Steenbergse Vliet en Roosendaalse Vliet

Vanaf het Volkerak voeren de vrachtschepen via de sluis te Benedensas via de Steenbergse Vliet en daarna de Roosendaalse Vliet naar Rosendaal. Het moet deze sluis en die bij Dintelsas geweest zijn, die de maat van de Roosendaalse klippers bepaald heeft.

 

 

Binnenhoofd en schutkolk

Schutsluis

Het sluizencomplex Benedensas is gebouwd om het achterliggende land te beschermen tegen hoog water uit het Volkerak, en voor de scheepvaart om het hoogteverschil vanwege eb en vloed te overbruggen.

De oudste sluis is de schutsluis (1) uit 1824. Die zorgde ervoor dat bij vloed het water van het Volkerak niet landinwaarts stroomde. Kennelijk deed deze ook dienst als spuisluis, want het waterschap schrijft in de folder: . In 1883/1884 is de spuisluis (4) of uitwateringssluis gebouwd omdat de afvoercapaciteit van de schutsluis te klein was geworden. Eén van de redenen daarvoor was een uitbreiding van het netwerk van sloten voor afvoer van water uit bebouwde gebieden en toenemende landbouw. De doorstroombreedte van de schutsluis van 8 meter werd uitgebreid met maar liefst zes spuiopeningen van ieder 2,5 meter breed. Tijdens eb kon dus via de oude schutsluis overtollig water (zoals regenwater) van de Steenbergsche Vliet naar het Volkerak stromen. Zo was er in de Vliet weer ruimte voor het water dat vanuit de polders naar de rivier kwam. Op deze manier hield men in het hele poldergebied de waterstand goed onder controle. Kennelijk was er nog een andere beperking voor de breedte van de schepen, want de 8 meter doorstroom opening komt niet overéén met de maximale breedte van 5,60 meter voor de Roosendaalse klipper.

Aan het begin van de 20e eeuw nam de scheepvaart enorm toe. Daarom werd in 1913 de schutcapaciteit van Benedensas aanzienlijk vergroot. Bij de oude sluis (het ‘buitenhoofd’) kwam een groene schutkolk (2) met een lengte van 70 meter en een breedte van 25 meter. Of de doorvaart breedte van het binnenhoofd toen is aangepast kan ik nergens iets vinden. De sluis is toen uitgerust met waaierdeuren. Dit is zijn driehoekige deels drijvende sluisdeuren, die door middel van drukverschillen als gevolg van de hoogte verschillen in waterstand tussen binnen en buiten de deur geopend en gesloten worden. Een waaierdeur bestaat uit twee gekoppelde deuren (van boven af gezien driehoekig), waarvan de eerste dienst doet als waterkering en de tweede ervoor zorgt dat de eerste deur, tegen de druk van het water in, kan worden geopend of gesloten. Bij sluizen, die nu gebouwd worden, worden sluisdeuren mechanisch geopend en gesloten, maar in die tijd was dat natuurlijk een noviteit en gemak: Men hoefde de zware deuren niet met mankracht te bedienen! De sluis staat als tweede waterbouwkundig object op de monumentenlijst onder andere om het aanwezig zijn van deze waaierdeuren. (Het Lelygemaal .bij Medemblik was de eerste)

 

Uit de Toelichting bij de Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant:

·       Beschrijving sluisbuurt Benedensas

·       Beschrijving sluisbuurt Bovensas

Sluisbuurt Benedensas

Kleine bebouwingsgroep rond uitwaterings- en schutsluis (1821-1825) van de Steenbergsche Vliet; in opdracht van het Heemraadschap van de Roosendaalsche en Steenbergsche Vliet naar ontwerp van A. Goekoop aangelegd. De sluis had tot taak het binnendijkse land tegen hoge waterstanden in het Volkerak te beschermen. In 1883 zijn verbeteringswerkzaamheden uitgevoerd, onder leiding van hoofdingenieur van Provinciale Waterstaat F.C. Bake en A.C. Broekman. Gesitueerd tussen de Noordheensche Polder en de Driebroederspolder. Scheidt met Bovensas de Roosendaalse en Steenbergse Vliet in twee gelijke panden. Tot 1908 slechts toegankelijk voor trekvaartverkeer. Hoge waarde door de grote herkenbaarheid van de situatie (sluis, dijken, de nauwelijks verdichte bebouwing, relatie met buitengebied), en door de vrij hoge waarde van de afzonderlijke bebouwingselementen; sluis, brug, Duitse geschutskazemat (circa 1943), dienstwoningen) voorts draagt de laanbeplanting onder meer langs de toerit tot de Sas bij aan de hoge waarde. Tussen 1981 en 1987 werd aan de noordzijde van de sluis vanwege de realisatie van het Zoommeer (onderdeel van de Deltawerken) een forse nieuwe sluis gebouwd. Tegelijkertijd werden de oeverkaden van de Vliet met een meter verhoogd.

Sluisbuurt Bovensas

Gebied van tweetal uitwateringspunten, Blauwe Sluis en Bovensas, tuusen Oostveerpolder en Groote Bolspolder, waarbij zich rond Bovensas aan de Roosendaalsche Vliet een kleine bebouwingsconcentratie (sluis, brug, dienstgebouwen) heeft ontwikkeld. Scheidt met sluizencomplex Benedensas de Roosendaalse en Steenbergse Vliet in twee gelijke panden. Tot 1908 slechts toegankelijk voor trekvaartverkeer. Sluizencomplex uit 1822-1823 (A. Goekoop) en 1883 (hoofdingenieur van Provinciale Waterstaat F.C. Bake en A.C. Broekman); waarde door oorspronkelijke stedenbouwkundige situatie en laanbeplanting, waarde van de individuele bebouwing echter lager dan bij Benedensas

Gemeente Roosendaal, stromen en vaarten

 

De gemeente Roosendaal werd gekenmerkt door het naast elkaar bestaan van een dicht net van natuurlijke waterlopen en gegraven vaarten. De eerste levensader die dwars door de noord-zuidas van de gemeente vloeide was de Molenbeek, die bij de Belgische plaats Kalmpthout ontspringt en dan nog de naam Kleine Aa draagt. Die Molenbeek was in het pleistoceen vermoedelijk een arm van de Schelde. Aan de rechteroever ontvangt de rivier water van de Rucphense Vaart. Dit is mogelijk sinds in 1940 een lozingskanaai gegraven werd. Vanaf de linkeroever wordt de rivier gevoed door de Engebeek. Dit is een samenvloeiing van de Rissebeek en de Spuitendonkse (of Haiinkse) Beek, welke zich ook op het Roosendaalse grondgebied bevinden. De Engebeek stroomt aan de westzijde om de plaats Roosendaal heen en komt uit in de Roosendaalse Vliet. De Evertkreek is een zijtak van de Roosendaalse Vliet. Door de eeuwen heen heeft men veel gedaan aan de verbetering van deze stroom. In 1451 verbreedde men vanaf Roosendaal de Roosendaalse en Steenbergse Vliet, waardoor er in Roosendaal een drukbezochte haven ontstond. De haven raakte in verval, maar werd in 1792 en in 1823 verbeterd.

 

In 1823 werd overgegaan op kanalisatie en verbreding van de Roosendaalse en Steenbergse Vliet. Er ontstond toen een afsnijding over een afstand van 3,5 km., welke ter onderscheiding van de oude loop de naam Nieuwe Roosendaalse Vliet kreeg. In de jaren 1923-1927 en van 1933-1939 werden er nogmaals verbeteringen aangebracht t.b.v. een verbeterde afwatering. Voor 1923 kwamen in dit laagliggende gedeelte nog grote overstromingen voor, daarna niet meer. De werkzaamheden werden uitgevoerd als werkverschaffingsproject, waarvoor het Hoogheemraadschap van de Roosendaalse en Steenbergse Vliet subsidie gaf. De laatste verandering vond plaats in 1983 met het graven van het Mark-Vlietkanaal. De Molenbeek zelf werd genormaliseerd van 1930 tot 1932 en daarbij van verschillende stuwen voorzien. Ook de Enge- en de Rissebeek werd in diezelfde jaren verbeterd; hierdoor verbeterde de afwatering van een groot gebied.

Roosendaal Industrie

 

De tweede helft van de 19e eeuw bracht nieuwe welvaart voor Roosendaal. Een stuwende figuur daarbij was burgemeester L.J. Schoonheyt. Hij bekleedde dit ambt van 11 april 1851 tot 2 november 1892. De gemeentelijke organisatie werd vanaf 1 oktober 1851 beter omlijnd, omdat de gemeenteraad vanaf deze datum opereert onder de werking van de Gemeentewet. (Dit ging uiteraard voor het hele land op.) De onontbeerlijke schakel tot de economische groei van de gemeente was de aanleg van het spoor. Dit bracht niet alleen veel werk met de aanleg van het spoor met zich mee, maar ook voor diegenen die bij het douanekantoor of bij de expeditiebedrijven werkzaam waren. Bovendien trok het nieuwe industrieën aan.

 

Roosendaal werd vooral bekend als centrum van de suikerverwerkende industrie. Daar waren een aantal redenen voor. De suikerfabrieken vestigde men langs de Roosendaalse Vliet aan de Oostelijke Havendijk. Op dit punt was men verzekerd van voldoende grondwater, nodig voor de verwerking van de bieten. Bovendien vond de suikerbietencampagne plaats in de winter, zodat hier velen werk vonden, die anders als zijnde seizoenwerker van de bedeling zouden moeten leven. Het lossen van de bieten uit de schepen leverde het meeste werk op. Arbeidskrachten waren in ruime mate voorhanden. Dit werk werd naar verhouding beter betaald dan in andere streken het geval was. In 1864 werd de eerste Beetwortelfabriek opgericht door de Ram & Cie, welke in 1865 in bedrijf werd gesteld. In 1867 en 1869 volgen de suikerfabrieken van Ravenswaay, Fercken, Jäger & Cie, en Janssens, Van Weel, Smits & Cie. In 1881 richtten J.Rueb en G. Castelot hun kandij fabrieken op. In 1889 werd de suikerraffinaderij "Java" opgericht. Van Gilse en Schul startten hun kandij fabriek in 1897 aan de Kloosterstraat en waren hiermee de enigen die zich niet langs het water vestigden. Het nadeel van de suikerfabrikanten was dat zij zuiver speculatief werkten. Fabrieken konden i.v.m. sterk fluctuerende prijzen even gemakkelijk geopend als gesloten worden. De Ram & Cie werd in 1913 omgedoopt in Coöperatieve Suikerfabriek Roosendaal. Sinds 1947 is de fabriek van de V.C.S. Het is de enige overgebleven suikerfabriek uit de 19e eeuw, gelegen aan de Oostelijke Havendijk 16.

 

De oude suikerfabriek van Janssen, Van Weel & Smits werd in 1921 betrokken door zuivelfabriek 't Anker. Als laatste suikerverwerkende industrie ging Red Band, fabricage van drop en suikerwerken, van start in 1928. Deze fabriek is nog altijd gevestigd aan de Spoorstraat 51.

Vliet en Kanaal

De Vliet zoals het water doorgaans wordt genoemd, is grotendeels door mensenhand aangelegd. Pas sinds 1983 heeft de Vliet de vorm gekregen zoals we die nu kennen. De Vliet heeft een lange en veel bewogen ontstaansgeschiedenis. De oorsprong ligt in de afwatering van de hogere zandgronden ten zuiden van Roosendaal tot diep in België.

Ten noorden van Roosendaal had de zee in de veertiende en vijftiende eeuw op veel plaatsen vrij spel. Het was een land van kreken en gorssen, dat in latere jaren steeds verder werd bedijkt. De belangrijkste kreken behielden hun waterafvoerende functie, waardoor o.a. de Roosendaalse en Steenbergse Vliet, de Mark en de Dintel ontstonden.

Voor een betere toegankelijkheid van Roosendaal voor de binnenvaart werd in het begin van de tachtiger jaren het Mark/Vlietkanaal aangelegd. Daarbij werd voor een groot deel de oude bedding gebruikt. Hierdoor is de huidige situatie ontstaan.

De huidige situatie is als volgt: Het nieuwe kanaal verbindt Roosendaal met de Dintel en de Mark. De oorspronkelijke Roosendaalse en Steenbergse Vliet is een voor de vrachtvaart weinig belangrijke aftakking. Voor de recreatievaart is dit deel echter een interessante en steeds belangrijker wordend vaarwater. De Roosendaalse en Steenbergse Vliet mondt bij de Heen uit in het Volkerak. Na de voltooiing van de Delta/werken wordt in het Volkerak een zodanig peil onderhouden dat met de Westbrabantse hoofdwateren één niveau is ontstaan. Daardoor hebben de sluizen in dit gebied hun functie verloren.

Het Mark/Vlietkanaal mondt in het noorden uit op de Dintel. Aan de westkant mondt de Dintel op haar beurt ook uit in het Volkerak. In de andere richting gaat de Dintel bij Stampersgat over in de Mark, die ons tot voorbij Breda brengt. Via aftakkingen van de Roosendaalse en Steenbergse Vliet en van de Mark en de Dintel zijn verschillende plaatsen bereikbaar, zoals Steenbergen, de Heen, Dinteloord, Oudenbosch, Zevenbergen en Etten-Leur.