Schriftlezingen: Exodus 20: 2 - 3 en Titus 2: 11 – 14

Thema: Het eerste gebod.

Ter inleiding op het 1e gebod enkele ervaringen die ik opdeed bij bezoekwerk. Iemand zei: ik geloof wel, ik geloof wel dat er iets is. Kan iemand die dat zegt ook het eerste gebod beamen? Een ander merkte op: ik doe mijn best, ik probeer goed te leven. Als we nu allemaal eens zouden leven naar de 10 geboden, dat zou toch al een hele verbetering zijn in de wereld. Als iemand dat stelt, zou hij (of zij!) dan ook hebben stil gestaan bij de eerste vier, de meer op God gerichte: God alleen en daarom geen andere goden, geen gesneden beeld maken, Gods naam niet ijdel gebruiken en de sabbat als universele rustdag?
Ter inleiding op het 1e gebod verder de interviews uit Trouw. Als u de krant leest, dan bent u ze vast wel eens tegen gekomen. Een aantal interviews is ook gebundeld uitgegeven. Bekende Nederlanders worden in deze vraaggesprekken bevraagd aan de hand van de 10 geboden. We zouden denken: dat is een tamelijk universele verzameling van ge- en verboden. Maar dat valt tegen. Elk heeft een eigen idee, als het om God gaat. Midas Dekkers bijvoorbeeld, de bioloog, beschrijft hoe hij langzaam vanuit een klassiek geloof via een geloof in de wetenschap uitkwam op een geloof in het leven (het is er nu eenmaal, meer kan hij er niet meer over zeggen). Jomanda doet het weer anders. Zij zou het woord God willen vervangen door liefde. Dan heeft ze wel wat met God. Hanneke Groenteman geeft met een zekere melancholie aan dat haar ouders geloofden in Drees, dat zij zelf geloofde in Den Uyl, maar dat er van al dát geloof weinig meer over is. De reacties op het 1e gebod zetten de toon voor het vervolg. Dat is al even gevarieerd als de antwoorden op dit 1e gebod.
Ik wil daarom vanmorgen stellen: wie ja en amen kan zeggen op het 1e gebod, die komt vervolgens ook wel bij het 10e uit. Maar: wie om wat voor reden dan ook het 1e gebod afwijst, of er afstand van neemt, die komt vervolgens met de geboden ook nauwelijks meer verder. Het blijft hooguit bij wat hap-snap werk. Anders gezegd: déze Tien Woorden horen bij het geloof in de God van Israël. En omgekeerd: de God van Israël hoort bij déze Tien Woorden. Daarom: wie gelooft, laat zich aanspreken, inspireren, maar ook in zijn leven confronteren door deze woorden.
De aanloop is deze eerste keer wat lang, maar daarmee belanden we toch bij de vraag die we willen beantwoorden. Wat betekent het, dat de Tien Woorden beginnen met ‘Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypte, uit het diensthuis geleid heb’, en wat voor consequenties heeft het dat ons in het verlengde daarvan gezegd wordt: ‘u zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben’?

Het is niet toevallig dat we zojuist het 1e gebod hebben laten beginnen met de woorden ‘Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypte …’. Bij de Joden is dit zinnetje alleen het 1e Woord. Meer niet. Het begin van het tweede is dan wat bij ons het eerste is: ‘geen andere goden’. Trouwens, dat is geen gébod, maar een vérbod. En: wie de volgende verzen doorneemt, die ontdekt dat het inderdaad om gé- en vérboden gaat, en dat het er hoe dan ook tezamen meer dan tien zijn.
‘Ik ben de Heer uw God …’. Dat is toch geen gebod, maar een constatering?! Dat klopt. Maar juist met deze woorden wordt het kader, de ruimte aangegeven waarbinnen het vervolg functioneert. De Heer, úw God … . Deze regels zijn niet afkomstig van een Hij, van een ver weg, hoog verheven. Het zijn regels van een God die Zijn volk kent, en wiens volk Hem heeft leren kennen. Het zijn huishoudregels, te vergelijken met twee mensen die besluiten verder samen op te trekken, samen één huishouding te gaan voeren. Wat is het wézen van God, waarin laat Hij zich in Zijn hart kijken? Nu, in het feit dat Hij bevrijdt, verlost uit benauwenis, uit ellende. Zo is er een klein Joods verhaaltje dat ik u niet onthouden wil. De vraag wordt gesteld: als de Tien Woorden nu zo belangrijk zijn, waarom staan ze dan eigenlijk niet direct aan het begin van de Thora, direct na de schepping? Het antwoord gaat dan als volgt. Stel u voor dat iemand tot u zegt: ik wil koning over u zijn. Tien tegen een, dat de reactie afhoudend is. Waarom zou die ander koning willen, mogen zijn. Waar haalt hij het recht vandaan? Maar als iemand een stad bouwt met alles erop en eraan, u dat geeft, en dán zegt: ik wil koning over u zijn. Dan zou u het waarschijnlijk wel accepteren en ja zeggen. Hij heeft getoond vertrouwen waard te zijn. Zo is het nu ook met de Tien Woorden. God heeft eerst laten zien, wie Hij is, Hij heeft Zich eerst in Zijn hart laten kijken, Zijn liefde getoond.
Ho, halt, zegt de goede hoorder. Het gaat hier toch over Israël. Wij zijn Israël niet, wij staan niet op de berg Sinaď, wij zijn niet besneden. Dat is correct. Maar we zouden wel kunnen zeggen, dat wij door Jezus Christus deel hebben gekregen aan dit volk, dat wij door Hem in dit Zijn volk zijn ingelijfd. We kunnen het ook nog anders benaderen. In dit 1e Woord tekent zich de gestalte af van Jezus Christus: Hij is het die uit het diensthuis leidt, uit de donkere nacht van Egypte, uit het bereik van zonde en kwade machten, uit de doem van kwellende herinneringen als ‘had ik maar’ en ‘als ik nu toch eens’. Niet dit alles zal over ons heersen, maar Hij is Koning over ons leven. Hij is het die de weg voor ons opent naar het beloofde land. Wie zegt: het gaat in elke preek ook weer over Jezus, die heeft gelijk. Alleen en uitsluitend door Hem hebben wij geloof ontvangen. Wie buiten Jezus Christus om wil, die loopt binnen de kortste keren de kans zich wederrechtelijk joods gedachtegoed toe te eigenen, of te verzeilen in vaag-religieuze sferen.
‘Ik ben de Heer uw God, die u uitgeleid heeft …’. Zo is het geweest, in de uittocht, in de weg die Jezus is gegaan tot aan kruis en opstanding toe. Zo is het nu, heden, bij de Sinaď, bij eenieder die vandaag dit Woord hoort: ‘Ik ben’. Zo zal het zijn, zo zal Gods toekomst zijn. Want de Tien Woorden zijn veel meer dan een benepen moraal, dan een aantal regeltjes van wat wel en niet moet, meer dan een opgeheven vingertje. De Tien Woorden vormen een belofte voor de toekomst. In het ‘zullen’ (u zult, u zult niet) klinkt indirect iets door van wat God met ons voor heeft: geen beelden meer die macht over ons uitoefenen, geen tijd meer die terreur over ons uitoefent, geen verstoorde relaties meer tussen ouders en hun kinderen … . In de Tien Woorden wordt de grondwet van het Koninkrijk uitgetekend.

‘U zult geen andere goden …’. Vanuit het voorafgaande wordt dat nu volstrekt logisch. Wie eenmaal in Jezus Christus de God van Israël heeft leren kennen als dé bevrijder, als een die uit de macht van Egypte redden kan (en zo’n redding werd door niemand voor mogelijk gehouden!), als degene die de invloed van zonde en kwaad teniet kan doen, die zegt: Hij is de Ene, Hij is de Enige, alleen Hij doet er toe!
Zijn er trouwens andere goden? Uit mijn kindertijd herinner ik me altijd zoveel als: ze bestaan niet, ze bestaan niet echt. Denk aan de terefim, de afgodsbeeldjes bij de aartsvaders, of aan het beeld van Dagon in de tijd van de Richteren, of aan de Baäls waartegen Elia ten strijde trok. Toch: ze hebben invloed, die afgoden. We zingen erover in psalm 95, 96, 97 … . Ze zijn realiteit. Neem bijvoorbeeld macht. Op zich niet slecht, maar het kan slecht gebruikt worden. Of een auto. Op zich een handig vervoermiddel. Maar het kan welhaast demonische trekken krijgen. En zo zou nog veel meer te noemen zijn. De vraag is steeds weer: waar ligt onze horigheid, waar ligt onze slavernij, ons verslaafd zijn, waarnaar laten wij onze oren hangen … ? Vertrouwen we wel op God?
Letterlijk staat er in het 1e gebod: ‘er zullen voor u voor Mijn aangezicht geen andere goden zijn’. Met andere woorden: ze zullen voor u en voor Mij niet bestaan; Ik, God, wil er niet van weten. Iets anders gezegd. Een andere god, een andere macht kan als het ware tussen God en ons inkruipen. Gods ware gelaat kan onzichtbaar worden, Zijn zegenende, Zijn lichtende gezicht wordt verborgen. Andere goden ontkennen zo, dat God zegent, dat God weldaden te vergeven heeft.

Wie zo leest, wie zo gelooft, die weet: die Tien Woorden zijn boeiend. Het zijn geen hand- of voetboeien die het handelen en lopen belemmeren. Integendeel. Het zijn boeien als in de scheepvaart. Het zijn als het ware voetstappen van de Here Zelf. Ze wijzen ons de weg, van God naar God.

Alphendebron/000716*


Print deze pagina

© 2002, KWdJ