tussen de cirkel die hij op zijn acht wieltjes beschreef en Diemans positie het kortste was. Sterker, Dieman meende, toen de man opnieuw een rondje had afgelegd, dat er niet zomaar iets werd meegezongen of werd geroepen, maar dat die klanken of tweeklanken in zijn richting werden geroepen, alsof ze voor hem waren bestemd, speciaal voor hem, voor niets en niemand anders.

          Het maakte dat Dieman zich op slag ongemakkelijk voelde. Hij wilde en hij durfde niet meer naar de malloot te kijken, maar hij kon het niet nalaten naar hem te luisteren, niet nalaten op hem te wachten, zich voor te stellen hoe hij een volgende cirkel vervolmaakte en te luisteren, twee keer, drie, daar moest hij weer komen, vier...

          Dieman had de onaangename indruk acteur te zijn, tegen zijn zin en geheel misplaatst, in een absurdistisch stuk dat zich heel ergens anders en in elk geval zonder hem zou moeten afspelen, bijvoorbeeld in de jaren zestig van de laatste eeuw. En was de zon, nee, was de aarde zo ver gedraaid dat Dieman ongemerkt in de warme spot was komen te zitten, waardoor zijn grime, mocht hij die ophebben, begon uit te lopen in zijn zweet, de verf waarmee het haar aan zijn slapen zwart was geverfd?

          … Vijf. Het lukte hem niet betekenis te geven aan de kreten waarmee hij werd bestookt. ‘Tsillevon,’ verstond hij. Stilleven? … Zes: ‘Ateoop’…

          Hij waagde een snelle blik richting fontein en zag dat de rolschaatser zijn cirkels nu draaide met zijn kont vooruit, achterwaarts voortrijdend. Tegelijkertijd voelde hij een hand op zijn schouder en had hij companie aan zijn terrastafeltje.

          ‘Ik ga het je vertellen,’ zei Herinnering op een warme, even vertrouwelijke als betrouwbare toon. ‘Mag ik een slok van je bier? Je kunt ook een flesje en een glas speciaal voor mij gaan halen, maar misschien vind je dat raar, twee flesjes en twee glazen voor je op tafel. Hoe dan ook, als ik het je heb verteld, dat zul je zien, zijn ze weg, de achterstevoren cirkelende oude rolschaatser, de breister, net als de heer met zijn hoed en wandelstok.

          ‘Ik geloof dat ik het opeens weet, alles, allemaal…,’ antwoordde Dieman. Mag ik proberen jou te vertellen?’

          Herinnering lachte om het bastaardtaaltje waarin de vraag gesteld leek. ‘Vooruit! Maak wat van me!’ [fragment]