Schriftlezing: Exodus 20: 15; Leviticus 25: 8 – 13, 23; Lucas 6: 27 – 38

Thema: Het achtste gebod

Stelen, diefstal. We kennen het in allerlei vormen. Iemand komt terug van vakantie en ontdekt dat zijn huis is leeggehaald. Dat veroorzaakt boosheid: dat een vreemde zomaar aan je spullen heeft gezeten. Dat leidt tot verdriet: bepaalde voorwerpen hebben een emotionele waarde en zijn eigenlijk onvervangbaar, al betaalt de verzekering nog zo veel. Een ander wordt op straat bestolen. Na de brute beroving is ze nog steeds vol schrik en ongeloof: een paar jongens op een brommer scheurden voorbij en sneden met een mes de schoudertas af. Wat had er nog meer kunnen gebeuren … . Weer een volgende staat in een winkel en is letterlijk ziek geworden van de vele winkeldiefstallen. Het ging nooit om iets groots, maar vele kleine maken een grote. Het is moeilijk aan te pakken. De machteloosheid leidt tot agressie. Zo vreemd is het toch niet, dat een kruimel dief wordt afgetuigd … . Wat er ook gebeurd is, in alle gevallen overheerst het gevoel: ze moeten met hun tengels van mijn spullen afblijven! Daar valt veel, zo niet alles voor te zeggen. Maar er staat: gij, ú zult niet stelen. Niet zij, niet alleen zijn. Ook ú. Maar, zo zullen velen tegenwerpen, dat doe ik toch niet, stelen?! Ik heb nog nooit een huis leeggehaald! Ik heb nog nooit iemands tas afgerukt en meegenomen! Ik heb nooit zonder te betalen een blikje uit de winkel meegenomen!

U zult niet stelen. Een eerste vraag die daarbij gesteld kan worden is: waar gaat het om? Wat mag er dan niet gestolen worden. Het antwoord lijkt voor de hand te liggen: dingen, goederen, geld. De uitleggers maken ons erop attent, dat het van origine niet om dingen gaat, maar om mensen. Ze wijzen dan onder andere op de context. In het 6e Woord gaat het om eerbied voor het leven van een ander, in het 7e om eerbied voor het huwelijk van een ander, en in het 9e om de goede naam en eer van een ander. In al deze Woorden gaat het om de mens in relatie tot een ander mens. In dat verband zou het 8e Woord misstaan, als het alleen om dingen zou gaan. Het 8e Woord staat dan in geen verhouding tot het gewicht dat de andere Woorden in de schaal leggen. Steel niemand: u kunt een ander niet zomaar tot slaaf maken, of de slaaf van een ander stelen.
Daar komt nog iets bij. Het gaat bij de meeste Woorden uit de tweede tafel van de tien geboden om halsmisdrijven (zeker bij het 6e en 7e): op overtreding staat de doodstraf. Het stelen van dingen wordt relatief licht gestraft. Als het gestolene te achterhalen is, dan dient het twee maal vergoed te worden. Als het niet meer te achterhalen is, dan is de boete hoger: vijf keer de waarde van het gestolene. Maar er zijn ook situaties waarin de dief slechts eenvijfde van de waarde als boete hoeft te betalen. Dat is nog eens iets anders dan de hand afhakken van een dief, zoals dat bij ons in de Middeleeuwen wel gebeurde, of heden ten dage in bepaalde islamitische landen. Israël, de joodse wetgeving is in dit opzicht opvallend mild, zeker in vergelijking met de toenmalige grootmachten Egypte en Babylon. In de grootmachten van de oudheid waren eigendomsverhoudingen wezenlijk, een hoeksteen voor de samenleving. Daar kon diefstal in bepaalde gevallen zwaar worden gestraft, zelfs met de doodstraf. Waar God temidden van zijn volk kiest voor het ‘zijn’ (denk ook aan Gods naam!), daar kiezen de andere volkeren voor het ‘hebben’.

U zult niet stelen. We houden ons aan de tekst zoals we die nu kennen. Dat omvat beide, zowel mensen als dingen. Maar dan rijst er wel een vraag als het om dingen gaat. Hoe komt de God van Israël daarin zo mild? Wat is het geheim van die relatief barmhartige houding? Te meer daar ons gevoel heel anders spreekt: stevig aanpakken de dief – waarom zou winkelpersoneel niet mogen slaan bij het betrappen op heterdaad? – streng straffen, opsluiten voor een flinke tijd!
Twee opmerkingen in dit verband. De eerste is: diefstal laat zich ongedaan maken. Dat is een wezenlijk verschil met doodslaan/moorden, echtbreuk en het aantasten van goede naam en eer. Hoewel: de ervaring van het bestolen worden verdwijnt nooit (helemaal). De tweede opmerking reikt verder, is van veel groter belang. De Bijbel (en zeker het Oude Testament) gaat er vanuit dat de aarde, heel de schepping niet het bezit van mensen maar van God is. Vergelijk in dat verband ook de 24e psalm, waarvan de berijming luidt: ‘de aarde en haar volheid zijn, des Heren koninklijk domein’). Het beloofde land is principieel een gegeven land: ieder krijgt een stukje, voldoende om van te leven. Van daaruit kent de oudtestamentische wetgeving ook de instelling van het jubeljaar (waarvan we overigens niet weten, of het ooit gepraktiseerd is). Na 7x7 jaar breekt het jaar aan, waarin alle eventuele grondverkoop ongedaan wordt gemaakt. De grond is als het ware de basisverzekering, een levensverzekering: er is voor ieder genoeg om van te leven. Als het er op aan komt, dan is land in de Bijbel nooit in het bezit van N.N. (vul maar willekeurig welke naam, uw naam in). Het is van de Here God. Land verschaft voedsel, leven. Land verschaft daarmee idealiter de basis om honger en armoede weg te nemen. Stelen moet niet nodig zijn! Andere wetgeving onderstreept dat: bijvoorbeeld het verbod om rente te vragen voor een lening aan iemand die arm is. Als iemand wel rente vraagt, dan maakt hij misbruik van de situatie, dan roept hij diefstal over de samenleving af.

En praktisch dan, hoe leggen we het 8e Woord dan uit? Het lijkt er even op, of het allemaal niet zoveel uitmaakt. Als toch alles van God is, waarom zou ik dan niet gebruik maken van hetgeen mijn buurvrouw in eigendom heeft? Het zou mogelijk zijn om verder in te gaan op de ideale verhoudingen, zoals de Bijbel die schetst, bijvoorbeeld inzake arbeid en bezit. Het bestek van deze preek maakt dat onmogelijk. Ik wil voor de praktische uitleg van het 8e Woord terugvallen op de Heidelbergse Catechismus (Zondag 42, vraag en antwoord 110 en 111). Ook al is dit belijdenisgeschrift al bijna viereneenhalve eeuw oud, toch is het in de uitleg van dit gebod verrassend actueel. De Catechismus onderscheidt twee lijnen, het vérbod, en het gébod. Bij het verbod wijst de Catechismus in de eerste plaats op de diefstal die bij wet verboden is. Vervolgens gaat de Catechismus verder met andere slinkse streken om het bezit van een ander te krijgen. Daarnaast wordt opmerkelijk genoeg gewezen op gierigheid, vermoedelijk omdat gierigheid van de een de diefstal van een ander kan oproepen. Verder wordt bij het verbod genoemd de misbruik en verkwisting van Gods gaven. Het kost niet veel moeite om door de eeuwen heen de lijn te trekken naar deze tijd waarin Gods gave van de schepping op allerlei manieren bedreigd wordt. Na het verbod komt het gebod: dat ik mijn naaste behandel zoals ikzelf behandeld zou willen worden; en dat ik me inspan om de armen te kunnen bijstaan.

Dat biedt ons wat handvaten om de praktische boodschap van het 8e Woord wat verder uit te werken. U zult niet stelen. Zeg niet te snel, dat u niet steelt. Er zijn tal van momenten, dat ook wijzelf op het randje terecht komen van wat oorbaar is. Wat doet u, als u aan de kassa staat en teveel terug krijgt. Meldt u dat? Of komt het geregeld voor dat u eerder weg gaat van het werk, of dat u privé belt op het werk? Of, nog wat subtieler, is het wel eens voorgekomen dat u een boek leent van een ander (of van de bibliotheek) en dat beschadigt teruggeeft? Of staat er geld op een bankrekening met een stevige rente, waarvan u toch eigenlijk wel kunt vermoeden dat er op een of andere manier een luchtje aan zit? Of … . In de klassieke verklaringen krijgen soms ook de voorgangers een punt om over na te denken. Zo staat in een geloofsbelijdenis uit 1562, dat een predikant ‘recht en vroom’ moet preken. Anders krijgt hij zijn traktement ten onrechte en dat is … stelen. En zo kunnen we nog wel even doorgaan met voorbeelden. Het komt eigenlijk steeds weer op dezelfde vraag neer: waar heb ik recht op, waar kan ik aanspraak op maken? De Tien Woorden zelf helpen al een stukje op weg. Je hebt geen recht op het leven van een ander. Je hebt geen recht op de partner van een ander. Je hebt geen recht op de goede eer en naam van een ander. Wat algemener: je moet bij een ander laten, wat niet strikt van jou is. Omgekeerd: alles wat ik bezit, dat heb ik uiteindelijk ook maar weer gekregen … .
Tegelijk klinkt door het Bijbelse getuigenis heen dit: wat wíl God, wat is in het 8e Woord het teken van het Koninkrijk Gods? Dat er niet gestolen wordt. Dat er niet gestolen hóeft te worden. Let wel: veel diefstal hoeft helemaal niet. Die is het gevolg van gemakzucht, van baldadigheid, van hebzucht (het verlangen makkelijk en snel rijk te zijn), van verslaving en van wat al niet meer. Maar diefstal kán ook het gevolg zijn van een fundamenteel tekort. Fundamenteel: het hóeft niet. Dat is ook de betekenis van de uitspraak van bisschop Muskens een aantal jaren geleden: iemand die honger heeft mag een brood stelen. Dat moet niet hoeven in ons land. En de bakker die er last van zou hebben, zouden we zonder enige aarzeling moeten compenseren.

U zult niet stelen. Het blijkt nogal wat te betekenen, juist ook als we lezen: ú mag niet stelen. Hoe houden we dat vol? Wat inspireert ons om ook dit gebod op te volgen, naar dit 8e Woord te leven? God is een gevende God: Hij schenkt ons het leven; Hij schenkt ons de zon die elke dag die over alle mensen opgaat; Hij heeft ons Jezus Christus gegeven, het/de liefste die Hij heeft; in Jezus Christus gaf Hij alles, tot Zichzelf in de dood toe. Wat geven wij dan, in verhouding met deze grote gave van Godswege? Wie deelt in die grote gave van Godswege, wie deelt in Gods vergeving en Gods verzoening, die wil delen van alle rijkdom die Hij heeft, die beseft hoe betrekkelijk al die materiële zaken uiteindelijk zijn. Als een mens van Gods liefde heeft geproefd, dan wil hij niet anders meer dan geven. U zult niet stelen: wie dat gebod volgt is een levend teken van Gods gevende liefde.

Alphendebron/030720




Print deze pagina

© 2003, KWdJ