Schriftlezingen: Exodus 20: 4 - 6 en Johannes 1: 14 - 18

Thema: Het tweede gebod.

Tien tegen een: als uw gedachten ergens blijven hangen, dan bij het tweede deel van dit gebod (dit Woord, dit verbod). Het eerste deel kennen we wel, dénken we te kennen. Geen beelden van God - en die hebben we dan ook niet, niet in de kerk, niet thuis, laat staan dat we ons daarvoor zouden neerbuigen, ze zouden dienen. Dat lijkt dus in orde. De angel zit in het tweede deel. Dat irriteert: een naijverig God, jaloers dus. Jaloers: het gevoel dat een ander iets heeft dat ik ook wil hebben. Of: uw man glimlacht op een verjaardag iets te vaak naar een andere vrouw en dat kriebelt. Dat is ons al te menselijk, weinig goddelijk. Maar er is nog een angel en die zit ons zo mogelijk nog meer dwars: de ongerechtigheid van hen die God haten, die bezocht wordt aan kinderen, klein-, ja zelfs achterkleinkinderen. Het prikt op alle mogelijk manieren: eerst de gedachte aan een straffende God, en dan ook nog eens het verhaal halen van het kwaad op kinderen die er zelf niets aan kunnen doen. Waar is hier de genade? Komt er dan nooit een einde aan? Onbarmhartig is het!

Eerst maar eens die 'naijverig' God. Die ligt ons niet, die past niet in ons beeld (!) van God. God is toch liefde?! Laten we dat inderdaad eens nazeggen: 'God is liefde'. Maar wat betekent dat, liefde? Iets als: alles voor iemand over hebben, een ander vertrouwen, zich aan een ander toevertrouwen. Als je bijvoorbeeld weet, dat je partner gek is op (Skűtsje) zeilen, dan heb je er alles voor over om ervoor te zorgen dat hij of zij bij dat evenement kan zijn: je zorgt dat je vrij bent, een plekje hebt gereserveerd op een aardige camping in Friesland, enzovoort. Omgekeerd vertrouw je er ook op, dat de ander ook jou gelukkig wil maken, meegaat en meedoet in jouw liefhebberijen, bijvoorbeeld naar de film, bioscoop gaan. Liefde, dat is (ook) een activiteit. In de oude Statenvertaling staat bij het naijverig 'ijverig'. Maar dat alles heeft ook een keerzijde. Als het vertrouwen beschaamd wordt, als die ander helemaal geen moeite doet om jou te plezieren, als die ander alleen aan zichzelf denkt, dan ontstaat er teleurstelling. IJver, naijver, daar zit iets hartstochtelijks in. 'God is liefde'. Maar dat is iets anders dan lievig, zoetig, om de lieve vrede wil, alles zomaar zonder meer met de mantel der liefde willen bedenken, sussend … . God kán teleurgesteld raken. Hij heeft alles gegeven: kansen volop om góed te leven … . Maar wat heeft de mens ervan gemaakt? De profeet Hosea schildert de verhouding tussen God en Zijn volk als die van een huwelijk, dat is verstoord door de ontrouw van het volk. Met andere woorden: wat het volk doet en laat, dat raakt God, het beroert Hem, het maakt Hem verdrietig als Zijn liefde en trouw niet beantwoord worden. Dat moeten we maar niet te snel wegpoetsen. God neemt ons serieus!

Dan het bezoeken van de ongerechtigheid. Ik begin bij een stukje van onze eigen ervaring. Na de Tweede Wereldoorlog hebben wij langzamerhand leren begrijpen dat kwaad doorwerkt in de volgende geslachten. Kinderen van NSB-ers: de tweede, soms zelfs de derde generatie, kleinkinderen. Er ligt een soort doem over het leven. Het kind ontdekt bijvoorbeeld, dat er een geheim in huis bestaat, dat er niet over de oorlog mag worden gesproken, dat bevrijdingsdag elk jaar weer met bepaalde spanningen gepaard gaat, pesten op school, angsten worden onuitgesproken overgedragen … . Van de ene op de andere generatie, houdt het dan nooit op? Het tweede Woord lijkt wat dat betreft te willen zeggen: het houdt een keer op, er komt een einde aan!
Maar er is meer. Het gaat om ongerechtigheid, ook omschreven als haat tegen God, om een bepaald, bewust kwaad, met voorbedachten rade gepleegd. Het tweede Woord waarschuwt: ouders (niet alleen vaders!), pas op wat je doet, het zal gevolgen hebben voor je kinderen! Maar goed (eigenlijk: niet goed), dan is het gebeurd, niet meer terug te draaien, wat dan? Dan moeten we in eerste instantie letten op de tegenstelling: de ongerechtigheid wordt verhaald tot in het 3e of 4e geslacht, maar barmhartigheid wordt gedaan aan duizenden die liefhebben. Met andere woorden: de barmhartigheid van God is veel ruimhartiger, veel overvloediger, veel royaler dan het verhalen van de ongerechtigheid. De barmhartigheid, die overweegt! Dan nog zijn al onze aarzelingen niet weg. Begrijpelijk. Wat staat er? Uit de vele mogelijkheden wijs ik er op twee. 1) Het 'bezoeken' van de ongerechtigheid betekent zowel iets als 'straffen' als 'zich bekommeren om'. Dat laatste klinkt heel anders dan het eerste, is meer betrokken. 2) Dit lijkt me nog wel het meest bevrijdend. We kunnen ook lezen: tot in het 3e en 4e geslacht, VOORZOVER zij Mij haten, VOORZOVER zij Mijn liefde niet beantwoorden, nee zeggen, nee doen. Met andere woorden: verandering, bekering is mogelijk. De doem van de zonde wordt doorbroken. Iemand die thuis een beroerde jeugd heeft gehad, het slechte voorbeeld heeft gekregen, aandacht en liefde heeft ontbeerd, verkeerde vrienden heeft gemaakt, gedragsstoornissen vertoont: het hoeft niet een heel leven lang door te werken, alles te bepalen. Het noodlot kán worden doorbroken. Als wij zo lezen: die de ongerechtigheid bezoek tot in het 3e en 4e geslacht, voorzover zij mij haten. Hoe genadig klinkt dan het slot: en die barmhartigheid doe aan duizenden die Mij liefhebben.

Tot slot terug naar het begin. Wij dachten te weten, wat het tweede gebod bedoelt: geen beeld van God maken. Letterlijk staat er meer: geen beeld van enige gestalte op de aarde … . Zo is het ook opgevat in Jodendom en Islam: in het geheel geen afbeeldingen, geen portretten, terughoudendheid met fotografie, alleen non-figuratieve kunst. De Reformatie is ook gereserveerd geweest met alle soorten van beelden, niet alleen in de kerk. De kunst, de door kunst opgeroepen ervaring kan maar al te gemakkelijk een concurrent worden van de bevrijdende ervaring die ontspruit aan het ware geloof.
Geen beeld, geen beeld van God. Laten we ons daartoe dan maar beperken. Een beeld fixeert. Het kan een houvast worden, een punt, een plek, een ding van vertrouwen. Juist dat kan onze verhouding tot God in de weg staan. Het beeld hoeft niet alleen van hout of steen, van goud of zilver te zijn. Het kan ook een denk-beeld zijn. Bij jongeren, zwart-wit denken, precies weten wat of wie God is, wat goed en wat kwaad. Bij ouderen, een ingesleten patroon, een gods-dienst uit gewoonte met kerkgang bidden/danken, omdat we dat nu eenmaal zo gewend zijn. Maar aan jong én oud is de vraag: hoe heeft God Zich in jouw leven geopenbaard? Hoe heeft Hij Zich aan jou laten zien? Paradoxaal genoeg is het probleem van het beeld dit, dat God buiten beeld raakt!
Dé vraag die vanuit dit gebod opkomt is deze: waarop stelt u, stel jij je vertrouwen? Op God Zelf, ook al is Hij dikwijls nog zo verborgen, nog zo ver weg voor ons gevoel? Geven we de liefde, het wederzijds vertrouwen de kans? Zoals in een vriendschap, een huwelijk: een avontuur met veel onzekerheden, veel vragen, maar ook de bron van veel geluk?!
God is veel te groot voor onze beelden. Over Hem kan ten diepste alleen maar verteld, gehoord worden: een Bijbel vól verhalen … . Maar als we dan bij dat beeld dan toch iets moeten schetsen - we leven in een tijd van visualiteit, televisie en computers - laat het dan dit zijn: de gestalte van Jezus Christus. In Hem is Gods geschiedenis met ons mensen samengebald, geconcentreerd. Hij wijst ons de weg van Gods liefde. Hij wijst ons de weg van ónze ommekeer.

Alphenadventskerk/000827*



Print deze pagina

© 2004, KWdJ