Schriftlezing: Exodus 17: 1 - 7

Tekst: ‘Is de Here in ons midden of niet?’ (Exodus 17: 7-slot)

Bij de lezing van vandaag moest ik terugdenken aan een projectweek aan het einde van mijn eerste studiejaar. Het project ging over Gods leiding in de geschiedenis. Als afsluiting moesten we een werkstukje maken over een preek van professor Miskotte ter gelegenheid van de bevrijding in 1945. Centraal stonden een vers uit Psalm 92: Gods vijanden vergaan. Vol overgave en overtuiging durfde Miskotte stellen dat met de capitulatie Gods vijanden waren vergaan. Dat was opmerkelijk. Want juist Miskotte was voorzichtig om al te gemakkelijk een is-gelijk-teken te plaatsen tussen een gebeurtenis in de geschiedenis en Gods wil. Juist voor de oorlog was in Duitsland een is-gelijk-teken geplaatst tussen Gods wil en de opkomst van Hitler. Hoewel Miskotte meende dat de geallieerden zo hun eigen redenen hadden gehad om de macht van Duitsland te elimineren, toch zag hij daarin Gods hand. Miskotte zag de bevrijding dus als een moment waarop de hemel als het ware even opengaat, alsof even iets van God te zien is. Maar, zo zouden wij op ruime afstand nu kunnen vragen: hoe zit het dan met de andere, de moeilijke momenten? Hoe zit dat dan als het erop lijkt dat de hemel zich sluit, als het donker wordt en dreigend?

Gods vijanden vergaan. Dat had Israël meegemaakt. Het volk had een periode van verzet doorgemaakt, van zuchten en klagen, van roepen en schreeuwen, van tekenen in de goede richting. Maar steeds weer was het onvoldoende. In de verschrikkingen, in hun boosheid en verontwaardiging moesten ze tot tien tellen. Ze stonden op voet van oorlog. Maar toen de bevrijding doorzette, was het grootser, majestueuzer, ingrijpender dan wie dan ook had vermoed. Gods vijanden vergaan. Ze hadden Egypte op de bodem van de zee zien liggen. Ze hadden hun angsten in de zee begraven. Ze waren als het ware gedoopt. Ook zij hadden kunnen sterven, maar zij waren opgewekt, opgestaan. Nu zijn ze dan een paar maanden verder. Al hun geloof, al hun vertrouwen, alle zekerheid is in de hitte van de zon verdampt. Ondanks het eerdere water dat ze gekregen hadden, ondanks het dagelijks brood dat ze ontvingen, ondanks het vlees van de kwakkels dat uit de lucht was komen vallen, ondanks dat alles nu de harde vraag: is de Here in ons midden, of niet? Welbeschouwd is het ook een vreemde vraag. Here, Gods eigen naam, JHWH, de naam van de vertrouwelijke omgang, de Aanwezige, de Eeuwige: is de Aanwezige wel aanwezig? Bestaat Hij wel?! De oorlog is voorbij. De angsten van weleer zijn begraven. Maar een situatie van geen oorlog betekent nog niet per definitie vrede, laat staan tevreden.

Israël trekt van pleisterplaats naar pleisterplaats. Op bevel van God. Nota bene. Maar geen water! Dorst, niet te lessen dorst. Dan dreigt God een fata morgana te worden, een luchtspiegeling. Op bevel van God. Waarom zorgt Hij dan niet voor water? Als we dan geloven, als we dan proberen, hoe voorzichtig ook, ons leven aan God toe te vertrouwen, waarom moet het dan soms zo heet worden? Waarom moet het dan soms zo onmenselijk? Waarom worden wij dan zo uitgeleverd aan de elementen? Hoe komt het dan dat bijna zestig jaar na het einde van WO II nog steeds mensen met trauma’s van die oorlog rondlopen, soms zelfs als leden van de 2e of 3e generatie. Hoe komt het dan dat we maar niet lijken te kunnen leren, hoe de vrede te bewaren … ?
Dat is de ene kant, de kant van het volk. Maar het hoeft ook niet al te veel moeite te kosten om ons in de andere kant in te leven, in Mozes bijvoorbeeld. Mozes spreekt in naam van God, als leider. Hij wordt op God aangesproken. Hij wordt zelfs áls God aangesproken. ‘Waarom hebt ú ons uit Egypte gevoerd?’ ‘Is God in ons midden, of niet?’ Het antwoord ligt al in de vraag opgesloten: nee. Waarom hebt u ons uit Egypte gevoerd, om ons en onze kinderen van de dorst te laten omkomen? De ellende van Egypte is volstrekt vergeten, het godverlaten land waarin de pasgeboren jongens in de Nijl werden geworpen. Ze spreken alsof Egypte het paradijs is. Zo wordt Mozes ter verantwoording geroepen voor al het onheil dat het volk overkomt.
Soms overkomt me dat in een pastoraal gesprek. Mensen verkeren in oprecht grote nood – de dorst van Israël is niet niets – bijvoorbeeld bij ernstige ziekte. Soms kan het dan zo aanvoelen dat je juist als predikant ter verantwoording wordt geroepen. U, als predikant, als een soort van beroepsgelovige, vertelt u nu maar eens, hoe dit allemaal kan. Waarom gebeurt dit? Als God dan liefde is … . Dikwijls kan ik de vraag alleen maar overnemen, kan ook ik alleen maar bidden, zeker als de ander dat niet (meer) kan. Elke gelovige kan trouwens het appèl ervaren dat ik in zo’n geval ervaar. Als God dan bestaat, vertel dan eens … . Als God dan … . Het volk twist met Mozes, stelt God op de proef. Ze bestormen als het ware de hemelpoort die potdicht lijkt te zitten. Mozes weet niet wat te doen. Ze willen hem stenigen, de straf op afgoderij. Het is de omgekeerde wereld.

Het lijkt erop, alsof God er in dit alles niet eens echt aan te pas komt. Tenminste, niet voor het volk. Voor Mozes wel. Hij zoekt God, die is Hem blijkbaar zeer vertrouwd geworden. Dat kunnen, durven wij niet altijd van onszelf te zeggen. Mozes krijgt de opdracht om langs het volk te gaan. Letterlijk: hij loopt het gevaar anders gemolesteerd te worden. Figuurlijk: hij moet zich niets van het volk aantrekken, hij moet het links (of rechts) laten liggen. Dan moet hij met de staf waarmee hij eenmaal de Nijl geslagen heeft op een rots slaan. Het volk zal kunnen drinken. Wij wilden wel dat het altijd zo gemakkelijk, zo direct zou gaan. Maar onze ervaring is dikwijls een andere.
‘Is de Heer in ons midden, of niet?’ Wij leven in een tijd van ervaring. God moet ervaren worden. Anders bestaat Hij niet. De vraag is of dat terecht is, of dat recht doet aan Gods bestaan, aan Gods naam. God is vaak niet te ervaren. Juist dan kom het aan op geloven. Op die momenten dat wij bevrijding ervaren, ruimte, dan kunnen we vaststellen, dat Hij leeft, dat Hij niet laat varen wat Zijn hand eens begonnen is. Hij leeft, dat kunnen we zeggen op sommige momenten in de internationale politiek, aarzelend soms, maar toch. Dat kunnen we zeggen, als een moeizame periode in een relatie achter de rug is. Dat kunnen we zeggen als iemand met een ernstige ziekte rust en vrede vindt. Maar tussen zulke momenten van bevrijding is het leven soms droog, stug, niet om door te komen. Dan verbuigen uitroeptekens heel makkelijk tot vraagtekens.

Mozes geeft de plaats van het wonder een naam: Massa en Meriba, twist en beproeving. Dat is een negatieve duiding. Toch heeft juist ook daar het water gestroomd. Mozes markeert de twist en de beproeving. Ze mogen niet vergeten worden, net zo min als de waterbron die er ontsprongen is. Wij markeren de twist en de beproeving als wij Golgotha zeggen. Maar tegelijk weten we dat in de nabijheid van die rots een leeg graf gevonden is, teken van de opgestane Heer. Zo geven wij de oorlogsjaren een plaats op de 4e mei, maar we doen dat niet zonder ook de 5e mei te gedenken, dag van de bevrijding. Zulke gemarkeerde momenten hebben we nodig. Voor de goede tijden, om te beseffen hoe goed wij het wel niet hebben. Voor de slechte tijden, om juist in dorheid en droogheid erop te kunnen vertrouwen dat eens het water weer gaat stromen. De rots blijft niet gesloten. God blijft niet voor ons verborgen. Hij zal zich weer aan ons voordoen, als de Levende.

Alphendebron/030504




Print deze pagina

© 2003, KWdJ