Bespreking Engelstalige  Astrologieboeken

                                                 door J. Ligteneigen                                  

 

Menu zonder JAVA

 

Home

 

Astronomie

Artikelen

Downloads Gratis

Enquete

Lessen

Overig nieuws

Produkten

Servicepagina

Sitemap
Tijdschriften

Verwijzingen

 

Mail

 

 

 

 

 

 

 

Home > Boeken > Boekeng01

Titel: Astronomica

Auteur: Marcus Manilius

Uitgever: Harvard University Press

Plaats: Cambridge, Massachusetts (USA), London, England

Jaar: 1997

Aantal blz.: 386

Register: ja, zeer uitgebreid + literatuurverwijzingen

Afbeeldingen: Uitvouwbare hemelkaart en een kaart van wereld, zoals Manilius deze zag. 
                       Daarnaast diverse afbeeldingen in de uitgebreide Introduction.
Prijs : 19,75 euro
ISBN: 0-674-99516-3

 

                            Voorkant van het boek Astronomica van Macus Manilius

Samenvatting:

Dit mooie en uitgebreid gedocumenteerde boek is voornamelijk te danken aan de editor, G.P. Gould. Gould is Emeritus van Latijnse Talen en Literatuur aan de Yale University in de USA. Gould heeft vrijwel alles bestudeerd van Manilius en heeft ook erg veel studie gedaan naar de eerdere inspanningen van A.E. Housman, die de meest omvangrijke studie heeft verricht naar de werken van Marcus Manilius.

De Astronomica is een werk bestaande uit 5 boeken, geheel geschreven in het Latijn. Alle boeken zijn geheel in dichtvorm geschreven, ook de tabellen, cijfers, e.d.
Marcus Manilius leefde in de tijd van de Romeinse keizers Augustus en Tiberius en dit werk is wellicht de oudste verhandeling over de astrologie. In ieder geval is dit boek ouder dan de Tetrabiblos van Ptolomeus dat ongeveer in de 2e eeuw na Chr. Werd geschreven.

Dit werk, de Astronomica is over een lange periode van Manilius’ leven geschreven, waarschijnlijk tussen 20 v. Chr. en 14 na Chr. Deze editie is volledig in het Engels vertaald en op vrijwel elke bladzijde zijn voetnoten geplaatst die verwijzen naar de studies van eerdere schrijvers/onderzoekers en geven ook interessante informatie over astronomische verschijnselen, extra verklaringen en zo meer.
De Latijnse tekst is steeds op de linkerpagina geplaatst en de vertaalde Engelse tekst staat rechts. Alle versregels zijn genummerd om de 5 regels. In de zeer uitgebreide introductie van ruim 110 bladzijden worden tabellen en afbeeldingen weergegeven en vindt u tevens een uitgebreide verklaring van wat u in elk boek te wachten staat.

Dit boek, tesamen met de Tetrabilbos van Ptolomeus zouden eigenlijk deel moeten uitmaken van de standaard boekenverzameling van elke serieuze astroloog. U moet natuurlijk wel de Engelse taal machtig zijn.

***** Conclusie: een zeer sterke aanrader voor iedereen.

Hierna vindt u van elk van de vijf boeken uit de Astronomica een uitgebreidere samenvatting

Boek-1:

Het eerste boek bevat 926 versregels. Manilius neemt een aanloop in de eerste 117 regels door te verklaren dat hij over de astrologie gaat “zingen” en dat Mercurius de weg heeft geplaveid voor een interesse in de hemelse verschijnselen. Vóór die tijd leefde de mens in een onbewuste toestand, maar de ontwaking van zijn bewustzijn leidde tot de voortgang in deze wetenschap (de astrologie)
Hierna volgt in de versregels 118-254 de oorspong en aard van het universum en Manilius somt een aantal theorieën op over de oorsprong ervan. De Aarde hangt in het universum, volgend uit de (schijnbare) beweging van de Zon, Maan en Venus. Alle hemellichamen zijn rond volgens Manilius, daarom kunnen wij niet overal dezelfde constellaties zien.

De versregels 255-531 vormen het belangrijkste deel van dit eerste boek, een soort Sphaera, zoals ook Aratus (315-245 v.Chr.) drie eeuwen daarvoor al had beschreven.
In Manilius’ Sphaera komen de 12 tekens aan bod, dan de Noordelijke constellaties en tot slot de Zuidelijke constellaties.
In de introduction is een zeer uitgebreid commentaar aanwezig over deze passage van boek-1 met een lijst van vaste sterren volgens Manilius met uitgebreide informatie over oorsprong en passages waar de betreffende ster in de Astronomica nog verder wordt beschreven.

Hierna wordt heel kort aandacht besteed aan de planeten, veel te kort in verhouding tot de andere onderwerpen. Blijkbaar was het voor Manilius erg moeilijk om kort en krachtig én in versvorm de invloeden van de planeten te vermelden. Ook Aratus schrijft hierover in zijn Phaenomena, 460 : “als het op hen aankomt (de planeten), dan falen mijn pogingen”

In de versregels 539-804 worden de cirkels van de hemel beschreven: de noordelijke poolcirkel, de kreeftskeerkring, de evenaar, de steenbokskeerkring en de zuidelijke poolcirkel. Manilius gebruikt hier de 60-graden cirkel, die ook door Eudoxus (408 v.Chr.) en Geminus (110-40 v.Chr.) werden gehanteerd, zie de afbeelding hieronder.

De cirkels zoals deze door Manilius worden beschreven

Elke genoemde graad dient met 6 te worden vermenigvuldigd om de omzetting naar de huidige 360-graden cirkel te verkrijgen.
Manilius hanteert hier als Noordelijke poolcirkel 54° NB, gebaseerd op de waarnemingsplaats op Rhodos. Vanuit Rhodos gezien, gaan de sterren boven een breedte van 54 graden niet meer op of onder, maar blijven voortdurend zichtbaar.
De kreeftskeerkring is op 24 graden NB vastgesteld door Manilius, maar deze is in werkelijkheid ongeveer 23°26’.

Hierna worden de meridianen beschreven, de zodiak en tot slot de melkweg. Uiteraard moeten wij ons verplaatsen in de kennis die men 2000 jaar geleden bezat over het universum en andere sterrenstelsels. Dan wordt het logisch waarom Manilius 6 verschillende mogelijke oorzaken noemt voor het ontstaan en wezen van de melkweg.

Het laatste deel van boek-1 is gewijd aan komen en meteoren en hun diverse verschijningsvormen.


Boek2-:

Boek-2 is pure astrologie met nieuwe gezichtspunten die zelfs in Ptolomeus’s Tetrabiblos niet genoemd worden.

Na een introductie (regels 1-149) bespreekt Manilius in de regels 150-269 de tekens van de dierenriem, bespreekt mannelijke- en vrouwelijke tekens, dubbeltekens (waarbij Steenbok ook als dubbelteken wordt gezien: bok + vissenstaart) en het feit dat de tekens Stier, Tweelingen en Kreeft ondersteboven opkomen aan de hemel, dit in tegenstelling tot alle andere tekens.

Verder beschrijft Manilius dag- en nachttekens, vruchtbare- en onvruchtbare tekens en tekens die een bepaalde houding aanneming, zoals rennend (Ram, Leeuw, Boogschutter) of staand (Tweelingen, Maagd, Waterman), enz..
In de versregels 270-432 worden de relaties die de tekens met elkaar hebben, besproken. Allereerst de driehoeksverbindingen (zoals Ram, Leeuw, Boogschutter, enz..), daarna worden de 3 grote vierkanten beschreven (Ram, Kreeft, Weegschaal, Steenbok, enz..). Hierna volgen de tekens die door sextielen met elkaar verbonden zijn: deze verbinden tevens alle mannelijke- en vrouwelijke tekens met elkaar.
Tekens die elkaar buren zijn of die gescheiden worden door 4 andere tekens (dus de inconjuncties), zijn krachteloos volgens de schrijver.
Tot slot worden de paren tekens besproken die met elkaar in oppositie staan. Deze werken erg krachtig, maar lang niet altijd harmonieus, ondanks dat ze innig met elkaar verbonden zijn.

Hierna volgen de toewijzingen van de tekens aan de lichaamsdelen, zoals wij die nu nog steeds kennen, met hier en daar kleine verschillen.

In de passage met versregels 466-692 worden allerlei relaties tussen tekens beschreven die volledig nieuw zijn en bijzonder interessant, zoals de videntia (tekens die elkaar zien op gelijke parallelhoogten of de audentia (tekens die elkaar horen) op gelijke afstand van de as Kreeft-Steenbok, de amantia en de insidiantia, een zeer verrassende uiteenzetting die uniek is ten opzichte van alles dat in latere eeuwen is geschreven.

Hierna komen de diverse vijandschappen aan bod, die er tussen tekens kunnen voorkomen, zoals het 1e en het 3e trigon (Ram, Leeuw, Boogschutter) en (Tweelingen, Weegschaal, Waterman): niet alleen staan deze driehoeken tegenover elkaar, maar ook staan dierlijke tekens tegenover menselijke tekens. Een verdere uiteenzetting volgt over welke tekens niet goed met elkaar kunnen opschieten.
Een belangrijke passage 643-692 gaat over het belang van de kardinale hoeken in de horoskoop.

Passage 692-737 gaat over de verdeling van elk teken in 12 kleinere delen van 21/2 graad. Deze worden toegekend aan de tekens in een bepaalde volgorde. Hierdoor heeft niet alleen het dierenriemteken zijn eigen invloed, maar komt er ook een wijziging door het teken van de bewuste onderverdeling.

Passage 738-748 gaat over planetaire beheersing van elk deel van een teken, zoals in de figuur hieronder is afgebeeld:

Planetaire beheersing van de graden van de zodiak

Elke planeet beheerst een halve graad binnen het teken in de volgorde Saturnus, Jupiter, Mars, Venus en Mercurius. Hierna herhaalt het patroon zich, zoals duidelijk in de afbeelding te zien is.

In het laatste deel (de versregels 788-967) gaat het over de basale indeling van de horoskoop in de vier kardinale sectoren. Ook de vier beginpunten van deze kardinale sectoren oefenen een zeer grote kracht uit op de daar aanwezige planeten.

Interessant is het gedeelte vanaf regel 856, waarin Manilius de tussengelegen huizen doorneemt. Deze heten in dit boek tempels en krijgen in het kort een betekenis toebedeeld die hier en daar sterk afwijkt van de huidige betekenis. Zo wordt onder andere de tempel tegenover de Ascendant verantwoordelijk gehouden voor de dood en het einde van het leven, hetgeen tegenwoordig een achtste-huis aangelegenheid is. Manilius geeft de huizen geen cijfer, zoals wij tegenwoordig wel doen, maar hij beschrijft ze op indirecte wijze, wat wel tot complicaties leidt, omdat makkelijk gedacht kan worden dat Manilius slechts 8 huizen beschrijft in plaats van twaalf. En heel vroeger kende men ook maar slechts 8 huizen, dus de verwarring kan groot zijn.

De vier kardinale huizen worden nl. ook niet apart genoemd, wél echter de vier hoekpunten (Ascendant, Descendant, MC en IC).


Boek-3

Na een korte inleiding wordt in de versregels 43-159 een nieuwe cirkel geïntroduceerd: de cirkel van de zogenaamde Athla (ofwel de cirkel der Parsen). De betekenis van elk van de twaalf Athla wordt beschreven en men dient deze betekenis te gebruiken bij de hierna verklaarde berekening van het Pars Fortuna en de andere 11 “parsen”, die hiervan worden afgeleid.
In de regels 160-202 worden twee manieren beschreven om het Pars Fortuna te berekenen: één voor de daggeboorte (Zon boven de horizon) en één voor een nachtgeboorte. Het aldus berekende Pars Fortuna is het “Pars van het eerste huis”. Tel bij dit Pars 30 graden op en men verkrijgt het “Pars van het tweede huis” en zo verder tot alle “Pars-en” bepaald zijn. Met de uitleg van passage 43-159 kan men de invloed van deze Pars-en verder uitwerken.

In de regels 203.-509 wordt het berekenen van de Ascendant beschreven. Omdat er toen nog geen mooie huizentabellen bestonden, werd de Ascendant (men noemde de Ascendant vroeger ook wel de horoskoop) bepaald door de tijd te meten tussen de geboorte en de Zonsopkomst, of, indien dit beter uitkwam, tussen geboorte en Zonsondergang.

Hiertoe wordt als voorbeeld de situatie in Rhodos aangegeven.

Het aantal uren dat de Zon boven en onder de horizon staat te Rhodos

In de winter (Zon in Steenbok) zijn er 91/2 uren waarbij de Zon boven de horizon staat. Op de eerste lentedag (Zon nul graden Ram) zijn dat 12 uren en in de zomer (Zon in Kreeft) zijn er 141/2 uur dat de Zon boven de horizon staat. In het boek worden 15 uur als voorbeeld aangehouden. Op de langste dag van het jaar verblijft de Zon dus 15 uur boven de horizon en 9 uur er beneden.

Op basis hiervan worden deze 15 uur gedeeld door 6 en dit levert 21/2 uur op voor het rijzen van het teken Leeuw.  Op basis van de 9 uur (dat de Zon onder de horizon blijft), gedeeld door 6 levert dit 1½ uur op en dit is de tijd voor het rijzen van het teken Stier.
Het verschil tussen 2½ (rijzen van Leeuw) en 1½ (rijzen van Stier) wordt gedeeld door 3 en dit levert 1/3 uur op.
Te beginnen met Stier, tel hierbij dit 1/3 uur op en men verkrijgt 1 5/6 uur voor het rijzen van Tweelingen. Hierbij weer 1/3 uur erbij is 2 1/6 uur voor het rijzen van Kreeft. Hierbij weer 1/3 uur erbij en men verkrijgt de reeds berekende 2½ uur voor het rijzen van Leeuw. Hierbij nogmaals 1/3 uur opgeteld en dit levert 2 5/6 uur voor het rijzen van Maagd en Weegschaal.
Daarna worden dezelfde getallen gebruikt voor de andere tekens, dus Schorpioen rijst in 2 ½ uur (net als Leeuw) en Boogschutter in 2 1/6 uur (net als Kreeft) en Steenbok in 1 5/6 uur (net als Tweelingen) en Waterman in 1½ uur (net als Stier).
Alles bij elkaar opgeteld levert dit 21 2/3 uur op. Dan resteren nog 2 1/3 uur voor de tekens Ram en Vissen, want die hadden wij nog niet. Per teken wordt dit dan 1 1/6 uur voor het rijzen daarvan.
Dit is 1uur 10min voor 30 graden Ram (of Vissen) en dit betekent dat het teken Ram per 4 minuten 1°43’ rijst aan de Ascendant. Alles was hier bepaald voor Rhodos in het voorbeeld van Manilius.

Zo kan men ook eens voor Nederland bepalen hoe snel de tekens rijzen. Men moet dan voor de langste dag wel weten hoeveel uur de Zon boven en beneden de horizon blijft. Volgens mijn idee is dit resp. 16½ en 7½ uur en  zo krijgt men veel inzicht over snel en langzaam rijzende tekens, ook nu nog erg belangrijk voor de beoordeling van elke horoskoop.

In het gedeelte met de versregels 510-559 beschrijft Manilius hoe de tekens bepalend zijn voor de diverse leeftijdsfasen van iedere persoon. In de regels 560-617 geeft Manilius de jaren, afhankelijk van het teken dat op de Ascendant staat, in combinatie met het teken dat door de Maan bezet wordt.

In de laatste passage (618-682) beschrijft Manilius de veranderingen die optreden als gevolg van de kardinale tekens Ram, Kreeft, Weegschaal en Steenbok. Deze passage staat een beetje los van de rest van de onderwerpen van boek-3, maar vormt niettemin een mooie afsluiting van een interessant boek-3.


Boek-4

Het vierde boek bestaat uit 925 versregels en gaat nader in op de onderverdelingen van de tekens. Na zijn inleiding (1-110) gaat Manilius in op de verschillende eigenschappen wanneer de diverse tekens op de Ascendant verschijnen, althans dat mag worden verondersteld uit zijn andere versregels.De beschrijvingen worden op humoristische manier gedaan.

In de versregels 294-407 worden de decanaten beschreven die waarschijnlijk afkomstig zijn uit Egypte (volgorde Ram: ram, stier, tweelingen; Stier: kreeft, leeuw,maagd; enz…Leeuw: ram,stier,tweelingen….) en dit systeem wijkt af van de twee systemen die wij tegenwoordig kennen (op basis van drievuldigheden of op basis van de Chaldeeërs).

In de passage met de regels 408-501 worden de zogenaamde “partes damnamdae” beschreven (schade berokkenende punten) en hier worden de 360 graden van de zodiak individueel benaderd, niet allemaal, maar slechts dié welke schadelijk werken. In onderstaande tabel zijn deze weergegeven :

In het deel 502-584 wordt de invloed van bepaalde zodiakale graden beschreven, maar deze opsoming is erg kort en bondig.
Interessanter is de beschrijving van de wereld in de versregels 585-710 gevolgd door een beschrijving van verschillen tussen bepaalde volkeren (711-743), dat weer gevolgd wordt door een beschrijving  van de landen die aan bepaalde tekens zijn toebedeeld (regels 744-817).

De wereld volgens Manilius strekte zich uit van Europa tot Azië en verder naar het Zuiden tot Lybië, Egypte en Ethiopië, een even “beperkte” wereldvisie als wij in Ptolomeus’ Tetrabiblos aantreffen. Manilius hanteert andere toekenningen dan Ptolomeus, maar die van de laatste worden heden ten dage ook hier en daar betwijfeld.

De voorlaatste passage (regels 818-865) gaat over tekens waarin een Maaneclips valt. Het teken waarin de Maan staat tijdens de Maaneclips, krijgt te “lijden” van deze eclips en ook het teken dat loodrecht hier tegenover ligt. Deze “beperking van de macht” geldt niet alleen voor de duur van de eclips, maar strekt zich uit over een langere periode, die soms een jaar kan duren en zelfs hierna is de verzwakking nog niet voorbij, maar slaat dan over in terugwaartse richting naar de voorgaande teken-paren.

Het vierde boek wordt afgesloten met een positief statement van Stoïcijnse oorsprong: volgens Manilius heeft de mens de kracht om de geheimen van de toekomst te onthullen. Want God leeft in de mens en door de mens een vleugje goddelijk intellect te schenken, wordt de mens uiteindelijk verheven tot goddelijke hoogten….


Boek-5

Dit laatste boek uit de Astronomica telt 745 versregels en is tevens een veelbesproken boek, omdat hierin ongeveer 140 versregels ontbreken die waarschijnlijk aan de planeteninvloeden gewijd zijn. Op diverse plaatsen in de Astronomica worden toespelingen gemaakt naar een uitgebreidere tekst over de planeten, maar die wordt echter nergens in het werk aangetroffen.

In de zeer korte inleiding van 29 versregels beweert Manilius dat andere poëten hier gestopt zouden zijn, maar onze dichter doet nog even een zeer dikke ronde langs alle tekens, wanneer deze aan de Ascendant boven de horizon verschijnen. In deze zeer lijvige passage (32-709) worden de zogenaamde paranatellona uitvoerig behandeld.

Dit deel van het boek is het meest artistieke en bewijst tevens de grote kunst van Manilius om met zijn rhetorische gave een geestige omschrijving te geven van de eigenschappen wanneer een bepaalde zodiakale graad op de Ascendant verschijnt. In de meeste gevallen worden ook de sterren (soms ook sterrenconstellaties) genoemd die mede rijzen aan de Oostelijke horizon, zoals bijvoorbeeld Argo aan de linkerzijde van het teken Ram (op 4 graden).

Bij de beschrijving van de 12e graad Vissen wordt de constellatie Andromeda beschreven die aan de rechterkant met de 12 graad Vissen mee verschijnt aan de Oostelijke horizon. Manilius gaat hier “buiten zijn boekje” door in tegenstelling tot de andere zodiakale graden hier heel uitgebreid de oude mythe te beschrijven, waarin het meisje Andromeda wordt geofferd. Cassiepia, de vrouw van Cepheus schepte op dat Andromeda’s schoonheid groter was dan dat van de zeenympfen, de Neiriden. Posseidon (Neptunus) was hier zó kwaad over, dat hij een vloedgolf stuurde die het land overspoelde en het monster (Cetus) zou het meisje Andromeda moeten verslinden om de vloek weer ongedaan te maken. Perseus redde haar van een gewisse dood en nam haar mee. Waarom Manilius hier zo uitgebreid op in gaat (bijna 100 versregels) is onduidelijk. Een mooi verhaal is het zeker wel.

Vanaf regel 709 is er een lacune in de tekst, want de schrijver was zojuist begonnen aan de beschrijving van Helice (= de Grote Beer). Als laatste zou de beschrijving van Draco gevolgd zijn. Dit kan worden afgeleid uit de werken van Julius Firmicus Maternus (3e eeuw na Chr.) , die Manilius op de voet volgde met zijn eigen “Mathesis”. In de Mathesis boek 8.17.7) vindt men de passage over Draco, waarvan het sterrenbeeld hieronder is getoond (bron: Wikipedia op het internet).

Na het lange stuk over de paranatellona zou er dus een passage ontbreken van ca. 140 versregels  waarin Manilius de invloed van de planeten zou beschreven hebben. Op zichzelf zijn  140 regels bijzonder weinig en het lijkt me ruim onvoldoende om hierin de invloed van de planeten werkelijk te kunnen beschrijven. Maar goed, laten wij voorop stellen dat Manilius hier in geslaagd was. Helaas zullen wij deze versregels hier moeten missen.

In het voorlaatste deel (regels 710-745) beschrijft Manilius hoe de sterren zijn georganiseerd in zes groepen van helderheid (magnitude). 5 regels gaan over de sterren van een 3e magnitude, in de volgende 10 regels wordt alleen maar het bestaan vermeld van sterren van de 4e , 5e en 6e magnitude zonder deze te noemen.

Het is duidelijk dat bijna 150 jaar vóór Ptolomeus er al een indeling bestond van sterren in zes klassen van helderheid. De uitstekende sterrencatalogus van Ptolomeus grijpt terug op het eerdere werk van Hipparchos, die 4 eeuwen dáárvoor al een uitgebreide studie deed naar de sterrenconstellaties en zodoende de precessie van de Aardas ontdekte door de verschillen te bepalen tussen zijn waarnemingen en die van nóg veel eerdere tijden.

Ook hier in Manilius’ werk is er een verloren deeltje van ca. 30 versregels, waarin waarschijnlijk de sterren van de 1e en 2e magnitude staan beschreven. In de bladzijden 101 t/m 105 van de Introduction geeft Gould een uitgebreid overzicht van alle sterren van de constellaties van de 1e, 2e en 3e  klasse magnitude.

Tja, en dan eindigt het 5e boek en tevens de Astronomica vrij abrupt en zonder dat de schrijver naar een einde toe werkt. Het is interessant om nog eens te bedenken dat alles in de Astronomica in dichtvorm is beschreven, dus ook alle berekeningen, alle tabellen en figuren. Dit is een unieke prestatie die men nergens anders aantreft in de astrologische literatuur.

Deze uitgave van de Astronomica is een zeer grondig werk van de editor G.P. Gould. De alleroudste uitgaven die getraceerd zijn, stammen uit de 11e eeuw en schijnen zelf weer af te stammen van een “ouder”-manuscript. Het manuscript M, codex Matritensis 3678 (vroeger M31) is het allerbelangrijkste en ook het meest authentieke manuscript dat direct van de bron afkomstig schijnt te zijn.

Dit manuscript is geheel binnenstebuiten en ondersteboven gekeerd en elke letter en elk komma is bestudeerd. Na alle bewerkingen en ca. 25 verschillende versies later is uiteindelijk deze uitgave tot stand gekomen, rijkelijk voorzien van commentaren, afbeeldingen en tabellen.

Ondanks dat het astrologisch inhoudelijk nog lang niet op hetzelfde niveau staat als de Tetrabiblos van Ptolomeus, is de Astronomica toch vooral een poëtisch kunstwerk en het feit dat dit werk ca. 150 jaar vóór de Tetrabiblos is verschenen, maakt het al erg interessant op zich.

Om mijn conclusie nog maar eens te herhalen, en hiermee sluit ik de bespreking van dit werk af : dit werk mag niet ontbreken als een (klassiek) onderdeel van de boekenkast van elke zichzelf respecterende astrologiebeoefenaar.

Opgemaakt:  6 november 2005  © J. Ligteneigen

Pagina layout: 09-12-2008

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

______________________________________________

Pagina voor het laatst bewerkt op / Page maintained on:  31/12/2008