Schriftlezing: Exodus 20: 7; I Samuël 4: 1b – 11a en Mattheüs 5: 33 – 37

Thema: Het derde gebod.

Tekst: Exodus 20: 7(a)
‘U zult de Naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken’

Met namen ligt het gevoelig. We vergissen ons soms heel makkelijk, bijna ongemerkt. We spreken Anneke met Annie aan. Of we leggen de klemtoon net verkeerd: het Hongaarse Péter wordt net even anders uitgesproken dan het Nederlandse Peter. Of we maken een schrijffout: Pieter moet eigenlijk als Pyter gespeld worden. Natuurlijk, het is geen halszaak, maar zo’n fout kan irritaties geven. De ander kan de indruk hebben, dat jij hem of haar toch niet helemaal kent. Die naam, goed gespeld, correct uitgesproken, hoort wezenlijk bij jou. Toen we vorig jaar in de wijkkerkenraad van Bronwijk-Noord eens een rondje maakten, bleek dat iedereen iets had met haar/zijn naam. De een had er lange tijd moeite mee gehad, maar had zich de naam nu eigen gemaakt. Voor een ander was de naam een blijvende herinnering aan een geliefd familielid. En weer een volgende gaf aan de juiste schrijfwijze toch wel op prijs te stellen.

Met namen ligt het gevoelig. Stel: een ingezonden brief in de krant met een racistische inhoud en uw naam staat eronder. Dat roept boosheid op, irritatie. Het is alsof u dat vindt, alsof u onderschrijft wat daar geschreven staat. Boosheid, verontwaardiging, en terecht! Uw naam wordt te grabbel gegooid: uzelf wordt geďdentificeerd met een opstelling die niet de uwe is.

Ook met Gods Naam ligt het gevoelig. In Gods Naam hebben wij met Hemzelf te maken, met Wie Hij is, hoe Hij wil zijn, hoe Hij gekend wil worden. Maar – als wij dan het derde woord lezen – hoe wil Hij dan gekend worden? Wanneer gaan wij zover, dat Zijn Naam ‘ijdel’ wordt gebruikt? We voelen wel aan, dat het ook over het ‘gewone’ vloeken gaat, maar tegelijk over veel meer … .

Laten we eerst het derde woord zelf aftasten, vooral de Naam. De inzet van de tien woorden is die van de 1e persoon enkelvoud: ‘Ik ben de Here, uw God, die u uit Egypte geleid heb’. Na de eerste twee woorden hier ineens de verwisseling van het onderwerp, van 1e naar 3e persoon. Er had ook iets kunnen staan van: ‘U zult mijn Naam, Here, niet ijdel gebruiken’. Maar zoals de tekst voor ons ligt komt de Naam zelf veel natuurlijker in beeld, en tegelijk ook met een zekere afstand, een zekere eerbied. Achter het ‘Here’ (in onze NBG-vertaling consequent met klein kapitaal geschreven) gaat in het Hebreeuws de Naam JHWH schuil, een tetragram. De Joden spreken die Naam nooit uit. In een ver verleden deden alleen de tempelpriesters dat, enkele eeuwen voor Christus sprak alleen nog de hogepriester op Grote Verzoendag de Naam uit en daarna in principe niemand meer. In de Hebreeuwse bijbel staat elke keer dat Gods Naam geschreven staat in de kantlijn: ‘dat wat gelezen moet worden: adonai’. Adonai betekent zoveel als ‘Heer’, of ‘Here’. Twee afkortingen van de Godsnaam worden overigens wel uitgesproken: ‘Ja(h)’ of ‘Jahu’, denk aan ‘Hallelujah’ (‘Prijst JaH’) en ‘Jesajahu’ (= Jesaja, ‘Hulp is JaHu’). Het tetragram JHWH is terug te voeren op het werkwoord ‘zijn’. In moderne vertalingen wordt het dikwijls direct weergegeven met ‘Eeuwige’, ‘Levende’, ‘Aanwezige’ of ‘Wezer’. Dat laatste klinkt vreemd, maar dat zal de bedoeling ook wel zijn. Gods Naam moet ons tegelijk vertrouwd én vreemd zijn. Mozes hoort die Naam voor het eerst (Exodus 3). Hij wil kunnen antwoorden op de vraag, wie hem dan wel gezonden heeft. Dan wordt de Naam in onze vertaling weergegeven met ‘Ik ben, die Ik ben’. Maar eerder bij het gevecht met Jakob aan de Jabbok weigert de ander (God?) zijn Naam prijs te geven. En ook de vader van Simson, Manoach, krijgt Gods Naam niet te horen. Kijken we echter naar de betekenis, dan zouden we iets kunnen zeggen als ‘de erbij zijnde’. In Gods Naam ligt de dynamiek van de geschiedenis opgesloten. Hij is niet abstract, onbeweeglijk, onveranderlijk, maar betrokken op de mensengeschiedenis. Hij hoort het geroep van Israël en gaat daarop in (vgl. nogmaals Exodus 3).

Intermezzo. Strikt genomen heeft het derde woord alleen betrekking op het tetragram, JHWH, Gods eigen Naam. Dat gebruiken wij nooit. We zouden het derde woord daarom kunnen laten voor wat het is … . Vanuit de betekenis van de Naam, ‘de erbij zijnde’, kan het toch voor ons geldingskracht krijgen. Hoe is Hij erbij? En vooral ook: Hoe betrekken wij Hem erbij?

We lezen I Samuël 4 als voorbeeld, hoe God (en daarmee Gods Naam) ijdel gebruikt kan worden. IJdel wil dan zeggen: zowel ‘vals, bedrieglijk, leugenachtig’ als ‘zinloos, nutteloos, vergeefs’. Het is oorlog tussen Israël en de Filistijnen. Israël lijdt een nederlaag en vraagt zich – heel begrijpelijk! – af: waarom? Besloten wordt de ark te halen, teken van Gods aanwezigheid. De ark wordt daarmee tot een mascotte, een gelukspoppetje. Mét die ark zullen ze winnen. Zelfs de Filistijnen worden bang als ze horen van de aanwezigheid van die ark. Ze refereren aan de bevrijding uit Egypte en vrezen zelf slaven te moeten worden, zoals eens Israël slaaf is geweest. NB: juist in Egypte heeft God Zijn Naam geopenbaard. Maar dan gebeurt het omgekeerde van wat verwacht mocht worden. Israël heeft God erbij gehaald, heeft gedaan alsof Hij het alles in handen zou hebben. Maar in feite denkt Israël God in handen te hebben. Ze manipuleren Hem. Geen vraag (naar God, naar wat Hij van hen wil en verwacht), maar zonder meer een antwoord. Geen bescheidenheid, maar overmoed. Geen geloof en vertrouwen, maar zekerheid, een verzekering. De gevolgen zijn ernaar. Israël verliest, de ark gaat naar de Filistijnen. Het is niet alleen de lijn in het oude Israël. De geschiedenis van het christendom is er vol van. Met de bekering van keizer Constantijn begint de vermenging van kerk/geloof en politiek (ook wel getypeerd als de zondeval van het christendom). In het laat-middeleeuwse Rome kwam het geloof zelf er nauwelijks meer aan te pas temidden van al het politieke gekonkel (vgl. bijvoorbeeld ‘De scharlaken stad’ van Hella Haasse, dat ik een dezer dagen lees). Reformatie was nodig! Maar ook binnen de kaders van die Reformatie liep het fout. Een al te beklemmend op elkaar betrokken zijn van God-Nederland-Oranaje. Of het vrijwel gelijk op laten lopen van kerk en politieke partij. En denk verder aan het claimen van God in Noord-Ierland of in Israël. God-met-ons. Maar is de vraag steeds weer niet veeleer: Gaan-wij-met-God? Wij plakken nogal eens het naametiketje ‘christelijk’ en verwachten dat de band met Bijbel en geloof daarmee wel voldoende is afgedekt. Maar – zo stelde iemand eens pregnant en wat grof – verdraagt alles wat christelijk genoemd wordt zich wel met Christus’ lijk, met het offer dat Hij heeft gebracht? In de sfeer van het ijdel gebruik: gaat het ons in feite om eigen zaakjes, of waarachtig om Gods zaak? En: is het wel belangrijk genoeg om Christus’ Naam aan te verbinden?

Wat blijft er over? Het is natuurlijk best goed om met voorzichtigheid en een zekere huiver over God te spreken. Maar ligt het probleem in onze geseculariseerde maatschappij niet veeleer andersom: eerder een te weinig dan een teveel spreken over God?

Daarom een poging tot een aanzet. Het begint met spreken met God, met het gebed dus, de verborgen omgang: Heer wat wilt U, dat ik doen zal? Dat is meer dan een vorm, het is een oprecht zoeken naar Gods wil. Dat verplicht. Danken voor een royale, welgevulde tafel kan altijd. Maar bidden om zo’n tafel, of om de zegen over zo’n tafel? Dat kan om niet veel meer gaan dat het noodzakelijke dagelijkse portie. Bidden voor een vergadering is prima, maar dan moet in die vergadering oprecht gezocht worden naar Gods wil. Dat laat geen ruimte meer voor de inzet van persoonlijke belangen, allerhande tactische spelletjes, en andere verborgen agenda’s. Na het spreken met God komt dan het spreken over God. Dat krijgt dan al direct een heel andere toonzetting, een zekere bescheidenheid en innigheid. We hoeden ons dan automatisch voor uitspraken alsof we God in de hand hebben, in onze broekzak.

God heeft Zich in Zijn onvolprezen gave Jezus Christus kwetsbaar gemaakt. Zo is het ook met de Naam die Hij aan ons heeft toevertrouwd. Laten we dat niet vergeten: ook daarin heeft Hij zich kwetsbaar gemaakt, kwetsbaar.

Alphendebron/010722

© 2001, KWdJ