Schriftlezing: Deuteronomium 32: 1- 9 (14)

Tekst/thema: ‘Is dit uw antwoord aan de Heer?’ (6a)



Samenvatting van de preek:

Als we aan David denken, dan denken we direct ook aan zijn psalmen. Bij Salomo aan zijn wijsheid, met name de Spreuken, of het boek Prediker. Bij Paulus denken we aan zijn vaak moeilijk te begrijpen brieven. En Jezus, bij Jezus kunnen we niet om zijn gelijkenissen heen, scherp en trefzeker. Elke Bijbelse figuur heeft een eigen manier van spreken, van uitdrukken. Dat is in het moderne leven niet anders. De een kennen we vooral als een dichter. Een ander schrijft geregeld romans. Een volgende is bekend om zijn columns. Weer een ander kan niet schrijven, maar is een charismatisch spreker. Wat is er eigen aan Mozes? De tien geboden, de wetgeving misschien?! Of in het boek Deuteronomium mogelijk zijn soms hartstochtelijke preken?! Toch heeft Mozes ook enkele liederen geschreven. Na de uittocht zong hij samen met zijn zus Mirjam het lied van de uittocht: ‘Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiters stortte Hij in zee.’ Nu zingt hij opnieuw, aan het einde van zijn leven. Een lied heeft een eigen dynamiek, een eigen kracht. Het blijft gemakkelijk in het geheugen hangen. Soms lukt het zelfs maar niet om een bekend deuntje kwijt te raken. Ritme, rijm, klank. ‘De Heer is mijn Herder, ‘k heb al wat mij lust.’ ‘All you need is …’. We zingen zo mee. In oude tijden werden verhalen vaak in versvorm verteld. Dat was makkelijker te onthouden, makkelijker om door te vertellen. Een preek, een rede, een uiteenzetting is meestal weer snel vergeten. Met een goed lied ligt dat anders. Maar wat is er nu zo belangrijk dat Mozes een lied maakt?

Mozes nadert het einde van zijn leven. Hij is druk bezig al zijn taken aan anderen over te dragen en vervolgens los te laten. Maar daardoor heen blijft zorg hem bezig houden. Komt het wel goed met dit volk? Natuurlijk, hij heeft het ook het volk nog eens verzekerd: God Zélf gaat voor het het volk uit. Natuurlijk, er is een opvolger. Natuurlijk, de wet zal geregeld voorgelezen worden, zodat het volk niet zal vergeten. Maar is het genoeg? Hij denkt van niet. Hij schrijft daarom een profetisch lied, een protestsong. Zoals lang geleden het Wilhelmus werd gedicht en gezongen, een geuzenlied: ‘de tirannie verdrijven …’. Of zoals veertig jaar geleden Boudewijn de Groot het lied ‘Welterusten, meneer de president’ zong. Het zijn liederen die wakker schudden, wakker houden, in herinnering roepen. ‘Vergeet niet, hoe Zijn liefd’ u heeft geleid.’
In het lied van Mozes proeven we boosheid, onbegrip. Heel zwart-wit worden ze tegenover elkaar geplaatst: de goede God en het kwade volk. Hoe kan dat? Waar heeft God dat aan verdiend? Wat is dit voor een volk?
Mozes begint te bladeren in het levensboek van Israël. Hij gebruikt de beelden van de woestijn. God, een rots (zo bijvoorbeeld vers 4): stevig, onwrikbaar, betrouwbaar, ongenaakbaar. Onwillekeurig doet dat ook denken aan de berg Horeb, de plaats van de Godsontmoeting. God roept Mozes vanuit de brandende braamstruik. God geeft Mozes de tien woorden, levenswoorden. Keer op keer blijkt juist op de berg: God is op het goede uit, begaan met het volk, Hij wil recht, gerechtigheid. Als Mozes dan eenmaal begonnen is, dan vermenigvuldigen zich de beelden in hoog tempo. Mozes denkt aan de oertijd, aan de schepping, aan al het goede en mooie dat God de mens geeft om te gebruiken en te genieten. Mozes denkt aan de woestijn, aan de barre omstandigheden en Gods voortdurende zorg. Mozes denkt aan het beloofde land, aan al wat ze daarin krijgen.
Staande in de woestijn komt dan het beeld van de adelaar in Mozes op. Hij heeft ze dikwijls gezien, geobserveerd, met hun machtige vleugels, zwevend door de lucht, met uitstekende ogen, krachtig, snel. De adelaar stimuleert op een gegeven moment zijn nest om uit te vliegen. ‘Probeer het maar!’ Daar gaan ze, een voor een. De adelaar zweeft boven de kleintjes, hij houdt ze goed in het oog. Als er dan één niet meer kan, te pletter dreigt te vallen, dan schuift hij eronder, draagt de kleine vogel op zijn vleugels. Aan de ene kant ruimte en vrijheid. Aan de andere kant: bescherming en veiligheid. Het doet me denken aan door Paulus geďnspireerde woorden van Willem Barnard: ‘mens, wij zijn geroepen om te leven’. Uitdagingen volop! Maar tegelijk getuigt Paulus van Christus: Hij vangt ons in Zijn liefde op als wij dreigen te vallen.
Hoe kan het dan dat het volk zo ontrouw was en is? Hoe kan het dat zij Gods kinderen niet willen heten? Het is een bitter raadsel. Waarom toch kozen ze voor andere (nep)goden? Mozes wil een antwoord! Ze zijn gebracht naar een land van melk en honing. Maar uitgerekend dat land heeft hen vadsig en vet gemaakt, verzadigd, dik en rond. Mogelijk klinkt dat ver weg. Maar juist in de afgelopen maanden is duidelijk geworden dat in Nederland overgewicht (obesitas) een gevaarlijke ziekte dreigt te worden, epidemische vormen aanneemt. Het roept het beeld op van zelfgenoegzaamheid. Blijf zitten waar je zit. Niet meer in beweging komen. Niet meer voor God en je geloof, niet meer voor een ander. Het zélf, het eigen ik, het bezit komt centraal te staan. In Bijbelse termen: we buigen voor de Baäls en Astartes, we gaan door de knieën voor de goden van vruchtbaarheid en groei. We offeren in navolging van Israël op de altaren van ‘meer’, ‘groter’, ‘rijker’. Maar dat zijn geen goden, zij hebben de welvaart niet gebracht. Waarom dan toch die afgodendienst?

Er was eens een gans. Het was een vrije vogel. Hij leidde een gelukkig leven. Niet dat het altijd even makkelijk was. Soms kon hij maar moeilijk aan voedsel komen. Soms was er ruzie met andere vogels. Maar door de bank genomen had hij het goed. Op een goede dag in de lente was hij op weg naar het Noorden. Hij vloog over Nederland en zag ergens onder zich een boerderij waar tamme ganzen werden gevoerd. Hij dook naar beneden en at gulzig mee van de uitgestrooide graankorrels. Het was lekker. Al gauw mengde hij zich tussen de andere ganzen. Hij maakte nieuwe vrienden. Hij voelde zich thuis. In het begin dacht hij: ik blijf nog een dag. Later: nog een week. En weer later: nog een maand. Tot het herfst werd. Wilde ganzen trokken over, in de tegenovergestelde richting. Het gekrijs klonk vertrouwd. Het verlangen van de gans om met hen mee te gaan, was gewekt. Hij sloeg zijn vleugels uit, fladderde, maar zakte al snel weer naar beneden. Hij was dik en zwaar geworden. Z’n vleugels droegen hem niet meer. Maar, zo zei hij bij zichzelf: dit is toch eigenlijk een veilig leven, dus ach, wat geeft ‘t … . Na verloop van tijd kwamen er opnieuw wilde ganzen overvliegen. Opnieuw was er onrust in z’n hart. Opnieuw deed hij een poging. Het ene na het andere jaar vergleed. De hartstocht van de gans verdween met de tijd. Totdat de dag gekomen was, dat wilde ganzen overkwamen en hij niet meer reageerde. Hij was vergeten, wie of wat hij was, waar hij vandaan kwam, waar hij naar toe ging, hoe hij eens had geleefd.

Vandaag worden brood en wijn u aangereikt. Het zijn tekenen van Gods overvloed. Laat u door deze tekenen in herinnering brengen, wat Hij voor u heeft gedaan.

Alphendebron/060212




De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
NB: Het downloaden kan enige tijd kosten (3.2 Mb).
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC beluisteren.



http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2006, KWdJ