Schriftlezing: I Samuël 4

Thema: ‘God in ballingschap’

Waarom overkomt dit ons? Waarom overkomt dit mij? Een grote vraag. Een té grote vraag misschien. Te persoonlijk voor een preek. Een preek kan onmogelijk recht doen aan de persoonlijke herinneringen en gevoelens die een dergelijke vraag oproept. Toch begin ik met deze vraag, aangereikt door de Schrift zelf. Israël lijdt een nederlaag tegen de Filistijnen. De oudsten stellen daarop de vraag, waarom God hen deze nederlaag heeft doen lijden. Wat is er aan de hand? Wat hadden we anders moeten doen? Wat kunnen we nu nog doen?
Waarom … ? Ieder die die vraag wel eens bewust gesteld heeft, weet dat het uiteindelijk geen helpende vraag is. Een antwoord, een écht antwoord blijft uit. Toch stellen we die vraag, als onze wereld op zijn kop is gezet, als we in de wirwar zoeken naar houvast en zekerheid. De dag die omvloog lijkt nu zonder einde: hoe kan de tijd opnieuw worden tot een kans, een uitdaging? De zon lijkt niet meer te schijnen: hoe kan het weer licht worden? Het op zich zo sprekende en vrolijke gezicht staat altijd somber, de mondhoeken naar beneden gekruld: hoe kan ik weer huppelend en dansend door het leven, zorgeloos?
Waarom … ? Vaak, meestal blijft het antwoord uit. Ook in de Bijbel, denk bijvoorbeeld aan de psalmen. Vanmorgen tekent zich iets van een antwoord af, maar de contouren blijven uitermate vaag. We volgen het volk, tastend, zoekend, proberend te begrijpen, proberend vat te krijgen op zijn leven en zijn levensgeschiedenis.

Waarom … ? Het is stil. Van godswege. Eli is te oud. Samuël is te jong. Geen woord van God in deze episode, geen enkele aanwijzing, geen uitzicht. Het volk, de mensen, ze zijn stuurloos. De kerk zwijgt. De dominee, de ouderlingen en diakenen, de gelovigen zwijgen. Ze zeggen niets. Vreemd: nog maar net is een jonge man geroepen, een die God verstaat, een die kan bemiddelen, die het Woord van God kan doorgeven. Hij zwijgt. Nog zwijgt hij.
Het volk legert zich bij Eben-Haezer (= steen van de hulp, monument van de hulp). Maar er is niemand die helpt. Het is stil. Vierduizend mannen sneuvelen, in open veld. Ze hebben moedig gestreden, tot het einde toe. Ze hebben zich niet hoeven terugtrekken. Het strijdveld is een slagveld geworden, een slachtveld. De ochtendnevel trekt omhoog, her en der verspreid de dode lichamen, losse kledingstukken, een schild, een zwaard … . De overlevenden vragen: waarom … ? Waar hebben wij dit aan te danken? Waar valt dit aan te wijten? Een antwoord blijft uit. Nergens staat iets over God die straft, God die dondert, God die … . Het is stil. Slechts één ding valt ons op. Het begint bij Eben-Haezer, de steen van de hulp en het zal straks (in I Samuël 7) eindigen bij Eben-Haezer. Dan zal alles voorbij zijn, de angst voor de Filistijnen, het geweld … . Zelfs de ark zal dan weer onderdak zijn in Israël. Dan heeft Samuël gesproken, dan heeft Samuël gebeden, dan heeft het volk zich bekeerd. Twintig jaar lang heeft het volk gezocht … en eindelijk hulp gevonden. Bij God.

Waarom … ? Zo vragen de oudsten. Ze laten de ark halen. Niemand die hen tegenhoudt. Niemand die hen waarschuwt: weet wat je doet. De corrupte zonen van Eli, Chofni en Pinechas, waarschuwen al helemaal niet. Met nadruk wordt gesproken over de ark van het verbond: door deze ark zijn ze onlosmakelijk met God verbonden, met deze ark móeten ze de strijd wel winnen. God moet hen nu wel steunen. De oorlog wordt een heilige oorlog: ‘tegen de as van het kwaad’, ‘een djihád’. God wordt geknecht, tot dienst gedwongen: een geperferteerde vorm van godsdienst, Gods dienst.
Waarom … ? De oudsten zoeken naar houvast, letterlijk. Ze houden zich vast aan de ark. Juist in de vraag naar het waarom zijn mensen daar vatbaar voor. Het is niet voor niets dat mensen onder een rouwadvertentie soms ongevraagde post krijgen van fanatieke religieuze groeperingen. Maar de ark, of een denkbeeld, of een gesloten groep van saamhorige mensen: op zich is het een ding, hol, leeg. De ark was bedoeld om de mensen te herinneren aan de ware godsdienst, aan de Tien Woorden, beweeglijke, spirituele woorden voor de levende omgang met de Here God. Een heilig teken! De bedoeling was om het volk te herinneren. Maar het lijkt erop dat de ark nu God ergens aan moet herinneren, Hem moet dwingen … .

Het vreemde is: de Filistijnen lijken er iets van te begrijpen als ze horen met welk kabaal de ark wordt binnengehaald in het kamp van Israël. Ze beseffen dat het níet gaat om de ark, maar om de goden, de God van Israël. Ze halen de dingen wat door elkaar – menen dat Egypte in de woestijn door God met plagen geslagen – maar ze raken de kern van de zaak: zij kennen een God die bevrijdt, zij kennen een lévende God. Dat deed me denken aan de preekwedstrijden die een paar jaar geleden gehouden werden. De jury was gemengd samengesteld, met zowel binnen- als buitenkerkelijke leden. Het opmerkelijke was dat juist de niet-kerkelijken kozen voor stevige preken, voor duidelijke statements, voor predikanten die lieten zien waar ze stonden. De kerkelijken daarentegen kozen veeleer voor de nuance. Juist de buitenstaander ziet nog wel eens waar het aan schort. Niet dat ze gelovig zijn of gelovig worden, maar toch … . Ook de Filistijnen blijven buitenstaanders, vijanden. Ze rechten hun rug, ze sporen elkaar aan: ‘zorg dat je geen slaaf wordt …’. De Filistijnen zijn de heersers in het land, superieur, in hun (ijzeren) wapens, met hun tactiek … . Dertigduizend mannen komen om, ook Chofni en Pinechas, en de ark wordt meegevoerd.

Intussen wacht Eli. Hij zit, aan de kant van de weg, met staar op de ogen, blindgestaard. Volk zorg. Hij weet dat het fout was de ark zo mee te nemen. Maar hij heeft niets gedaan, hij kon (?) niets doen. Eli is een dubbelzinnige figuur. Hij is zwaar. Van gewicht, van het zitten, van het niets doen. Maar ook zwaar in de zin van zwaargewicht in figuurlijke zin: ondanks alles toch van formaat. Ondanks alles mag hij de magische veertig jaar volmaken, ondanks alles mag hij richter worden genoemd. Als dan eindelijk de bode komt, na een loop van meer dan 30 kilometer, dan komt het er met horten en stoten uit: Israël is op de vlucht, een grote nederlaag, Chofni en Pinechas dood, de ark Gods buitgemaakt. Alles, maar met name dat laatste nekt hem: de ark Gods buitgemaakt. Hij valt van zijn stoel, achterover, en breekt zijn nek. Als hoeder van Gods aanwezigheid, van Gods woord, heeft hij gefaald.
Tot slot is daar dan nog de vrouw van Pinechas. Hoogzwanger. Van schrik om alle ellende bevalt ze. Stervend roept ze de naam van het kind: Ikabod. Weg is de eer, betekent dat. Een constatering. Maar het kan ook meer verwijtend zijn: waar is de eer? Zij peilt de situatie van Israël. God was al weg, in ballingschap. Het vraagteken blijft staan: waarom weg, waarom in ballingschap, gegaan, gestuurd … ? Nu is ook de ark weg, zelfs elke verwijzing naar God is daarmee verdwenen. Het wordt leeg, stil.

Stil? Niet helemaal. Een kind huilt, een baby. Nieuw leven breekt zich baan. Steeds weer zal zijn naam geroepen worden, als een roep naar God: Ikabod, waar is de heerlijkheid? Waarom … ? Die vraag doortrekt I Samuël 4. Een eenduidig antwoord blijft uit. God is in ballingschap, weg. Het wordt zoeken, jarenlang. Daar ligt de taak van de gemeente, niet te snel te vrome woorden, prachtige verklaringen, maar meezoeken, meeroepen, het uithouden met al degenen die vragen ‘Waarom?’ Want wij hebben Gods heerlijkheid gezien, ooit hebben wij Hem gezien, in die andere Zoon, eens geboren tot onze troost. Wetend dat we die heerlijkheid weer zullen zien, durven we het aan om elkaar te dragen in de grote, té grote vragen van het leven. Totdat Hij komt.

Alphendebron/030928



Print deze pagina

© 2003, KWdJ