Schriftlezing: Genesis 1, Exodus 14, Jesaja 55, Jona 3

Thema: Waken of wachten?

Iemand strandt met zijn auto in een uitgestrekte polder. Het is in de ‘middle of nowhere’. Het is pikkedonker. Dreigende wolken drijven voorbij. Zo nu en dan valt een heftige bui. De bestuurder heeft geen mobieltje bij zich. Daar staat je dan … . Gedesoriënteerd, nergens iets te zien. Je hebt geen keuze. Je kunt niet weg, want in de auto zit ook een klein kind. Het is te jong om alleen te laten. Het is te zwaar om op te tillen en mee te nemen. Je kunt wacht, hopen op een voorbijganger. Je zet de radio aan, dan heb je in ieder geval wat vertier, wat afleiding. De kans is groot dat je zo nu en dan even wegdommelt, inslaapt.
Zo zijn er allerlei voorbeelden van wacht, afwachten te geven. In de rij bij de kassa, op het station op een vertraagde trein, die langverwachte brief met het antwoord op die brandende vraag. Wachten, afwachtend. Het wordt gekenmerkt door een grote mate van passiviteit. Je doet niets. Je kunt niets.
Waken heeft op het eerste gehoor voor ons iets als dat wachten. De nacht is lang. De nacht is saai. Verveling en irritatie kunnen toeslaan. Het is wel duidelijk dát er uiteindelijk iets zal gebeuren, maar je weet niet wanneer. Toch. Waken is een keuze: bewust niet gaan slapen. Je wilt waarnemen, registreren wat er gebeurt. Waken is actief, gaat vaak gepaard met zorg, met oppassen. Denk maar aan het waken bij een ernstig zieke. Denk aan die gevaarlijke, dreigende situatie in het donker. Waken is ook bewaken, veiligheid verzekeren.

Wij waken vanavond. Het is een bewuste keuze om wakker te blijven. Of is het: om wakker geschud te worden? Wij waken uit zorg voor een wereld, uit zorg voor ons eigen leven misschien, waar zoveel donker is, waar de scheppende woorden niet lijken te zijn doorgedrongen: ‘Er zij licht … en er was licht.’ Het zal wat! In deze wereld, in ons wereldje wil het maar niet licht worden. Wij waken, wij willen iets waarnemen, registreren. Wij willen opmerkzaam gemaakt worden. Wij willen onze zintuigen ontwikkelen, gevoelig maken voor maar de minste of geringste verandering. Uit onszelf zien wij het niet.
Wij waken en we lezen over de schepping. In den beginne … . In beginsel … . Licht. Het licht, alleen al het licht van elke dag verwijst naar God. Zou Hij dan toch … .
Wij waken en lezen van de uittocht uit Egypte: bevrijding uit het land van de angst van de slavernij. Hoe zouden mensen in Irak dat in deze dagen ervaren? Zou het misschien toch niet eenmalig zijn, exclusief voor toen?
Wij waken en lezen uit Jesaja, de oproep tot terugkeer naar God. Ineens schiet ons dat voorbeeld te binnen van die verslaafde die vertelt hoe hij juist in grootste nood Jezus gevonden heeft. Misschien … .
Wij waken en lezen in het boek Jona: over een stad die zich bekeert, maar ook, vooral, over een geduldige, genadige God. Zou God dan toch, misschien, desalniettemin … .
Wakend, stilstaand, nadenkend en overwegend worden wij op het spoor gezet van het grote wonder van Godswege. Alleen de Bijbel kan ons op dat spoor zetten, ons de ogen openen. Zoud dan zelfs die Ene, die schuldloze, die veroordeelde, die aan het kruis geëxecuteerde, die gestorvene … . Zou dan zelfs, juist die Ene, die ons zoveel hoop gegeven heeft, zou die dan toch … LEVEN?!
Waken, niet wachten, afwachten! Waken, dat is een daad van geloof. Om nog even terug te keren naar het beeld van de auto in de polder. Waken, dat is dan kijken of je met al je onhandigheid mogelijk niet toch zelf iets aan de auto kunt doen. Waken, dat is actief de omgeving afspeuren, of je toch niet ergens een lichtpuntje ziet dagen, een oriëntatiepunt. Waken, dat is bewust in deze nacht je afvragen: waar is de Opgestane vandaag, waar komt Hij mij tegemoet?

AlphenGoedeHerderkerk/030419




Print deze pagina

© 2003, KWdJ