Schriftlezing: I Samul 10: 1 16

Thema: Saul gevonden

De grote geschiedenis en de kleine geschiedenis, het grote verhaal en het kleine verhaal. Om maar met het laatste, het kleine verhaal te beginnen: ik leef mijn leven, persoonlijk, individueel, ik ga mijn eigen gang: ik kies of de preek 5 of 25 minuten gaat duren, of ik morgen eens flink ruzie zal maken, wanneer ik vrienden bezoek . Keuzes, het zijn er talloos vele. Maar dat alles bestaat slechts bij de gratie van anderen, vele anderen, een groter verhaal. Ik ben geboren in Nederland, een welvarend land waar de gemiddelde inwoner tal van kansen heeft, ik heb de genen van mijn ouders meegekregen, in mijn vroege jaren heb ik in de kerk een gevoel van geborgenheid ervaren, ik heb meegemaakt dat een goede vriend iets doorvertelde wat ik in vertrouwen had gezegd, ik heb een docent gehad die heel inspirerend dogmatiek gaf, een paar dagen geleden had ik een intensief gesprek waardoor ik het gevoel had op de goede weg te zijn. Dat alles, het grote verhaal heeft me gemaakt tot wie ik ben, tot wat ik doe. Ik, op mijn beurt: wat draag ik bij, waar ligt mijn roeping, waar ligt voor mij in het grote verhaal Gods roeping?

Het grote verhaal is in I Samul het volk dat een koning wil, net als alle andere volkeren. Ze hebben niet voldoende aan het koningschap van God. De mens leeft niet bij geloof alleen. Het oog wil o wat. Idealen: prima, maar als Samuls zonen (ja, ook zij!) corrumperen, dan klinkt de roep dat het land moet worden geregeerd. Het leven moet kunnen worden geleefd, de kassa moet rinkelen. Het grote verhaal vouwt zich als het ware om het kleine verhaal heen, het verhaal van Saul, de zoon van Kis.
In opdracht van zijn vader is Saul op zoek naar een kudde ezelinnen. Samen met een knecht zwerft hij rond. Eerst Efram wij weten: een groot gebied! maar ook Salisa, Salim en Suf doortrekken zij waar liggen die landstreken eigenlijk en tot slot ook nog eens het land van Benjamin wat daar ook mee bedoeld moge zijn. Het heeft iets van een dubbele bodem. Saul doortrekt zijn eigen achtergrond, zichzelf, hij zoekt zijn levensdoel maar vindt het niet. De onbekende streken, Salisa, Salim en Suf, het zouden wel eens verbasteringen kunnen zijn van Sauls eigen naam.
Het valt op dat Saul nauwelijks initiatief neemt. Hij krijgt de opdracht om te zoeken van zijn vader. Als Saul het zoeken op wil geven, is het zijn knecht die erop aandringt Samul te gaan bezoeken. Het is nog eens zijn knecht die wat geld bij zich heeft om Samul te kunnen betalen. Saul is vervolgens helemaal van slag als Samul hem aanspreekt. Ik behoor tot Benjamin, de kleinste stam. En: Hoort mijn familie niet tot de kleinste families ? Ook de drie tekenen (zoals uiteengezet in de eerste verzen van I Samul 10) overkomen Saul. Saul komt naar voren als een bescheiden, mogelijk zelfs licht passieve man. Mogen we dat positief duiden? Hij lijkt zo wel de ideale voorman, voorganger in Isral, waar God de eerste is en zal zijn. Tegelijk ligt in dat bescheidene Sauls achilleshiel. Saul zal uiteindelijk geen krachtig koning blijken te zijn, besluiteloos, getekend door gebrek aan actief vertrouwen. Met dat laatste, actief vertrouwen, bedoel ik dit. De sporter traint, hij doet er alles aan om in topconditie te zijn voor de wedstrijd. Maar tegelijk moet hij weten van ophouden, van loslaten, van vertrouwen dat hij het wel redden zal in de wedstrijd. Of hij nu wint of niet, hij weet dat hij er zelf al het mogelijke aan heeft gedaan. Ik denk ook aan de voorbereiding van de kerkdienst en meer in het bijzonder de preek. Ik doe mijn best, maar op een gegeven moment moet ik het loslaten, overgeven, erop vertrouwen dat de woorden door God hun weg wel zullen vinden.

Toch gebeurt er iets met Saul, met name in de drie tekenen die hij ontvangt, ontmoetingen: twee mannen die hem tegemoet komen en zeggen niet meer bezorgd te zijn over de ezelinnen; drie mannen met offergeschenken, waarvan hij iets meekrijgt; een hele groep in geestesvervoering, waar hij zelf deel van uit gaat maken. Drie keer draait het om het werkwoord vinden. Daarin ligt ook een stukje humor in de Bijbel. Saul zoekt een kudde ezelinnen, maar vindt ze niet. Hij vindt iets anders, want de ezelinnen blijken allang gevonden te zijn. De drie tekenen bestaan uit een oplopende reeks. In aantal bijvoorbeeld. Eerst zijn het twee mannen, vervolgens drie en tot slot is het een hele groep. Maar ook in de handelingen is een intensivering waarneembaar. De eerste keer wordt Saul alleen aangesproken. De tweede keer krijgt hij iets en de derde keer verandert hij. Ook in het gebruik van het werkwoord vinden zit een zekere vooruitgang. Het begint ermee dat Saul twee mannen vindt (zo staat het er letterlijk, anders dan bijvoorbeeld in de NBG!). Vervolgens zijn het de drie mannen die hm vinden. Het eindigt er dan mee, na de ontmoeting met de profetengroep, dat Saul moet doen wat zijn hand vindt te doen. Aan de ene kant s Saul al door Samul gezalfd. Aan de andere kant is het de reeks van gebeurtenissen die zijn zalving bevestigt. Fascinerend bij dat alles is, dat al op het moment dat Saul zich omkeert om van Samul heen te gaan, God hem al een ander hart schenkt. Alsof hij al vanaf dat momen de dingen met een ander oog bekijkt, met een ander oor hoort, op een andere wijze aanpakt. Toeval wordt zo toekomst, dat wat hem, Saul, toekomt, bij hem past, bij zijn levensweg past. De roeping is al aanwezig, maar ze wordt door de gebeurtenissen geactualiseerd, bevestigd. Dan weet hij echt, door wat letterlijk op zijn weg komt, wat hij doen moet. Denk aan de man die al jarenlang in het bedrijfsleven zit, maar door een reeks van gebeurtenissen ontdekt dat hij zich moet laten omscholen voor het onderwijs. Denk aan de vrouw die vertelde al meermalen gevraagd te zijn om ouderling te worden, maar door een bepaalde samenloop van omstandigheden zei ze net die ene keer ja.

Terug naar het grote verhaal. Het volk wil een koning, maar het krijgt van God niet meer dan een vorst echt zo staat het er letterlijk. Het lijkt alsof het volk gelijk krijgt, maar de realiteit is een andere. De drie mannen worden net als bij Abraham ooit gezien als representanten van God zelf. Zij vnden Saul. Maar als het volk later bij de stemming gaat zoeken naar de ingelote Saul, dan vinden zij hem niet. Hij heeft zich verstopt, bij de koffers op zolder. Alsof er kritisch gezegd wordt: God is en blijft koning, wat het volk ook wil. Het heeft iets van het ouderwetse: de mens wenst en wikt, maar God beschikt. Dat kan iets bedreigends hebben, lijdelijk en passief maken, maar het heeft ook iets veiligs.

Twee vragen, opmerkingen, opdrachten vandaag, bij het kleine verhaal en bij het grote verhaal. Eerst het kleine verhaal. Dat ligt eigenlijk voor de hand. Denk eens terug aan uw leven, naar een moment van zoeken, van onduidelijkheden het liep allemaal niet zo lekker en toen was er ineens die gebeurtenis, dat boek, gesprek, die kerkdienst, waardoor u ineens wist wat u moest doen, waar uw roeping lag. Overweeg dat nog eens in het licht van I Samul 9 en 10: ontdekt u in dat alles ook iets van Gods hand, Gods stem?
En waar ligt uw roeping in het grote verhaal? Om bijvoorbeeld hard en duidelijk nee te zeggen tegen wat daar in de afgelopen week in Amsterdam gebeurd is: een verslaafde vrouw om niets kapot, dood geslagen? Om te laten weten, horen: nee, dit wil ik, dit willen wij niet?! U denkt misschien: wat maakt het uit, wie hoort me? Voelt u zich vandaag ook geroepen om iets te doen voor het project van de ZWO voor de Xavante indianen? Individueel en samen?! Opnieuw die vraag: zal het helpen, maakt het uit? Als we wat doen, dan hebben we het in ieder geval geprobeerd. Daar ligt een belangrijk Schriftuurlijk motief, om het erop te wagen, om actief te vertrouwen. Als Abraham had gedacht Wat maakt het uit? toen hij de stem daar hoorde in Ur . Als David geen stap naar voren had gezet, toen Goliath het volk Isral uitdaagde . Als Jezus de beker aan zich voorbij had laten gaan . Zij hebben ja gezegd. En u?

KWdJ/031012


Print deze pagina

2003, KWdJ