Schriftlezingen: Exodus 20: 13; Mattheüs 5: 21 – 22 en 1 Johannes 3: 14 – 17

Thema: Het zesde gebod

Op het eerste gehoor klinkt het 6e Woord niet moeilijk. Niet doden. Dus: geen doodslag, geen moord (dus zeker niet met voorbedachten rade). Als dat de betekenis zou zijn, dan was het ook vandaag in de uitleg allemaal niet erg moeilijk. Doodslag, moord, het komt allebei relatief weinig voor. Ik krijg ook niet de indruk dat veel mensen zich moeten inhouden. Integendeel, het zit ons ingebakken. Doden is niet alledaags, het hoort typische bij de bijzondere, de extreme situaties in het leven. Als iemand wel ‘gemakkelijk’ een ander om het leven brengt, dan houden we hem (meestal hem) of haar toch al gauw voor geestesziek. Maar als dit Woord zo buiten-gewoon is, waarom zouden we het dan overdenken? Wat kan het meer betekenen dan recht-toe-recht-aan niet doden?

‘Gij zult niet doden.’ Maar dat staat er niet, niet precies. Doden is te breed. Uit het Hebreeuwse woordgebruik kunnen we al opmaken dat het hier niet om de doodstraf gaat en niet om oorlogssituaties. Sommigen geven aan te vertalen met ‘niet moorden’, met andere woorden: een ander niet met voorbedachten rade het leven benemen. Maar dat is weer net te exclusief, te beperkt. Het gaat niet alleen om doden met voorbedachten rade, maar ook in drift, woede, in een opwelling. Anderen schrijven daarom: ‘U zult een ander niet wederrechtelijk het leven benemen.’

Dan de praktijk. Daar aarzel ik. Wie de ruimte van het Woord verkent, die kan het benauwd krijgen. Wij kunnen heel zakelijk, analyserend, bewoordingen wegend praten over dood en leven. Maar voor sommigen hoort bij elk van die woorden een gevoel, een gebeurtenis, een bepaalde ervaring. ‘En toen kwam de dokter en die zei …’. Of: ‘toen ik dat hoorde, werd ik intens verdrietig en …’. Geen situatie, geen mens is gelijk. Albert Schweitzer, de bekende theoloog en arts uit het Afrikaans Lambarene, vatte vanuit zijn missie het evangelie samen met de woorden ‘eerbied voor het leven’. Maar dat is te abstract, te algemeen. Het ligt persoonlijker. Ik zou iets zeggen als ‘eerbied voor het schepsel, het schepsel Gods’, of ‘eerbied voor de mens, de concrete mens, met een naam en een gezicht’. Aarzeling dus. Is een preek wel het goede medium om over en tot die mens iets te zeggen? Is dat niet te onpersoonlijk? Hoe kort het gebod zelf ook is, we komen er zeker vandaag niet met simpele oneliners. Wij horen zulke oneliners misschien wel graag, maar zodra wij zelf in het geding komen dan worden we ineens een stuk voorzichtiger, een stuk genuanceerder. Ik kan vanuit de Schrift geen exacte routebeschrijving geven, hooguit een kompas en een kaart.

Laten we eens kijken naar twee vraagstukken, waar we bij het 6e Woord niet zomaar omheen kunnen, aan het begin en aan het einde van het leven: abortus (provocatus) en euthanasie. We zouden trouwens over elk van die onderwerpen al een avond stevig kunnen praten. Het zijn ingewikkelde vragen, er is juist in de moderne medische wetenschap zo ontzettend veel mee gemoeid. Grenzen vervagen. Wat is leven? Scherper: wat is door God gewild leven? Als iemand dan veel pijn heeft, als iemand zich slecht verstaanbaar kan maken, als iemand dan zegt: ‘laat mij maar sterven’, mag dat dan, kan dat dan? Ik kan mij voorstellen dat iemand tot die conclusie komt. Het lijkt me ook legitiem, zeker als het om passieve euthanasie gaat (populair gezegd: de stekker eruit, ofwel: alle medische zorg stopzetten). Maar daar moeten nog wel een paar vragen bij gesteld worden. Waarom wil iemand dat? Wat zit erachter, wat is het motief? Is het inderdaad: in deze omstandigheden is het geen leven meer, is dit niet meer het leven dat God bedoeld kan hebben? Of is het eigenlijk: ik wil niemand meer tot last zijn, familie niet, verzorging niet? Met dat laatste moeten we voorzichtig, zeer voorzichtig zijn. We leven in een jachtige samenleving, met een gezondheidszorg die zich druk móet maken om budgetten en efficiency, naar het lijkt soms meer dan om mensen. Daarom is het goed dat zogenaamde hospices worden opgericht, huizen waarin mensen in alle rust, met alle zorg, met veel liefde hun laatste dagen kunnen doorbrengen. Want ‘niemand tot last willen zijn’, dat mag en kan geen reden zijn om de dood te kiezen in plaats van het leven. Juist vanuit het verbod zit er voor ons allen, voor de hele samenleving een verplichting in om mensen met liefde, met zorg te bejegenen.
Bij abortus zijn vergelijkbare lijnen te trekken. Ik beperk me hier tot de mogelijke geboorte van een gehandicapt kind. Ook dan klinkt de vraag: wat is leven, wat is door God bedoeld leven? Betekent dat, dat per definitie elk verwekt kind geboren moet worden? Omgekeerd: de druk van de samenleving is groot om het kind dan maar niet geboren te laten worden. Alle verdriet, alle zorg (lees: geld) … . Ook dan geldt: dat mag geen reden zijn om een kind niet geboren te laten worden!

We voelen al aan, dat het 6e gebod veel verder reikt dan we aanvankelijk dachten. Ook de tekst en de context van het 6e gebod geeft daar alle aanleiding toe. Joodse uitleggers hebben gewezen op het feit, dat in de Tien Woorden volgens Deuteronomium 5 bij het 7e t/m 10e Wood steeds het woordje ‘en’ is voorgevoegd. ‘Gij zult niet doodslaan; en gij zult niet echtbreken; en gij zult niet stelen …’. Deze uitleggers zeggen: of het nu gaat om echtbreken, of stelen, of wat er ook verder volgt, het zijn vormen van doodslaan, een medemens kapot maken. In het Nieuwe Testament zet deze benadering door. Jezus radicaliseert de woorden. Er mag dan gezegd zijn ‘u zult niet doodslaan’, zelfs als je iemand haat, in je hart, ook dan dood je hem. En de apostel Johannes die suggereert zelfs dat je iemand doodt, als je hem niet liefhebt. Het verbod wordt een gebod. Hij geeft het een stevig fundament. Ieder mens is kostbaar in Gods ogen. Daarom zullen wij voor elkaar kostbaar zijn in elkaars ogen. Kostbaar … . Dat is op tal van terreinen ook een politiek zaak. Als het gaat over het milieu, over de ruimte die wij bijvoorbeeld nog denken te bieden aan onze kinderen en kleinkinderen. Als het gaat over de 3e wereld, over armoede, mensonwaardig leven. Als het gaat over het verkeer, stoppen voor rood licht, snelheden beperken, rijden in een veilige auto. Als het gaat over zoveel andere zaken … . Gij zult niet doden. Gij zult bewust, zorgvuldig, liefdevol leven.

Ik besef dat het allemaal wettisch klinkt, moralistisch, verplichtend, beperkend. Waar is de bevrijdende boodschap, de uittocht uit Egypte, uit het knechtshuis? Waarom zouden we ons zo druk maken over dit gebod? Waarom zouden we in liefde onze medemens zoeken in plaats van ons van hem af te keren? Omdat God ons in liefde heeft opgezocht. Omdat Hij in Jezus Christus zich voor ons heeft ingezet. Hij is als het ware de vloer, de basis van ons leven. Hij draagt ons, ook als wij door de vloer van het leven heenzakken, als wij ons zelfgenoegzaam afkeren, weglopen … . Hij laat ons niet los … .

Alphendebron/020721



Print deze pagina

© 2002, KWdJ