Schriftlezing: Exodus 1: 1 – 22

Thema: 'Namen'

Om te beginnen een bekend gedicht van Neeltje Maria Min:

Mijn moeder is mijn naam vergeten
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan.
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Namen zijn belangrijk. Mijn naam ben ik. Mijn ik wordt uitgedrukt in mijn naam. Ooit deden we in kerkelijke kring een bezinningsrondje. We kenden elkaar, dus wat zul je dan nog kennismaken? De leidster stelde voor dat we aan elkaar zouden vertellen wat eenieder van ons met zijn naam had. Dat lijkt een simpele, nog tamelijk objectieve vraag. Het leidde echter tot een heel persoonlijke gespreksronde. De een was vernoemd naar zijn kort tevoren overleden oom. Zijn tante had daarom altijd een bepaalde claim op hem gelegd. In hem leefde de oom voort, in zijn naam. Een ander had een 'onmogelijke' naam. Ze was Betje genoemd, naar Elisabeth. Ze was er vaak mee geplaagd. Bij het ouder worden koos ze zelf voor Els. Een volgende heette Pyt, met een y, vanwege de Friese achtergrond van zijn voornaam. Aanvankelijk vond hij het vreemd, lastig, altijd weer dat uitleggen. Op een gegeven moment ontdekte hij dat juist in deze schrijfwijze het eigene van zijn op zich veel voorkomende naam zat. Zelf ben ik genoemd naar mijn beide grootvaders, Klaas en Willem. Zo'n dubbele naam is lastig, wordt vaak verkeerd verstaan en verhaspeld. Pas na verloop van tijd ben ik gaan ontdekken dat het bijzondere nu juist in deze wat aparte combinatie ligt. Ik heb pas laat mijn handtekening ontwikkeld. Daarin laat ik juist mijn beide voornamen prominent naar voren komen. Die maken mede wie ik ben. Namen zijn belangrijk, ze zijn tekenend voor ons leven. Het bekende gedicht van Neeltje Maria Min is veelzeggend.

Het boek Exodus heet in het Hebreeuws ‘Namen’. De achtergrond daarvan is heel simpel. Het eerste Hebreeuwse woord is ‘Namen’, dit zijn de namen … . Dat is dus enigszins willekeurig. Tegelijk geeft het een zoekrichting aan: let op de namen, die zijn belangrijk in dit boek. Het begint met de namen van Jakob en zijn twaalf zonen, met hun gezinnen 70 personen in totaal. Het is een familie die sterk groeit. Dan komt er een farao die Jozef niet gekend heeft. Hij heeft Jozefs naam niet gekend, letterlijk iets als ‘de Here voege toe’. Farao onderkent niet waar de groei vandaan komt. Maar dit kennen gaat verder. Farao voelt zich niet verbonden met Jozef, met diens aanpak van de grote problemen van Egypte, met God zelf. Farao voelt zich vrij, god in het diepst van zijn gedachten. Farao ziet een familie die snel uitgroeit. Het lijkt erop, dat hij niemand bij name kent, niemand van deze mensenfamilie heeft hij in de ogen gezien. Hij heeft als het ware nooit eens een praatje gemaakt met de buurvrouw, is nooit ergens bij een van deze mensen op bezoek geweest. Hij telt, mensen zijn getallen, nummers. Hij ziet geen familie meer, maar een volk. Het is de eerste keer dat deze familie volk genoemd wordt … . Hoe moeizaam is het begin geweest, met Abraham, Isaäk, een enkel kind. Nu een volk! Volk tegen volk.

Namen. Het is goed ook even stil te staan bij de naam Egypte. Er is wel gezegd: die naam is verwant met Hebreeuwse woorden voor angst. Anderen ontkennen dat weer. Misschien is het ver gezocht. Toch lijkt het woord angst wel op z’n plaats, als het om Egypte gaat. Het gaat om de angst van de farao die ziet dat een volk snel groeit. Farao probeert de groei de kop in te drukken, met geweld. Vijf keer staat er een woord dat te maken heeft met groei. Tegenover elk van die woorden staat het woord slaaf, elke keer met een andere neerdrukkende maatregel. Angst bij farao. Angst bij Israël, voor wat hen overkwam. Angst is een slechte raadgever. Het verlamt, verzwakt het verstand. Farao meent met beleid, met gezond verstand op te treden. Maar is dat zo? Wat zouden wij denken, doen als wij het aantal vreemdelingen zo snel zouden zien groeien?

Namen. De farao krijgt geen naam. De Bijbel wil hem niet kennen. De farao mag geen naam hebben. Farao is een ambt, een functie, een abstract gegeven, karakterloos. In het schemerdonker van zijn regering blijft zijn gezicht verborgen. Tegenover deze ene man staan twee vrouwen, Egyptische vrouwen vermoedelijk. Zij krijgen allebei wél een naam: Sifra en Pua, hetgeen zoveel betekent als ‘schittering’ en ‘schoonheid’. Zij verspreiden licht in het donkere land. Tegenover het gezond verstand van de farao plaatsen zij de vrees van God. Net als het aloude Spreukenboek weten zij, dat de basis voor een gezond verstand de vreze God is. Zij hebben ontzag voor Hem. Zij nemen Zijn levensregels in acht.

Tegen deze achtergrond wordt het vervolg bijna lachwekkend. Het donker (farao) beveelt de lichtende vrouwen (de twee vrouwen) om op te treden. Als ze helpen bij de geboorte, dan moeten ze een zoon doden, terwijl een dochter in leven mag blijven. Ze doen echter niets. Het donker kan het licht niet overwinnen. Farao vraagt na verloop van tijd: wat hebben jullie gedaan. Misschien hebben de beide vrouwen elkaar toen wel aangekeken: ze hebben juist niets gedaan! En farao gaat verder, specificeert zijn bevel, zijn doodsbevel: jongens moeten in de Nijl worden gegooid, meisjes mogen blijven lezen. Dat is opvallend. Want in Egypte is de Nijl nu juist de levensrivier bij uitstek: elk jaar bevloeit deze rivier het land. Déze rivier wordt nu doodsrivier. De lezer, de hoorder denkt bij zichzelf: dat kan toch niet?! En inderdaad: zo kan dat niet! In het vervolg is het juist Mozes die door dit water, dit doodswater gered zal worden!

Dit zijn de namen ... . Wat zeggen ze vandaag, in Exodus 1? God lijkt zo goed als afwezig. Hij treedt niet handelend op. Hij gaat ons nergens voor. Toch is Hij nauw verbonden met deze episode. Zijn bestaan is er mee vervlochten. We horen namelijk de namen van Jakob en zijn zonen. We horen de namen van Sifra en Pua. Deze beide vroedvrouwen, zij vreesden God, hun leven staat in het teken van Zijn bestaan. Het lijkt wel eens of de geschiedenis gemaakt wordt door grote namen. In deze dagen heten ze Obama, Sarkozy, Berlusconi, Merkel, Balkenende, mensen die zich in hun politieke carrière zelf naam hebben gemaakt. Exodus 1 suggereert ons dat het helemaal niet die gróte namen zijn die geschiedenis maken. Hij zijn juist die anderen: Sifra en Pua, aan de vergetelheid ontrukt. Het zijn de namen van mensen die de Heer vreesden en vrezen. Wij kunnen het zijn. God vrezen, dat is oprecht zoeken naar Gods bedoeling, naar het grotere geheel. Wij hebben misschien de neiging om te denken dat dat begint bij ons gevoel. Maar het gaat veel verder dan dat. Het houdt verbandt met biddend, op God gericht leven, Bijbel lezen, gesprekken voeren ... . Het is een ootmoedige en ontvankelijke levenshouding. Dat is een buitengewoon spannende weg. Het is niet een kwestie van 'succes', van resultaat op korte termijn. Toch mogen we ons er vanmorgen van laten overtuigen, dat God door alles heen aan het werk is. Juist door de Nijl zal Mozes gered worden, en leven. Door Mozes zal eens het volk uittrekken uit Egypte. Door dit volk is Jezus Christus tot ons gekomen. Door Jezus Christus heeft God in sterven en opstanding getekend voor het eeuwig leven, voor de goede afloop.

Utrechtleidscherijn/100131




Print deze pagina

© 2010, KWdJ