Schriftlezing: Deuteronomium 12: 1 - 12

Ik hoor, ik hoor, wat jij niet hoort. Een aardig spelletje als variant op 'Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet'. Wat wordt niét gehoord in Deuteronomium 12: 1 - 12? Jeruzalem!

We ontdekken twee, eigenlijk drie bewegingen in dit tekstgedeelte. Het begint met opruimen. De volkeren zijn uit het land verdreven. Nu ook nog de elementen van hun afgodendienst: altaren, beelden, heilige palen … . Alles moet weg. Waarom? Om te voorkomen dat Israël van deze plaatsen gebruik gaat maken om God te dienen. Het zou afleiden van de ware eredienst die moet plaatsvinden in die ene, hier nog ongenoemde plaats. We raken hiermee de vragen van kerk en cultuur. Waar ligt het gevaar van ongewenste vermenging op de loer? De een wijst op bepaalde muziekvormen. De ander op de hedendaagse levensinstelling. De derde lijkt het allemaal niet zoveel uit te maken. In alle gevallen moet kritisch gevraagd worden: wie wordt gediend, God of jijzelf? Loopt de dienst aan God gevaar met bepaalde vormen met muziek, of roept die bij jou een aversie op?

Toch nog even terug naar het opruimen in de tekst. De afgodendienst staat in het teken van een zekere natuurlyriek, op hoge bergen, heuvels en onder elke groene boom (vers 2). In dat laatste klinkt ook een zekere spot door. Ontelbaar moet dat aantal plaatsen zijn, want er zijn nogal wat groene bomen … . Meer dan eens bekennen mensen, dat ze God in de natuur vinden. De natuur is immers Gods schepping. Maar gemakshalve wordt dan vergeten, dat de schepping gevallen en gebroken is. In de natuur geldt het recht van de sterkste. Bij God telt het recht van de zwakste. Dat is wel even iets anders! Het recht van de sterkste doet in onze cultuur steeds meer opgeld. Ieder is zelf verantwoordelijk. Presteren staat bovenaan. De collectieve sector - waarin zorg voor elkaar, voor de zwakste deel van uitmaakt - biedt steeds minder. Mag, kan een christen deze trend ondersteunen? Nog iets, dat nauw in verband staat met het voorgaande, een 'gesneden beeld' dat moet worden omgehouwen (vgl. vers 3). In hoeverre kan het individualisme onder ons standhouden? Geeft alleen al onze organisatievorm niet een ander ideaal aan: de gemeente?!

Na het opruimen volgt in het Schriftgedeelte het (be)zoeken (vers 5, vgl. vers 11) van de plaats die God wijzen zal. Zoals gezegd: Jeruzalem mag niet worden genoemd. De naam van die staat is te zeer bezoedeld, ook in bijbelse tijden al. Hoevele koningen deden wat niet goed was in Gods ogen? Het gaat er uiteindelijk om dat Gods naam hoog gehouden wordt. Die naam moet vrij, onbelast kunnen klinken. Daarnaar zullen ook wij moeten zoeken, naar een plaats war dat mogelijk is. God Zelf zal ons daarin voorgaan.

Het eindigt in het Schriftgedeelte met een feest op die ene plaats (vers 7, vgl. vers 12), een feest voor het aangezicht van God. Vreugde, dankbaarheid, gestild verlangen. 'Geef vrede Heer, geef vrede …'.


001022/Alphen/Debron