Schriftlezing: Exodus 20: 17 en Romeinen 7: 13 – 25

Thema: Het tiende gebod

Op het eerste gehoor is dit een lastig gebod. Bij de andere geboden zullen de meesten zeggen: dat wil ik niet, dat doe ik ook niet. Geen gesneden beeld maken/vormen, niet doodslaan, niet stelen … . Het is doorgaans niet zo moeilijk om dat te laten. Maar niet begeren, geen wens koesteren … . Dat ligt een stuk moeilijker. Dat mooie vrijstaande huis (van een ander). Die beeldschone vrouw, die aantrekkelijke man, die schitterende ring, zo’n goed verstand, die uitstekende baan (van een ander) … . Jaloezie, natuurlijk dat ook, omdat het van een ander ํs – hij heeft het, ik niet. Maar zonder meer verlangen om iets te hebben, gaat het daar ook over? Als ik de catalogus van theologische boekhandel Wever doorblader, dan zie ik heel wat interessante boeken … . Die catalogus maar dicht laten in het vervolg?!
Bij dit alles komt nog wat. Het is ook nog n’s een vreemd gebod. Bij de andere Woorden, zeker die op de tweede tafel, gaat het om uiterlijke gedragingen: het is waar te nemen, het is te zien. Begeren daarentegen is iets innerlijks. Het is niet direct te zien. In toenmalige wetboeken in buurlanden als Egypte en Babel was dat onbekend. Er stonden alleen openbare, zichtbare misdragingen in. Tot op de dag van vandaag is het zeldzaam dat wetgeving zo direct over het innerlijk van een mens oordeelt.

U zult niet begeren. Begeren: een klassiek woord. Persoonlijk heb ik de neiging om dat te vertalen met verlangen. Dat komt dichtbij, maar eigenlijk is het te zwak. Begeren is sterker, komt meer van binnenuit, het is vaak ook langduriger, niet of nauwelijks te stoppen of te stillen. Bovendien is het vaak negatiever gelaten. Er zit iets in van ergens naar toe getrokken worden. Of we nu willen of niet. De Bijbel geeft zelf al een prachtig en tegelijk fundamenteel voorbeeld: de vrouw in de hof van Eden (of, wat populairder: Eva in het paradijs). Ze is in de war gebracht door de slang. Ze staat voor de ene boom, waarvan ze niet eten mag. En dan begint het. Ze ziet, dat juist die boom goed was om van te eten. Dat gaat nog. Dat heeft iets van dat mooie vrijstaande huis dat we hebben gezien, of die schitterende ring. Maar dan gaat het verder. Ze ziet, dat de boom een lust voor het oog is. Dat is een stapje dichterbij. De boom trekt. En ze gaat verder: ze ziet, dat de boom aantrekkelijk was, om daardoor verstandig te worden. Nog een stapje … . De laatste stap is nu bijna onvermijdelijk. Ze plukt de vrucht. Eigenlijk is het dan al te laat. Ze eet. Iemand vertaalt daarom het 10e Woord met: u zult uw hand niet uitstrekken naar … . Daar zit een beweging in, steeds dichterbij het voorwerp/object, dat je wilt pakken, dat je met je hand naar je toe wilt halen, toe wilt eigenen. Denk aan het 8e Woord, u zult niet stelen: niet pakken, niet toe-eigenen. Het 10e Woord verbiedt alles wat daaraan vooraf gaan, de gevoelens, de gedachten, de voorbereidingshandelingen. In de ban raken van iets. Jaloezie. Voortdurende ontevredenheid met je eigen situatie.
We hebben waarschijnlijk de neiging om te zeggen: dat is minder erg. Maar het 10e gebod suggereert ons dat het even desastreus kan zijn voor het samenzijn, het samenleven. Hoor maar. Een vrouw kocht in het najaar twee klimrozen, om bij haar schuurtje neer te zetten. Ze plantte ze, de witte aan de korte kant, de rode aan de lange kant. Ze deed alles wat nodig was en in het voorjaar schoten ze omhoog, de bladeren glansden in de zon. De vrouw volgde ze op de voet. De rode roos bloeide het eerst, snel daarna volgde de witte. Op een dag waren ze zo uitgegroeid dat beide rozen elkaar ontmoeten. De rode roos keek naar de witte: wat een pracht, wat een schoonheid, wat een tederheid! Ze schaamde zich voor haar dominante, overheersende aard. Ze boog haar blaadjes naar elkaar toe en liet haar kopje hangen. Met de witte roos ging het al niet veel anders. Ze was geraakt door de warme gloed van de rode roos. Ze schaamde zich voor haar eigen bleke kleur, koel en kil. Ook zij vouwde haar blaadjes en terwijl ze haar kopje boog knakte de steel. Beide klimrozen lieten hun knoppen en bloemen verwelken. Wat de vrouw vervolgens ook deed, met mest en water, liefde en aandacht, niets hielp.

Maar er is meer, er valt verdieping aan te brengen. De Tien Woorden beginnen met een opschrift, volgens de Joden is het zelfs het eerste Woord: Ik ben de Heer, uw God, die u uit het diensthuis Egypte uitgeleid heb. Ofwel: Ik ben uw bevrijder. U zult aan niemand meer horig zijn, geen slaaf zijn, van niemand en niets. U zult vrij zijn. Zo willen de geboden gelezen worden. Als een schotschrift, een revolutionair pamflet. De uiterste consequentie daarvan is, dat we op geen enkele wijze zelfs maar in de richting van de verbodsgebieden getrokken zullen worden: niet begeren, niet verteerd worden door verlangen, niet getrokken worden door mis-daad, zonde. Het tiende gebod zet alle geboden op scherp. We horen de Tien Woorden aan, we knikken begrijpend, toch best wat ingenomen met onszelf, zo slecht doen we het toch ook weer niet … . Het tiende gebod zegt: kijk nog eens goed! Het tiende gebod relativeert alle geboden: denk niet te snel, dat je er wel bent. Daarmee accentueert het tiende gebod alle geboden. Niet doodslaan: dat wil dus ook zeggen, dat zelfs de gedachte niet bij je opkomt dat je iemand w่g wilt hebben. Niet echtbreken: dat wil dus ook zeggen, dat je zelfs uit moet kijken met die ene blik … .
Paulus heeft in de Romeinenbrief een dieptepeiling gedaan. Hij heeft gekeken naar de wereld om zich heen, met alles wat hij daar aantreft aan buitensporig geweld, honger … . Hij heeft zichzelf de vraag gesteld: hoe kan dit allemaal? Hij heeft niet alleen gewezen naar ‘ze’, ‘de anderen’ … . Hij heeft ook eerlijk naar zichzelf gekeken. Allerlei goede bedoelingen. Niets mis mee. Ik wํl het goed: dat ander gelukkig is; dat ik mijn kinderen zo opvoed dat ze God zullen vinden, Hem in heel hun leven zullen dienen; dat iedereen op deze wereld voldoende heeft om te eten; dat zulke verschrikkelijke gebeurtenissen als in Isra๋l niet plaatsvinden, dat de geweldsspiraal doorbroken wordt. Maar het breekt me bij de handen af. Ik kan de wereld niet op mijn nek nemen. Als het erop aan komt, kies ik voor mezelf, voor mijn gezien, voor … . Ik wil wel, maar … . Ik voel me soms zo machteloos. Ik ellendig mens, ik uitlandig mens, ik die mijn thuis, mijn levensbron en levensdoel niet kan vinden. Is dat te somber, te fatalistisch, teveel van vroeger? Of is het eerlijk, getuigt het van realiteitszin, inzicht in de wereld, in mezelf? We zijn immers niet klaar met een paar vrome woorden over een goede God. We zijn immers niet klaar met de zoveelste oproep om lief voor elkaar te zijn en dan … . Juist dit inzicht van Paulus kan een aanzet worden tot een ander zicht. Paulus roept: wie zal mij verlossen, wie zal mij losmaken uit die eindeloze cirkelgang, zodat het stopt, anders wordt?! God zij dank voor Jezus Christus. Hij maakt mij los van het verleden, van mijn mislukkingen, van het defaitisme dat het toch allemaal niets wordt. Hij zet mij iedere dag opnieuw op de rails. Hij daagt mij uit om Hem te volgen.
Het gebeurt misschien wat minder vaak dan vroeger, maar geregeld schamperen mensen nog wel eens over christenen en kerk. Wat een pretenties: op zondag in de kerk, maar door de week … . Vaak is dat dik overdreven. Maar het tiende gebod klinkt als een waarschuwing, een vermaning tot bescheidenheid. Zoals iemand mij eens zei: als christen ben ik niet beter dan een ander. Integendeel, als christen geef ik aan: ik kan het niet alleen, ik heb hulp nodig, ik heb Jezus nodig. Juist in het licht (!) van het evangelie zien wij, hoe diep de zonde in ons geworteld kan zijn. Juist in het licht van het evangelie beseffen wij dat we steeds weer vergeving en verzoening nodig hebben om verder te durven gaan. Juist in het licht van het evangelie zien we, dat wij in de wereld het kompas van Jezus nodig hebben. Zonder dat verdwalen we in onszelf.

Alphendbron/030824


Print deze pagina

ฉ 2003, KWdJ