About Ingrid Van De Linde
Vruchtbare energie
Sculpturen van Ingrid van de Linde
Het werk van Ingrid van de Linde is ‘down to earth’, maar niet in de betekenis van ‘nuchter’ en ‘logisch’ die we doorgaans aan die uitdrukking verbinden. Ze verbindt zich in haar werk als beeldend kunstenaar met de aarde. Ze maakt gebruik van natuurlijke materialen en werkwijzen die handmatig zijn en die ze voor een deel zelf ontwikkelt om tot een vanzelfsprekende verhouding tussen inhoud en vorm te komen. Een goed voorbeeld van die manier van werken is haar bijdrage aan de manifestatie Kanaalkunst Goes in Zeeland in 2010. Bij een schaapskooi in de Wilhelminapolder plaatste ze de sculptuur ‘Strotol’ van 2.65 m. hoog en met een diameter van ook 2.65 m. De vorm is die van een bromtol, het kinderspeelgoed dat zo fascineert doordat de afbeelding die op de tol is aangebracht door het snelle roteren opgaat in een abstracte kleurenfilm. Beeld wordt beweging. Ingrid van de Linde zet dat beeld in haar sculptuur weer stil, hoewel de tol ook in beweging kan worden gebracht. Ze ontwierp met ambachtsmensen een machine om van het stro een koord te spinnen waarmee ze op een ijzeren onderstel de tol kon bekleden. Het verse stro had een goudgele gloed, waardoor bij het begin van Kanaalkunst er een gouden tol in een groene weide stond. Door het zonlicht verbleekte op den duur het stro tot een valer geel, maar de referentie aan het sprookjesverhaal waarin van stro goud wordt gesponnen bleef met de sculptuur verbonden.
In de schaapskooi zelf hing Ingrid van de Linde objecten op die ze had gemaakt van met name schapenwol: ‘Windhuis’ en ‘Lichtekooi’. Deze sculpturen zijn ook vrij groot (2.20 m en 2.40 m ) en verwijzen direct naar vruchtbaarheid en energie. Vrijwel al haar werk wordt gekenmerkt door een verbondenheid met natuurlijke elementen. De Zeeuwse klei, de Oosterschelde, de polder zijn voor haar de leidraad bij het maken van haar werk. Die elementen hebben in hun kern iets ruws en rauws, waar ze in haar werk een persoonlijke verhouding mee aangaat van intimiteit en innerlijke noodzaak. Opvallend is dat ze die verbondenheid met de elementen in haar directe omgeving, die haar vanaf haar vroegste jeugd hebben gevormd, herkent op onherbergzame plaatsen elders in de wereld: de Himalaya, Birma, Jemen.
Daarmee laat ze zien dat die elementaire verhouding met natuurlijke verschijnselen niet plaats- en persoongebonden is, maar dat er een universele band is die ze zichtbaar wil maken. Dat besef wordt des te sterker als zij zich volkomen op zichzelf teruggeworpen weet. Allerlei particuliere overwegingen, herinneringen en sentimenten gebruikt ze als voedingsbodem om haar sculpturen tot stand te kunnen brengen, maar in het maakproces overstijgt ze die individuele overwegingen om tot vormen en betekenissen te komen die voorbij gaan aan persoonlijke drijfveren. Die zetten haar hooguit in gang. Er ontstaat een raadselachtig beeld dat iets zegt over de oorsprong van ons bestaan en over de bestemming die we niet uit de weg kunnen gaan. Uiteindelijk levert het beelden op waarvan niemand zeker weet waaraan het belang ontleent, maar die onmiskenbaar zijn gemaakt door de kunstenaar die Ingrid van de Linde heet.
Alex de Vries, 11 augustus 2010