Schriftlezing: Exodus 20: 14; Spreuken 6: 32 – 35; Mattheüs 5: 27 – 30; Efese 5: 25 – 33

Thema: Het zevende gebod

‘De tien geboden kun je toch maar niet zo elke zondag lezen?! Twee van mijn kinderen zijn gescheiden. Wat moet je dan met “gij zult niet echtbreken”? Dat moet je toch uitleggen, dat moet je dan toch aanpassen …?!’ Zo zei een vrouw een aantal jaren geleden tegen mij. In de gemeente waar zij toe behoorde werden de tien geboden geregeld op zondagmorgen gelezen. Achter die paar zinnen gaat een verhaal schuil. De kinderen zijn getrouwd, prachtige bruiloften, feestelijke dagen. Ze zijn toch maar goed terecht gekomen. En dan die zwarte dag met het bericht ‘mam, ik moet je iets vertellen’. De schok, het verdriet, boosheid misschien, vragen wellicht: kan het niet anders, moet dit nou zo? Vervolgens zorgen en piekeren. En dat niet één, maar twee keer. Het belangstellende of het pastorale gesprek zal in eerste instantie op die gevoelens ingaan. Maar als er enige afstand genomen kan worden, als er tijd komt tot reflectie en nadenken, dan roepen deze zinnen ook enkele vragen op. Daarbij denk ik nog niet eens aan de vraag, of dat nu inderdaad zo vanzelfsprekend is, dat een andere tijd, een andere omgang van mensen – huwelijkspartners in dit geval – dan ook maar betekent dat het bijbelse gebod veranderd moet worden. Nee, ik denk veeleer aan de vraag of echtscheiden hetzelfde is als echtbreken. Wat dat betreft neem ik alvast maar een voorschot. Het antwoord is ‘nee’. De oude Statenvertaling verklapte dat al. In het Hebreeuws staat zowel in Exodus als in Deuteronomium (5: 18) hetzelfde woord, maar het werd verschillende vertaald: de ene keer met echtbreken de andere keer met overspel doen. Met andere woorden: het gaat om het gedrag dat je getrouwd bent met de een, maar het tegelijkertijd ook houdt met een ander. Echtbreken is dus iets ánders dan echtscheiden. Maar – en dat is een volgende vraag – wat betekent het dan voor ons? Bij ‘u zult niet doden’ ging het op het eerste gehoor ook om iets dat gelukkig niet zo vaak voorkomt. Ik wil mijn ogen niet sluiten voor de realiteit, ook niet wat betreft onze kerkelijke gemeente, maar echtbreuk is ook niet dagelijks aan de orde. Toch heeft ook het zevende woord een bepaalde universele pretentie. Waar wil het ons toe aanzetten? Ouderen denken dan wellicht aan de zonde tegen het zevende gebod. In feite betrof dat alles wat met sex en sexualiteit buiten het huwelijk te maken had. Het leek in de kerk in vroeger dagen soms wel de enige zonde. Ik wil dit keer opnieuw een onderzoek wagen. Waar gaat het om? Wat wordt van u en mij verwacht? Wat staat ons (niet) te doen?

Alvorens we kijken naar de tekst en de context past een waarschuwing. Die is vrouwonvriendelijk. Tenminste, zo komt dat nu op ons over. Ook het 7e gebod staat in de eerste plaats in een patriarchale cultuur, een mannencultuur. ‘U zult niet echtbreken’. Dat betekent voor de man, getrouwd of ongetrouwd: u zult het niet aanleggen met een getrouwde vrouw. Sex met een ongetrouwde vrouw kan evenmin, maar is van een andere orde. Dat komt ook tot uiting in de straf, die is aanzienlijk lager. In zo’n situatie staat altijd de mogelijkheid van een huwelijk open, ook als de man al getrouwd is. Een man met meer vrouwen behoorde immers tot de mogelijkheden. Voor de vrouw, expliciet de getrouwde vrouw betekent het verbod: u zult geen affaire beginnen met een andere man, of hij nu getrouwd is of niet. Samengevat. Een man kan alleen de echt, het huwelijk, van een andere breken. De vrouw kan alleen haar eigen echt, haar eigen huwelijk, breken. Als we in het OT lezen van een gehuwde vrouw, dan staat daar letterlijk een be-heer-de vrouw. In het oude huwelijksformulier werd de verhouding tussen man en vrouw ook geschetst als die van iemand tot haar heer. Dat heeft lang doorgewerkt. In de Nederlandse wetgeving was het vijftig jaar geleden nog zo, dat een gehuwde vrouw handelingsonbekwaam was. Zij mocht niet zelfstandig haar handtekening zetten.

Hoe nu verder? U kunt zo nog zo bijbelvast zijn, nog zo weinig van feministische tendensen moeten hebben: deze verhoudingen zou u toch zo snel niet willen overnemen, als dat al zou kunnen … . Waar gaat het in essentie nu om? Het 7e gebod, het 7e Woord is voor Israël bepaald niet onbelangrijk geweest. In omringende landen kon overspel worden afgekocht. In de mozaïsche wetgeving klinkt onverbiddelijk de doodstraf (hoewel er voor sommige situaties verzachtende omstandigheden en mildere straffen gelden). Op die doodstraf op zichzelf willen we hier niet verder ingaan. Het illustreert alleen: het gaat hier om iets fundamenteels! Iemand vertaalde het gebod met ‘beledig niemand in zijn huwelijk’. Overspel als een belediging. Gevoelsmatig klopt dat. Mensen zijn diep geraakt, gekwetst, als ze ontdekken dat hun partner vreemd is gegaan. Er ontstaat grote verwarring, onzekerheid: wie ben ik, wat en ik waard (voor de partner betekende ik blijkbaar niet zoveel …). Overspel als belediging, als aantasting van de eer. Het past in de lijn van de geboden. Het 6e Woord verbiedt dan een ander zijn leven te nemen, het 7e een ander zijn eer en gevoel van eigenwaarde te nemen, het 8e verbiedt een ander zijn bezit te ontnemen.
De ander … . Maar daar komt nog iets bij. Jezus attendeert ons daarop in de bergrede. Niet alleen het lichamelijke, het fysieke, de sex met die ander is echtbreuk. Nee, alleen als je kijkt naar die ander, dan is het al mis. Enerzijds een radicalisering: niet alleen het lichamelijk … . Anderzijds een relativering: wie kijkt er nu werkelijk nooit naar een ander … ?! Jezus laat zien: echtbreuk, overspel, zelfs alleen maar door te kijken, dat heeft invloed op jezelf. Het corrumpeert. Het zet je op de verkeerde weg.

En dan? Dit alles is natuurlijk niet onbelangrijk. Maar wat heeft het met God te maken? Het zal toch waarachtig om meer gaan dan wat psychologische peptalk bij Oprah Winfrey op de bank, of een ander TV-programma waar mensen met welgemeende adviezen maar huis terug keren.
Twee lijnen, zowel in OT als NT. In het OT wordt de verhouding tussen God en Zijn volk geschetst als die van een huwelijk, met name bij de profeet Hosea. Omgekeerd wordt ook het huwelijk vergeleken met het verbond tussen God en Zijn volk. In het NT is het niet anders. De verhouding tussen Christus en Zijn gemeente is een beeld van, een voorbeeld voor het huwelijk, voor mensen die zich met elkaar willen verbinden, die samen op weg willen gaan. Maar ook dan geldt het omgekeerde. Mensen die samen op weg zijn gegaan, mensen die huwen, trouwen (let op dit werkwoord!), verwijzen naar Christus en Zijn gemeente.
We kunnen daarbij nog een spa dieper afsteken, wat inhoudelijker worden. Hoe gaat God met Zijn volk om? Begint in Genesis 1 met grote harmonie, met eenheid, eensgezindheid, geluk. Daarmee eindigt het ook in Openbaring 22. We proeven in de eerste hoofdstukken van Genesis Gods liefde, Zijn tederheid, het genoegen dat Hij schept in het scheppen van de mens (‘zeer goed’, zo constateert hij instemmend). We beluisteren in het laatste hoofdstuk van de bijbel de vreugde dat alles goed komt: eind goed, al goed. We ervaren iets van de verwondering: hoe is het mogelijk, na alles wat er is gebeurd; hoe is het mogelijk na zulke diepe dalen, na ontrouw, na stevig vallen en moeizaam weer opstaan? Daarbij past slechts één woord van Gods zijde: trouw. God zet alles in. Hij zet zichzelf in: eerst zo is er ruim baan voor een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Trouw! Dat is het trefwoord, waar het in het 7e gebod om draait. Trouw aan elkaar. Jij bent naast God de eerste en enige in mijn leven. Trouw: ik geef je alle vrijheid, ik wil je nergens toe dwingen. Trouw: ik doe mijn best jou te begrijpen, door een blik in je ogen, door een half woord, door een enkele handeling. Trouw: ik doe alles om het jou plezierig en naar de zin te maken. Trouw: ik probeer eerlijk te zijn, ook als dat soms minder aardig voor jou is. Trouw: ik steun je, al doe je misschien dingen die ik niet altijd begrijp. Trouw: als we elkaar kwijt zijn, dan zoek ik de weg terug. Trouw: ik heb geduld … . Trouw, dus altijd trouw, kostte wat het kost? Betekent ‘u zult niet echtbreken’ dus uiteindelijk toch ‘u zult niet echtscheiden’? God houdt in Zijn trouw vol. Wij niet, niet altijd. Soms gaat het gewoon niet meer, dan gaat het onze vermogens te boven. God begrijpt dat. Juist Hij heeft ervaren, hoe ontrouw deze wereld is geweest. Hij kent de aanvechting van een wereld die Hem in Jezus Christus afwijst, die Hem kruisigt.
Trouw: niet alleen in het huwelijk, niet alleen in de liefdesrelatie. De trouw waar het God om gaat die omvat al onze omgang met elkaar, in de gemeente, daarbuiten.
‘U zult niet echtbreken’. Een hoog ideaal. Want ook in dit gebod gaat het ten eerste en ten laatste om God Zelf.

Alphendebron/020818




Print deze pagina

© 2002, KWdJ