Verordening 199/1941
22 October 1941

199
VERORDNUNG

des Reichskommissars für die besetzten niederländischen Gebiete über die Betätigung von Juden bei nichtwirtschaftlichen Personenvereinigungen und Stiftungen.
Auf Grund des § 5 des Erlasses des Führers über Ausübung der Regierungsbefugnisse in den Niederlanden vom 18. Mai i940 (RGBI. I S. 77S) verordne ich:


199
VERORDENING

van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende het deelnemen van joden aan vereenigingen van personen en stichtingen zonder economisch doel.
Op grond van 5 5 van het Decreet van den Führer over de uitoefening van de regeeringsbevoegdheden in Nederland van 18 Mei 1940 (R.W.B. I, blz. 778) bepaal ik:

§ 1.

Artikel 1.

Einem Juden ist es verboten,
  1) eine nichtwirtschaftliche Personenvereinigung im Sinne der Verordnung Nr. 145/1940 über die Erfassung nichtwirtschaftlicher Personenvereinigungen und Stiftungen zu grüden, sich an der Gründung einer solchen Personenvereinigung zu beteiligen oder Mitglied einer solchen Personenvereinigung zu sein oder zu werden, es sei denn, dass die Personenvereinigung ausschliesslich Juden zu Mitgliedern hat;

  2) eine nichtwirtschaftliche Stiftung im Sinne der Verordumg Nr. 145/1940 zu errichten, sich an der Errichtung einer solchen Stiftung zu beteiligen oder aus dem Vermögen einer solchcn Stiftung mittelbar oder unmittelbar Nutzen zu ziehen, es sei denn, dass die Suftung ausschliesslich von Juden errichtet wird oder dass das Stiftungsvermögen ausschliesslich Juden zugutekommt;

  3) für eine Personenvereinigung oder Stiftung tätig zu sein, deren Mitglied er gemäss Ziffer 1 nicht sein oder aus deren Vermögen er gemäss Zifier 2 keinen Nutzen ziehen darf.


  Aan een jood is het verboden:
 1) een vereeniging van personen zonder economisch doel in den zin der Verordening No. 145/1940, houdende bepalingen ter verkrijging van een overzicht (Erfassung) van vereenigingen van personen en stichtingen zonder economisch doel, op te richten, aan de oprichting van een dergelijke vereeniging van personen deel te nemen of lid van een dergelijke vereeniging van personen te zijn of te worden, tenzij de vereeniging van personen uitsluitend joden als leden heeft;

  2) een stichting zonder economisch doel in den zin der Verordening No. 145/1940 op te richten, aan de oprichting van een dergelijke stichting deel te nemen of uit het vermogen van een dergelijke stichting direct of indirect voordeel te trekken, tenzij de stichting uitsluitend door joden is opgericht of het vermogen van de stichting uitsluitend joden ten goede komt;

  3) werkzaam te zijn voor een vereeniging van personen of stichting, waarvan hij op grond van het bepaalde onder 1 geen lid mag zijn of uit welker vermogen hij op grond van het bepaalde onder 2 geen voordeel mag trekken.

§ 2

Artikel 2.

  (¹) Ein Jude, der den Bestimmungen des § 1 zuwiderhandelt, wird mit Haft bis zu sechs Monaten und mit Geldstrafe bis zu eintausend Gulden oder mit einer dieser Strafen bestraft.
  (²) Dic nach Absatz 1 strafbaren
Handlungen sind Übertretungen (overtredingen).
  (¹) Een jood, die in strijd handelt met het in artikel 1 bepaalde, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden en geldboete van ten hoogste een duizend gulden of met een dezer straffen.
  (²) Strafbare feiten, als bedoeld in liet vorige lid, worden beschouwd als overtredingen.

§ 3.

Artikel 3.

  Jude im Sinne dieser Verordnung ist eine Person, die gemäss den Bestimmungen des § 4 der Verordnung Nr. 189/1940 über die Anmeldung von Unternehmen Jude ist oder als Jude gilt.
  Jood in den zin dezer verordening is hij die op grond van het bepaalde in artikel 4 der Verordening No. 189/1940 betreffende het aangeven van ondernemingen jood is of als jood wordt aangemerkt.

§ 4.

Artikel 4.

Diese Verordnung tritt am 1. November 1941  in Kraft. Deze verordening treedt op 1 November 1941 in werking.

Den Haag, am 22. Oktober 1941.

Der Reichskommissar für die besetzten
niederländischen Gebiete:


SEYSS-INQUART.

's-Gravenhage, 22 October 1941.

De Rijkscommissaris voor het bezette
Nederlandsche gebied:


SEYSS-INQUART.


De toenmalige voorzitter van de NNV, de opvolger van Ornstein, heeft voor dezelfde moeilijke beslissing gestaan als Debye, namelijk de leden meedelen dat

gezien de dwingende heersende omstandigheden het lidmaatschap van  joden,  zoals beschreven in de VO 199/1941, binnen de Nederlandse Natuurkundige Vereeniging niet meer voortgezet kan worden.
 
Uit onderzoek van Ed Lingeman blijkt dat de volgende personen hun lidmaatschap volgens een bericht in haar tijdschrift hebben opgezegd: 

Dr. M.M. Biedermann (Amsterdam) 
E.A.H.P. Frijda (Wassenaar) 
Dr. M. Goudeket (Amsterdam) 
Ir. S. Gradstein (Eindhoven) 
Drs. A. Keesing (Amsterdam) 
Dr. B. Kahn (Groningen) 
Dr. E.C. Katz (Utrecht) 
L. Kleerekoper (Amsterdam) 
Dr. E.E. Mogendorff (Amsterdam) 
D. Mossel (Amsterdam) 
Dr. A. Pais (Amsterdam) 
Mej. C Polenaar (Amsterdam) 
Dr. G.W. Rathenau (Eindhoven) 
Drs. L. Trijtel (Haarlem) 
Drs. D.A. de Vries (Scheveningen)

Een wel zeer vergaande tegemoetkoming aan de bezetter in vergelijking met de handelwijze van de DPG onder Debye: de namen bleven intern! Ook de snelheid waarmee aan de maatregel gevolg werd gegeven is verbijsterend.

Ook binnen de KNAW is niet alles even koosjer. In een rondschrijven van 19 september 1942 verordert secretaris Woerdeman dat de bibliotheek van de Akademie geen boeken meer zal uitlenen aan ontslagen joodse leden. Door deportatie zouden deze werken verloren kunnen raken...
Archief KNAW Trippenhuis. (zie voetnoot 185 Rapport Meertens)