Schriftlezing: Galaten 4: 1 – 7 en Lucas 6: 36 – 38

Thema: ... in God de Vader (Apostolicum 2)

Het was ploeteren in de afgelopen week. Het thema van dit keer is een buitengewoon lastig thema, complex ook: God de Vader. Er loopt binnen de kortste keren van alles door elkaar. Dat begint direct al met het begrip vader. Wat is een vader, wat doet een vader, wat is typerend voor hem. Dat was in de Bijbelse tijd beslist anders dan nu. Veel sterker dan tegenwoordig was er een duidelijke gezagsrelatie tussen vader (ouder) en kind. De vader-figuur uit de Bijbelse tijden vertoont autoritaire trekken, juist ook in de relatie tussen man en vrouw. We kunnen nu niet net doen, alsof er geen feminisme is geweest, alsof er geen emancipatie heeft plaats gevonden. Het is zelfs zo, dat er een crisis in het man- en vader-zijn valt te bespeuren. Moeten mannen en vaders nu liever, aardiger worden, meer gaan praten over hun gevoelens en zo?! Of, zo willen anderen weer, meer stevigheid, niet meer dat softe, juist weer meer stevigheid. Een paar flitsen van een programma over vaders van Angela Groothuizen maakt me duidelijk, dat het allemaal verre van duidelijk is.
Dwars daar doorheen spelen de persoonlijke herinneringen aan de eigen vader. God de Vader: dat is een krachtig beeld, want iedereen heeft iets met zijn of haar vader. Het kan helpen, meer zicht geven op God, vooral ook als de relatie goed was en is. Maar die eigen ervaring kan ook drempels opwerpen, als de relatie slecht was, bijvoorbeeld als er sprake was van agressie, of zelfs van misbruik. Wie vervolgens z’n vader nooit gekend heeft, mist misschien de vaderfiguur wel heel sterk of kan zich er eigenlijk niets bij voorstellen. Hoe de relatie tot onze eigen vader, tot onze eigen ouders is geweest, klinkt door als we belijden: ik geloof in God de Vader.
De vraag is daarom dit keer: wat hélpt het ons in ons beeld van God, als wij in lijn met velen die ons zijn voorgegaan God als Vader belijden? Ik wil de discussie over God als vader en/of moeder hier buiten beschouwing laten. Ik merk alleen op, dat ik in het Apostolicum een meer vrouwelijk en moederlijk accent zie, als het gaat over de Heilige Geest: de kerk en de gemeenschap der heiligen. Het is niet toevallig, dunkt me, dat in de traditie wordt gesproken over de kerk als moeder.

We hebben in de afgelopen decennia globaal drie verschillende manieren gehad om met het vaderschap van God om te gaan.
De eerste manier begint met een persoonlijke herinnering. Het is een van mijn eerste herinneringen. Ik zal een jaar of drie zijn geweest. Lang geleden dus. Ik zat bij mijn vader achterop de fiets. Dat roept iets op van houvast, van zekerheid. Ik hoefde niets te doen. Ik kon niets doen. Het enige was, dat ik me stevig moest vasthouden. Paul van Vliet heeft daar een liedje over geschreven: ‘Ik heb soms van die akelige dagen’. Het zijn van die dagen dat iets lukt, dat alles tegen zit, dat alles van kleur verschiet, grijs/grauw wordt. Dan komt de melancholie naar boven, het verlangen naar vroeger, naar wat niet meer is. ‘Veilig achterop, bij vader op de fiets. Vader weet de weg en ik weet nog van iets. Veilig achterop, ik ben niet alleen. Vader weet de weg, vader weet waarheen.’ Deze tekst heeft een religieuze dimensie. De beschrijving heeft veel weg van het klassieke beeld van God: Hij heeft alles in de hand, Hij leidt alles, Hij zit achter het stuur. Slechts één ding is nodig: dat de mens zich daaraan over geeft. Dat beeld van de vader wordt misschien nog wel versterkt door hetgeen in het Apostolicum op Vader volgt: de Almachtige. Het is een aantrekkelijk beeld, vol van warmte, vooral op die momenten dat je het zelf niet meer in de hand hebt (zoals Paul van Vliet het bezingt, ‘van die akelige dagen’). Gemakshalve vergeten we dan de keerzijde die bij dit vader- en Godsbeeld hoort: een zekere afstand, streng, het nodige (veel?) eisend. Waar het God aangaat, stoten we bovendien op het overvloedige kwaad in de wereld. Stuurt Hij dat ook? Juist dat maakt het moeilijk onverkort in déze Vader te blijven geloven.
De tweede manier komt op uit de teleurstelling van het voorgaande. God bewerkt het lijden niet, nee, Hij lijdt Zelf mee. Hij is niet hoog, niet ver weg, maar dichtbij. Het autoritaire in de opvoeding maakt plaats voor het antiautoritaire. Vader wordt een kind, een mensenkind, afhankelijk, niet in staat iets te sturen of te veranderen. Hij kan alleen nog maar meehuilen. God als één grote traan, maar wie kan dan onze tranen nog drogen? De mens in de put, God in de put, wie zal ons daar dan nog uithalen? Liefde, net als in het eerste beeld is dat een belangrijke leidraad, maar het is machteloze liefde, de zoveelste machteloze liefde. God die lijdt. Dat troost. Om te beginnen. Maar na verloop van tijd komt de vraag: wat helpt het, wat helpt Hij?
Als het dan niet de autoritaire God van vroeger is, en niet die antiautoritaire, tegemoetkomende God van later, wat blijft er dan nog over? Crisis in het vaderschap. Crisis in het geloof. God is een mysterie. God is te groot voor onze woorden, te hoog voor onze gedachten. We erkennen dat Hij er is, dat kan toch bijna niet anders, er moet wel ‘iets’ zijn … . Als ik iets concreets over het geloof zeg, dan haast ik me om erbij te zeggen dat dat mijn opvatting is, dat ik dat geloof. Meer niet. God zwijgt. Hij is als een grote zee, waarin wij dreigen te verzinken. We staan erbij, we kijken ernaar … .

Ik kan me voorstellen dat u na het voorgaande zegt: in al die benaderingen zit wel iets. Dat veilige van vader van vroeger, dat meelijdende, meehuilende van later, de voorzichtigheid waartoe het mysterieuze van God maant, voor mij zijn het alle drie gelaatstrekken van God. Toch lijkt het me zaak te proberen vanuit het Bijbels getuigenis Gods gelaat nog wat meer reliëf te geven, wat meer profiel.
In eerste instantie denk ik dan aan de gelijkenis van de verloren zoon (zonen: de jongste én de oudste). Het is opvallend dat de vader in die gelijkenis zijn zoon laat gaan. Hij voldoet zelfs aan zijn wensen. Hij vertrouwt hem een belangrijk deel van zijn bezit toe. Hij lijkt het zelfs te stimuleren: ga maar … . Dat had helemaal zo niet gehoeven. Wij krijgen er zelfs misschien wel het gevoel bij, of die vader z’n kind wel zo makkelijk had moeten laten gaan. Deze vader gunt zijn kind in de eerste plaats de vrijheid. Gód gunt ons de vrijheid. Het doet me denken aan Genesis 17, waar God Abraham de opdracht geeft vóór Zijn aangezicht te wandelen. Steeds is God voor Abraham uit gegaan. Hij heeft hem geroepen, de weg gewezen. Maar nu ineens is het omgekeerd. Abraham mag voor God uitgaan. Daar staat dan wel bij: wees onberispelijk. Maar Abraham krijgt de verantwoordelijkheid, krijgt de ruimte. Het aloude beeld verschuift: van een God die boven Abraham staat naar een God die tegenover Abraham staat.
Maar terug naar de gelijkenis van de verloren zoon (zonen). In de tweede helft van de gelijkenis wordt ook een ander beeld van de vader opgeroepen: de vader op de uitkijk, de vader die zijn zoon niet los kan laten. Deze vader rent op zijn zoon af, hij kan niet wachten, zo groot is zijn liefde. Hij hoeft niet eens te weten, wat er allemaal gebeurd is, onvoorwaardelijk valt hij zijn zoon om de hals en kust hem. Het roept iets op van dat veilige van Paul van Vliet, dat warme. Dat is God. Dat is God ook!
Kleine kinderen worden groot. Ze groeien. Ze worden volwassen. De verhouding tot de ouders verandert, ze wordt gelijkwaardiger. Maar bij alle verandering blijft er verschil, respect. Er zijn verschillende momenten in de Bijbel dat God en mens gesprekspartners worden, het geding met God voeren. Abraham pleit voor Sodom. Mozes pleit voor zichzelf, voor het volk, als God het volk straffen wil om het gouden kalf dat ze hebben gemaakt. Koning Hizkia wordt doodziek, maar hij wilt niet sterven en twist met God. In het dal van de dood, in de diepste duisternis, zegt Jezus: Vader (!), vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Er valt met God te praten. Hij is bereid te luisteren. Hij is bereid iets te dóen, voor ons in het strijdperk te treden, al heeft het vaak het karakter van zaaien in de hoop te oogsten.
Kleine kinderen worden groot. Paulus noemt ons door Jezus onze broeder niet alleen kinderen van God, maar ook erfgenamen, Zijn erfgenamen, beheerders van Zijn erfenis. Bij die erfenis zullen we vooral moeten denken aan liefde, en in het verlengde daarvan aan ontferming, barmhartigheid, mededogen. Als wij Hem onze Vader noemen, mogen noemen, dan verplicht dat, dan verwacht Hij ook dat wij Hem waardig zullen leven.
Dwars door dit alles heen komt dan ook de notie van het klassieke Vaderbeeld boven: God heeft weet van mijn weg, Hij helpt mij om de weg te vinden. Dat is Zijn doel, Zijn bedoeling, dat wij, dat zovelen als mogelijk is, de weg van de liefde, de weg van het Koninkrijk zullen vinden. Dat betekent niet, dat Hij álles maar doet, maar wel dat alles wat Hij doet in het teken staat van Zijn liefde. Zijn program vinden we in de woorden van Psalm 103: heelheid alom, in het leven nu, in het leven dat komen gaat. ‘Loof de Here, mijn ziel!’

Alphendebron/040822


Print deze pagina

© 2004, KWdJ