Schriftlezing: I Korinthe 12: 4-6, 12-31

Tekst/thema: '... hoort hij er dan werkelijk niet bij?' (vs. 15-16)

In deze dienst werd Henriëtte Nieuwenhuis ingeleid in de bediening van kerkelijk werker.

Paulus stelt ons vanmorgen voor problemen. Het klopt niet, wat hij zegt. Of in ieder geval: het klopt niet helemaal. Paulus schrijft dat het oog niet tegen de hand kan zeggen: ik heb je niet nodig. Dat klinkt logisch. Met de hand brengen we voedsel naar onze mond. Dat voedsel zorgt er vervolgens voor dat we energie krijgen. Dus ook: dat het oog kan zien. Toch klopt het niet, de vergelijking klopt niet. Paulus spreekt over de gemeente, over verscheidenheid aan gaven, aan mensen. Hij onderstreept dat ieder zijn eigen gaven, zijn eigen inbreng heeft. Iéder is nodig. De een is geen spreker, maar uitstekend in het ontvangen van gasten. Een volgende kan absoluut niet zingen, maar heeft een fraaie stem om voor te lezen. Sprekers hebben we nodig, maar ook iemand die gasten ontvangt, net zo goed als zangers in de cantorij en voorlezers in de zondagse eredienst. Tot zover klopt het. Maar wij zijn kerk in een wijk met meer dan 22.000 inwoners. Van die mensen is zo’n 4 à 5 % lid van onze gemeente. Van die 4 à 5 % is vervolgens opnieuw zo’n 4 à 5 % actiever betrokken. Paulus mag dan wel stellen ‘het oog kán niet tegen de hand zeggen “ik heb je niet nodig”’, het gebeurt wel. Te midden van de 1000 die wij in de kaartenbak hebben staan, zeggen velen dat ronduit. Paulus zegt: het kan niét. Vele leden zeggen: het kan wél. Ik mis de kerk niet. Ik geloof ergens wel … .

Wat nu? Paulus schrijft aan een tot op het bot verdeelde gemeente. Groepjes, kliekjes, de gemeente van Korinthe is er vol van. Ik wil me dit keer echter concentreren op de vergelijking die Paulus maakt tussen de gemeente en het menselijk lichaam. Hij heeft daarbij naar alle waarschijnlijkheid gebruik gemaakt van een oud verhaal, een fabel die zelfs 1100 v Chr. al bekend was in de Oosterse wereld. De fabel luidt in de versie van de 6e eeuwse Aesopus als volgt.
‘Lang geleden hadden de ledematen van het lichaam onderling ruzie. Ze waren diep verontwaardigd omdat zij gedwongen waren te werken voor de Maag, die niets uitvoerde, maar enkel profiteerde van de vruchten van hun arbeid. De een na de ander besloot in opstand te komen en niet langer medewerking aan de Maag te verlenen, maar hem zo goed als het ging, voor zijn eigen belangen te laten zorgen. De Handen protesteerden, en zeiden dat zij geen vinger meer zouden uitsteken om hem voor de hongersnood te bewaren. De Mond beweerde dat hij liever nooit meer een woord zou spreken, dan nog iets te doen om de Maag in leven te houden. De Tanden weigerden beslist nog maar één korrel brood voor hem te kauwen. De plechtige afspraak werd zolang nagekomen als iets dergelijks kan worden nagekomen, namelijk tot dat elk van de opstandige ledematen verging van pijn in de huid en de beenderen, en het niet langer uit kon houden. Toen ontdekten zij, dat zij het niet konden stellen zonder de Maag en dat, hoe onbelangrijk en onbeduidend hij scheen, hij evenveel bijdroeg tot de instandhouding en gezondheid van alle andere leden, als zij er zelf voor deden.’
Ik weet niet of u het gehoord heeft, maar er is een wezenlijk verschil tussen Paulus’ brief en deze fabel. In de fabel klinkt het: ‘Toen ontdekten ze, dat ze niet zonder de maag konden.’ Proefondervindelijk ontdekken ze … . Een concrete ervaring vormt de basis voor de conclusie. Paulus gaat een stap verder: het oog kan niet zeggen ‘ik heb je niet nodig’. Het is een klein verschil met grote gevolgen. Wij zeggen tegenwoordig heel snel: Paulus spreekt dogmatisch, zij uitspraak staat los van de realiteit. Toch, juist dat geeft dat vandaag houvast. Immers, als de ervaring de doorslag zou geven, dan zou dan zou het met die ervaring vervolgens over en uit zijn. Het werkt niet. Ophouden dus … . Mensen zeggen dat ze prima zonder de kerk kunnen, zonder gezamenlijk gedeeld geloof, misschien denken ze heimelijk zelfs zonder Jezus, zonder God … . Paulus zegt echter: dat geeft voor mij niet de doorslag. Het gaat om een overtuiging, het gaat om geloof. Voor Paulus ligt er een opdracht. De gemeente, dat is het lichaam van Christus, geloven dat is principieel sámen. Elders schrijft Paulus over Jezus Christus als het Hoofd van het lichaam. Hoe dan ook, juist door de gemeente, door de kerk komen we dichter bij Christus, bij Zijn oneindige liefde, bij de warmte en geborgenheid die God ons in Hem wil schenken.

Wat doen wij, wat doet Henriëtte straks met deze wetenschap? Het zal duidelijk zijn: het heeft geen zin om tegen mensen te zeggen dat we ze nodig hebben, laat staan dat zij ons nodig hebben. Dat zal niet werken, dat spoort niet met hun ervaring. Maar wat dan wel?
Het is vandaag de vraag of wij het beeld van het lichaam wel voldoende serieus nemen. Paulus zegt: ‘Het lichaam bestaat niet uit één deel, maar uit vele.’ Beseffen we wel wat dat betekent? Wij kennen alleen bepaalde lichaamsdelen, die herkennen we. Als het gaat om het bezoek van een kerkdienst, meezingen in de cantorij, deelnemen aan een gespreksgroep … . Wat daarbuiten valt, hoort er voor ons gevoel niet echt bij. Paulus probeert ons er nog op te attenderen dat dat te beperkt gedacht is. ‘Als de voet zou zeggen “Ik ben geen hand”, hoort hij er dan niet bij?’ ‘Of als het oor zou zeggen “Ik ben geen oog” … ?’ Paulus nodigt ons uit op een andere manier te kijken. Ik bedoel vandaag dit, als ik probeer te formuleren wat ons aller taak, wat in het bijzonder Henriëttes taak is. In de eerste plaats is het mensen vragen, wat het geloof voor hen betekent, hoe zij er vorm aan geven. In de tweede plaats gaat het er dan om welke gaven de ander heeft. In de derde plaats komt dan aan de orde hoe die kunnen worden ingezet. Soms kan dat misschien in wat ik maar noem het klassieke gemeenteleven. Maar soms moeten we waarschijnlijk aan heel nieuwe activiteiten denken. Dat vergt creativiteit, inspiratie, gebed. Misschien is er wel iemand met jonge kinderen die zegt: ik wil wel eens in de zoveel tijd mijn huis openstellen voor andere ouders, praten over de opvoeding, over geloofsopvoeding zelfs. Misschien is er iemand die zegt: ik werk onregelmatig, ik heb weinig tijd over, maar ik kan wel voor andere mensen bidden, voor mensen die daar behoefte aan hebben, ik hoef ze helemaal niet persoonlijk te kennen … . Wij dénken mogelijk helemaal niet aan dit soort dingen, we weten niet hoe we ze zouden moeten inpassen, maar dat betekent niet dat we er niets mee zouden moeten … .
Kort samengevat, Henriëtte, gemeente, laat niemand straks meer kunnen zeggen: ‘Ik ben geen hand, dus ik hoor er niet bij.’ Ofwel: ‘Ik heb niet zo’n Bijbelkennis’, of ‘Ik ben niet zo’n kerkganger’, of: … . Ik hoop dat al onze zintuigen worden opengezet, zodat we samen zullen ontdekken dat het lichaam van Christus veel meer omvat dan wij tot op heden dachten. Ik ben ervan overtuigd dat we zo dichter komen bij Hem bij de liefde van Hem die Zijn leven voor ons gegeven heeft, die onze zonde, de zonde van deze wereld heeft weggedragen … . Het lijkt me niet toevallig dat Paulus na dit hoofdstuk zijn hooglied van de liefde schrijft. Het kan niet anders, als iemand het lichaam van Christus in alle delen verkent, dan komt hij of zij uit bij Gods liefde.

Utrechtleidscherijn/091108

http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2009, KWdJ