Schriftlezing: Exodus 20: 16; Jakobus 3: 1 – 12

Thema: Het negende gebod

Ook dit keer lijkt het niet zo moeilijk. Geen vals getuigenis geven: niet liegen, geen onwaarheid spreken, niet roddelen. Of als we het positief proberen te formuleren: in wat je zegt uit zijn op de waarheid. Zoiets. Maar dat stelt voor problemen. Want er zijn nogal wat verhalen in de Bijbel, waarin onverbloemd gelogen wordt. En het lijkt nog niet eens consequenties te hebben ook. Jakob liegt tegenover zijn vader Isaäc over zijn naam, over wie hij is. De vroedvrouwen in Egypte, ze verzwijgen de waarheid over hoe het toch kan dat de Hebreeuwse jongetjes blijven leven. Mozes probeert farao onder valse voorwendsels over te halen om weg te mogen trekken uit Egypte, namelijk om feest te vieren in de woestijn. Rachab houdt de Hebreeuwse verspieders verborgen voor de mannen van Jericho. Samuël zegt, dat hij een offer gaat brengen, maar zelf intussen in het diepste geheim David tot koning. Paulus zegt tegenover het Sanhedrin dat hij vanwege zijn opvatting over de opstanding der doden is opgepakt, terwijl dat helemaal niet de aanleiding was. Het is slechts een middel om de aanwezige partijen tegenover elkaar uit te spelen. Zelf hebben we ook wel voorbeelden, waarvan we in ieder geval het gevoel hebben dat liegen geoorloofd is: denk aan de oorlog en onderduikers, waarin het geboden was om te zwijgen, soms zelfs te liegen.

Letterlijk staat er in het negende Woord zoiets als: u zult niet antwoorden als leugen-getuige tegenover uw naaste. Dat geeft in de klank van de woorden precies het oorspronkelijk kader van dit verbod aan: een rechtszaak. Dat is overigens wel een rechtszaak in een volstrekt andere context. Er bestond geen rechterlijk apparaat, zoals wij dat kennen. Er was geen politie om aangifte te doen. Er waren geen advocaten. Er was geen DNA, geen vingerafdrukkentechniek, of wat voor andere technische bewijsvoering dan ook. Als iemand iets wilde regelen, of een aanklacht in wilde dienen, dan moest hij (!) naar voren komen en de hulp van de oudsten inroepen om een oordeel over zijn zaak te vellen. De getuige was dikwijls ook zelf de aanklager. Het getuigenis was vrijwel het enige bewijs. De moord moest gezien zijn. De diefstal moest op heterdaad betrapt zijn, of de goederen bij een ander gevonden worden. Het negende gebod was een soort verzekering voor een eerlijke rechtsgang. Op het positief getuigenis van twee getuigen ‘hing’ iemand, figuurlijk en soms ook letterlijk. Het negende gebod is een van de fundamenten onder een samenleving, die het vertrouwen waard is, die geborgenheid biedt.
Maar er is nog iets dat van belang is voor het verstaan van dit gebod, zeker waar het de vertolking naar het heden betreft. Er staat dus letterlijk zoiets als: niet antwoorden als leugen-getuige. U hoort misschien het subtiele verschil: áls leugen-getuige. Het gaat om meer dan om het spreken alleen. Het is een bepaalde manier van optreden, een bepaalde houding. Het gaat niet zozeer om het zeggen, maar om het zijn. Het gaat niet om de woorden en de daarachter liggende feite, maar om de mens die jij bent tegenover je medemens, je naaste. Ik kreeg van mijn moeder ooit eens het advies mee: als ze weer lelijk beginnen te doen, dan zeg je maar ‘wat je zegt ben je zelf’. Let erop, in woorden en daden: je laat zien wie je zelf bent, wat je waard bent, als mens, als burger, als gelovige. Bouw je op? Of breek je af? Nog een stapje verder: de woorden, het getuigenis, dat is juist in dit gebod niet waarop gedoeld wordt. De woorden, het getuigenis, is slechts een middel. De hamvraag is steeds weer: zijn die woorden, is dat getuigenis gericht op een hele, een heilzame, een zuivere, een heilige gemeenschap (kerk, maatschappij)?
Ooit vroeg een leraar aan een leerling: breng mij iets wat tegelijk het slechtste en het beste van de mens vertegenwoordigt. De leerling zocht lang. Uiteindelijk kwam hij terug met een koeientong. Tong en taal: ze brengen het beste én het slechtste voort, ze zorgen voor zegen én vloek, ze vertolken liefde én haat, ze bouwen op én breken af. De apostel Jakobus vraagt het zich vertwijfeld af: hoe dat toch, het mag toch niet zo zijn?! De mens is het hoogste levende wezen dat God in Zijn schepping heeft voorgebracht, alle ander levende wezens legt de mens aan zijn voeten, bedwingt hij. Hoe kan het dan, dat de mens zijn tong niet in bedwang kan houden?

Laten we in de praktische vertaling ver weg beginnen. Dat is om te beginnen ook wel zo veilig. Ik begin met een voorbeeld uit de reclame. Een bekende Nederlandse prijst een crème aan. Voor haar is dit de beste, de gezondste, beter bestaat er niet. In een interview in een blad blijkt later, dat ze in de praktijk een heel ander merk gebruikt. Natuurlijk, zeggen we dan, acteren is haar vak, zo gaan die dingen. We vinden het heel gewoon. Maar tegelijk, het suggereert het bestaan van twee werelden, van twee waarheden. Het is tekenend voor een dubbelhartigheid die heel de samenleving doortrekt. Niet de waarheid, maar het geld geeft de doorslag. We zouden ook kunnen denken aan de politiek. Recent is er opnieuw rumoer ontstaan over de geluidsnormen van Schiphol. Een partij, indertijd in de regering en nu in de oppositie, suggereert dat indertijd fouten zijn gemaakt bij de besluitvorming. Het had zo nooit gemogen. Een ander voorbeeld uit de politiek betreft de bezuinigingen. Een van de bewindslieden suggereert: we hadden in een vorig kabinet al veel meer moeten korten. We zijn toen veel te royaal geweest. Aan de ene kant kunnen we dergelijke openhartigheden prijzen. Aan de andere kant kunnen we er grote vraagtekens bij plaatsen. Dit alles helpt niet om vertrouwen te houden in de politiek, in het landsbestuur. Het ondermijnt de samenhang en de saamhorigheid, die door de individualisering toch al onder hoge druk staat. Wie en wat moeten we een volgende keer geloven als een politicus iets zegt? Het negende gebod strijdt tegen dit soort tendensen: spreek zo dat een ander jou kan vertrouwen, zich veilig bij jou kan voelen, dat een ander – hoe anders hij of zij misschien ook in elkaar zit – alles, zelfs zijn portemonnee, aan jou durft toe te vertrouwen. Want in spreken en in zwijgen, in doen en in laten ben je een integer mens!
En dan nu wat dichterbij. Wat moet u nu wel en wat nu niet zeggen? Als iemand met grote vragen tobt. Mag u in zo’n geval zeggen: ‘rustig maar, het komt wel goed!’ Bij de een, en op het ene moment kan dat zinvol zijn, nodig, troostend. Maar een andere keer kan precies hetzelfde antwoord goedkoop zijn, zo zelfs dat een ander zich bedrogen voelt, niet begrepen, onveilig, op afstand gezet. Het omgekeerde kan net zo goed. Moet je iemand die niet lang meer te leven heeft, in alle gevallen dat ook onverbloemd duidelijk maken? Vaak wel, maar soms ook niet. Er is nooit een pasklaar antwoord.
Een ander voorbeeld. Iemand is ongelukkig met de gang van de kerkdiensten, of met de inhoud van bepaalde preken. Het kan dan heel goed lijken, om daar niet teveel ruchtbaarheid aan te geven, om terughoudend met die kritiek om te gaan. Maar dat kan uiteindelijk ook heel subversief werken, ondermijnend. Het kan zelfs afstand creëren, onbegrip over en weer. Het is vaak maar beter om er mee voor de dag te komen – en bereid zijn praktisch een bijdrage te leveren om de situatie te verbeteren. Het 9e gebod vraagt een man/vrouw uit één stuk.
In dit rijtje past ook het praten over een ander, wat wij roddel noemen incluis. ‘Heb je het al gehoord …?’ ‘Ik heb begrepen … ‘. Nu is het niet bij voorbaat fout om iets over een ander te vertellen. Iemand zal zich daarom steeds moeten afvragen: waarom vertel ik dit? Doe ik dit ten dienste van een ander, van de gemeenschap? Of komt het in feite voort uit jaloezie, leedvermaak, of hooghartigheid? ‘Hoe kan een ander nu zo stom doen … ?!’ ‘Net goed, dat haar dat nu overkomt!’ Wat is het soms toch moeilijk om opbouwend over elkaar te spreken … !

Niet antwoorden, niet optreden als leugen-getuige. Spreek, doe, leef de goede woorden. Dat is moeilijk, ingewikkeld. Het is zelden eenduidig. Als ergens het woord duivels op zijn plaats is, dan wel bij het 9e Woord. Het woord duivel is nauw verwant met ons woord twee (vergelijk: duo). De duivel is in de bijbel altijd de wigdrijver. Zo kunnen woorden werken, als wigdrijvers. Goede woorden daarentegen brengen een mens bij zichzelf (als eerlijk, oprecht, integer), bij een ander (bijvoorbeeld die zieke die zo verlangt naar nabijheid), bij anderen (bijvoorbeeld bij kritiek in de gemeente of een vereniging of andere groep), en in dat alles bij God die in Zijn gave van Jezus Christus juist de harmonie, de heelheid, de nabijheid, de verzoening heeft gezocht en bewerkstelligd.
Anders gezegd: niet optreden als leugen-getuige, want wat je zegt ben jezelf. Wat wilt u nu zijn, betekenen voor uzelf, voor een ander, voor anderen, voor God? Heil brengend, heelmakend, een betrouwbare getuige?

Alphendebron/030810


Print deze pagina

© 2003, KWdJ