Schriftlezing: 1 Korinthe 2: 6-16 en Matteüs 5: 1-12

Tekst/thema: ‘De kracht van Gods Geest’

Ooit heb ik in mijn eerste gemeente de oude notulen doorgelezen. Het was een Gereformeerde Kerk, in 1888 geďnstitueerd. Een paar jaar later, ergens in het midden van de jaren negentig, verscheen een man die met zijn gezin gedoopt wilde worden. Zoals gebruikelijk werd de man stevig aan de tand gevoeld over zijn beweegredenen en kennis. De kerkenraad besloot vervolgens om het verzoek in te willigen. In de notulen was de verwondering en de vreugde te proeven. Na het positieve besluit ging de kerkenraad op de knieën en dankte God. Zulke bevlogenheid, zo’n elan, dat past bij een nieuwe beweging, bij een nieuwe gemeente als deze. Later wordt de toon zakelijker, ontstaan structuren.
Dit gebeurt niet alleen in de kerk, ook elders in de samenleving. In het begin was D66 een partij met vernieuwende ideeën, fris, sprankelend. Nog steeds probeert de partij dat te zijn, maar tegelijk is het een partij te midden van andere politieke partijen.
Maar we kunnen ook een stuk dichter bij huis blijven, letterlijk ook. Vrijwel iedereen hier heeft in de afgelopen jaren in Leidsche Rijn een nieuw huis betrokken. In het begin is alles nieuw, draagt alles een soort van spanning. Eindelijk ruimte! Het ruikt nog naar verf. De buren zijn alleraardigst. Maar na verloop van jaren is het wezenlijk anders. Het huis is eigenlijk al weer te klein. De buren zijn toch niet zó aardig, dat merkte je vooral bij een conflict over de schutting.
Zo kan ook het geloof zijn kleur verliezen, min of meer gewoon worden: een aantal rituele momenten, gebed, naar de kerk, het lezen van de Bijbel. Hoe houden we het ‘leven’ erin?!

We weten dat Paulus in Korinthe aan een verdeelde gemeenschap schrijft, met min of meer ingegraven posities. De een zegt: ik ben van Paulus. De ander: ik van Apollos. En een volgende: ik van Petrus. Hoe krijg je beweging in zulke vastgeroeste patronen?
Paulus doet een appčl op het gedeelde geloof, samengevat: het geloof in een gekruisigde Christus. Paulus vertelt hoe hij naar Korinthe is gekomen. Hij stelt zich daarbij kwetsbaar op. ‘Ik was niet welbespraakt, ik had geen vlotte babbel.’ ‘Ik was niet bijzonder wijs of verstandig.’ ‘Ik was zwak, angstig en onzeker.’ ‘Ik had een boodschap die haaks stond op gangbare denkbeelden: een gekruisigde en opgestane Heer.’ Met andere woorden: Paulus was verre van imponerend. Tóch overtuigde Paulus. Dat is wonderlijk. Paulus concludeert: het is geen menselijke kracht geweest, maar God zelf, Gods Geest heeft door mij gewerkt.
Terzijde: beseffen we welke radicale vraag Paulus hier stelt? Wij proberen te zorgen voor een sfeervol kerkgebouw. We proberen onze diensten aantrekkelijk te maken, met de beamer, met muziek. We proberen de organisatie zo professioneel mogelijk op te zetten. Ik doe daar zelf ook volop aan mee. Het ‘werkt’, of het lijkt in ieder geval te werken. Bedenk dan wel, zo suggereert Paulus ons: de boodschap van geloof en kerk zijn van een andere orde, van een andere ‘wijsheid’. De overtuigingskracht ligt niet in dit soort georganiseerde uiterlijk heden, de kracht ligt in de boodschap, sterker nog, in God zelf, in Zijn Geest.

Terug naar Paulus. Paulus heeft zich gepositioneerd als van Gods Geest afhankelijk. Dat doet hij in de ik-vorm. Vervolgens gaat hij over op de wij-vorm. Paulus zoekt contact met de mensen in Korinthe. Hij vereenzelvigt zich met hen. Geen tegenover, maar sámen. Niet alleen Paulus verkondigt de vreemde wijsheid van God, ook zij. ‘Ons (!) heeft God geopenbaard …’.
Het kruis van Jezus kan snel gewoon worden. Ooit was het het teken van een enthousiaste, bevlogen groep van volgelingen. Later is het geďncorporeerd, ingekapseld, deel van de kerkelijke organisatie, een systeem. Overal zien we kruisen. Op kerken. Op hangertjes, oorbellen, siervoorwerpen. In kerken, ook in ‘De Hoef’. Op begraafplaatsen. Op de omslag van Bijbel of liedboek. Overal zien we ze. Ofwel: we zien ze niet meer, niet meer écht. Dit vreemde teken dringt niet meer tot ons door. Het is een verschrikkelijk martelwerktuig. Het is een teken van schande. Maar ook: het is het teken van de heilzame weg van Jezus, de dwaze weg van God, tot vergeving van zonden. Waar is onze verbijstering? Waar is onze verwondering?
Paulus lijkt een scherp onderscheid te maken tussen de wijdheid van de wereld en de wijsheid van de gelovige. Alsof het zwart-wit is. Toch is het de vraag of Paulus wel zo scherp onderscheidt. Hij heeft het over een menselijke, aardse wijze die ons (aan)geleerd is. Ook wij hebben te maken met de aantrekkingskracht van de menselijke wijsheid. Die is ons eigen. Die trekt steeds weer.
Wat hebben we nodig om op het juiste spoor gezet te worden, geďnspireerd te worden, iets te doorgronden van Gods wijsheid? Dat is Gods Geest. Paulus voert als het ware een offensief van de Heilige Geest. In een paar zinnen gebruikt hij in totaal twaalf keer het woord Geest (geest) of Geestelijk (geestelijk). De Geest brengt ons bij God. De Geest leert ons geestelijk te spreken. De Geest leert ons zaken geestelijk te beoordelen. Dat kunnen we niet uit onszelf, daar hebben we deze Kracht van buiten voor nodig. Paulus omschrijft het als: ‘wat geen oog heeft gezien, wat geen oor heeft gehoord, wat in geen hart is opgekomen’. Niet de SMRA, de ledenadministratie bepaalt uiteindelijk wie of wat de kerk is. Dat is Gods Geest, Die brengt ons bij Jezus Christus.

De reikwijdte van wat Paulus schrijft is groot. Het is uit Jezus Zelf! Uit zijn mond horen we de vreemde gelukkigsprekingen. Gelukkig de treurenden, zij zullen getroost worden. Gelukkig de zachtmoedigen, zij zullen land bezitten. Gelukkig de barmhartigen, zij zullen barmhartigheid ondervinden. Welbeschouwd is dat naar menselijke maatstaven allemaal dikke onzin, dromerij. Het is ver van alle logica, er is geen wetboek van te maken. Zo werkt het niet. Geluk voor treurenden? Wij zeggen: je moet zelf voor je geluk vechten. Zachtmoedigen? Wij zeggen: je moet assertief zijn, anders kom je nergens. Barmhartig? Wij zeggen: al te goed is buurmans gek. Toch, toch durft Jezus te zeggen dat het zo niet ligt, dat wij ongelijk hebben. Dat geloven, dat gaat niet vanzelf.

Lang geleden, elders, bracht ik bij een man een kennismakingsbezoek. Hij was ernstig ziek geweest. Als gevolg daarvan was hij ook nog eens overspannen geraakt. Hij had geen contact gezocht met de kerk, hij had ook geen bezoek gehad. Hij wist, heel nuchter: dat is dus mijn eigen schuld. Tegelijk had hij het (predikants)bezoek wel gemist, ‘want’, zo zei hij, ‘ik had iemand nodig die mij kon zeggen dat het goed zou komen.’ Natuurlijk wist hij dat een predikant in wereldse zin zoiets nooit kon zeggen. Dat is een zaak van de medische specialist, van de psycholoog of de maatschappelijk werker, hoe voorzichtig die in zo’n situatie ook zouden zijn geweest. Hij had iets willen horen, of anders zelfs alleen maar voelen en ervaren van: ‘wat er ook gebeurt, hoe het ook verder gaat, met jou, met je ziekte, je valt nooit uit Gods hand, nooit.’ In horizontale termen is dat natuurlijk volkomen irreëel. Maar door de kracht van de Geest is juist in die verzekering Gods redding gelegen.

Utrechtleidscherijn/110130

http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2011, KWdJ