Schriftlezing: 1 Petrus 2: 4-6

Thema: levende stenen

Bouwplaats gemeente: levende stenen

In de eerste Petrusbrief (2: 5) lezen we: ‘en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken’. Bij het overdenken van zo’n regel helpt het meestal om eerst eens wat te associëren. Levende stenen: dat is een tegenstelling in zichzelf. Een steen leeft niet, een steen is dood, hard, koud, massief, uit zichzelf onbeweeglijk. Toch spreekt Petrus over de gelovigen als lévende stenen. Of ontdekken we hier een diepere waarheid, de tweeslachtigheid van een mens? Hij/zij kan voluit léven, ondanks alle dreiging van ziekte en dood. Maar zij/hij kan zich ook voor dood houden, hoewel het een en al leven is wat op haar/hem afkomt. Petrus daagt uit om het leven te laten overwegen, te laten overwinnen. Niet toevallig knoopt hij in zijn beeldspraak aan bij dé levende steen, Jezus Christus, door mensen verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar (vers 4).

De uitdrukking ‘laat u (…) gebruiken’ kan negatief overkomen. Het klinkt passief. Het riekt naar misbruik. Tegelijk proef ik er echter een oproep tot flexibiliteit en aanpassing in. Wij zijn sterk geneigd te redeneren vanuit het individu: wat vind ik, waar heb ik plezier in? Petrus daarentegen redeneert veel sterker vanuit het collectief, vanuit de gemeente als geheel. Hij lijkt een andere vraag te suggereren in de opbouw van de gemeente: waar ben ik nodig, waar kunnen ze goed gebruik maken van mijn diensten? Uiteraard zijn dat ook vragen met inachtneming van gegeven capaciteiten. Niet iedereen is overal geschikt voor. Maar toch ligt het accent net even anders.


Alphendebron/010422

© 2001, KWdJ