Schriftlezing: Genesis 8: 6 – 22

Tekst/thema: ‘Troost’


Samenvatting van de preek:

De naam Noach betekent troost. Tenminste, zijn vader Lamecht zegt (Gen. 5: 29): hij zal ons troost geven voor het werken en zwoegen dat ons deel is, omdat de Heer het akkerland heeft vervloekt (vgl. Gen. 3: 17). Nu is taalkundig de naam Noach eerder verwant met rusten dan met troosten. Maar toch. Blijkbaar is dat de bedoeling: dat Noach ons tot troost is.
Troosten betekent volgens de orthopedagoog W. ter Horst in het mooie boekje ‘Troosten en verdriet’ geborgenheid bieden én uitzicht bieden. Beide. Dat is niet altijd de spreekwoordelijke arm om de schouder. Beslist niet. Het kan ook heel praktisch zijn. Iemand komt er in zijn verdriet maar niet toe de afwas te doen. In zo’n geval kán het troostend zijn dat een ander zegt: kom, ik doe dat wel even voor je. Je wordt gezien (geborgenheid) én geholpen (uitzicht).
Associërenderwijs kijk ik naar vijf punten in het verhaal van Genesis 8, waarin de troost van Noach naar voren komt, kan komen.

1) God spreekt. God spreekt op twee momenten. Als Hij Noach, zijn gezin en de dieren de opdracht geeft de ark in te gaan, en, opnieuw, als Hij de opdracht geeft de ark te verlaten. Tussen die twee momenten in is het stil. Wat God betreft. Als de regens beginnen te vallen, de druppels op het dak van de ark tikken, als er beweging in de ark komt en de ark gaat drijven, als het water stijgt, de boomtoppen verdwijnen, ja zelfs de hoogste bergtoppen, als de ark eenzaam ronddobbert. God zwijgt. Dagenlang is het stil. Dagenlang kunnen we achten. De problemen lossen zich niet op, maar worden erger … . De troost van Noach is: God spreekt als het echt nodig is.

2) Getallen. Het verhaal van Noach kent veel getallen. Teveel misschien zelfs voor ons bevattingsvermogen. De ark in: op de 17e dag van de 2e maand (als we uitgaan van de Rabbijnse telling ongeveer eind mei). De ark uit: op de 27e dag van de 2e maand. Al met al dus ruim een jaar. We kunnen proberen de getallen te duiden. Meer dan eens hier: zeven dagen, de volheid van de tijd. Of: veertig dagen, een periode van rijping, van zekerheid. De troost van de getallen is in dit geval: het gaat om een beperkte tijd, niet om een eeuwigheid. Wij denken dat soms misschien wel, dat het een eeuwigheid duurt. Maar het is tijd. Beperkt. Bovendien verklaart God na afloop meer dan eens: nooit weer. Hij begrenst. Troost: als alles in ons leven onder water staat, als heel ons leven op zijn kop staat, als je snakt naar een beetje rust en ruimte, naar bescherming, naar de boodschap dat het eindelijk een keer ophoudt … . Het verhaal van Noach biedt troost: het gaat voorbij. Niet dat we dat elkaar wel even makkelijk troostend kunnen toevoegen: ‘kop op, joh, ’t gaat wel weer over’. Zo werkt het niet. Maar soms, opeens kan het licht schijnen op dit gegeven in het voorbij. Het gaat over een beperkte tijd, niet over de eeuwigheid.

3) De vogels: raaf en duif. Deze vogels vullen elkaar aan: onrein en rein, donker en licht. Bij de raaf, de eerste vogel, gaat het om het droge. Dat heeft een mens minimaal nodig: het droge (vgl. Gen. 1: 10, zie ook Ex. 14: 16, 22, 29 en 15: 19). Maar bij de duif gaat het een stapje verder, om de aardbodem, het (vruchtbare) akkerland. Noach zal een landbouwer worden, net als Adam, net als Kaïn aanvankelijk. De duif komt de eerste keer zonder iets terug. De tweede keer met een olijftak (de Rabbijnen zeggen: uit de hof van Eden, want die was niet ondergelopen). De derde keer blijft ze weg. Ze heeft een plek gevonden. Dat groene takje fascineert me. Dat hebben we soms nodig, als handreiking. Iemand had eens een ernstig fietsongeluk gehad. Ze durfde daarna eigenlijk niet weer te fietsen. Totdat een vriendin zei: kom, we gaan samen, je hoeft niet bang te zijn; als je terug wilt, gaan we direct terug; als er wat gebeurt, ben ik bij je. Een groen takje. Troost: geborgenheid en uitzicht.

4) Alleen om Noach. Als God de opdracht geeft de ark te verlaten, dan valt in de vertelling op hoe Noach-gerelateerd dat gaat: jouw vrouw, jouw zonen, de vrouwen van je zonen bij jou, de dieren bij jou: doe ze met jou uittrekken. Noach is als het ware het paspoort waardoor ze uit de ark kunnen gaan. Hij is dé pas-poort, het voorbeeld bij uitstek van de rechtvaardige en integere. Om deze ene redt God Zijn schepping uit het water vandaan. Aan de ene kant: wie kan dat van zichzelf zeggen, dat hij rechtvaardig en integer is. Aan de andere kant: het kán, het kán dus wel! De ene Noach doet me denken aan Jezus Christus, de ene. Maar in Jezus Christus gaat het verder: God stort de toorn die voor ons bestemd was over Hem uit. Zo biedt Hij ons in Jezus bescherming en uitzicht: een kans om opnieuw te beginnen. Troost, opnieuw, in een vaak woelige wereld. Alleen om Noach.

5) De veranderende God. Als Noach voet aan land zet, dan bouwt hij een altaar en offert hij van alle reine dieren en vogels (NB: daarom moest hij natuurlijk van alle reine dieren zeven paar meenemen!). God ruikt het offer en blijkt gevoelig voor diens royale geste. God stelt vast dat de mens niet zal veranderen: slecht, van jongsaf aan. Een vreemde, deprimerende constatering, zouden wij zeggen. Tot niets goeds in staat … . Het is goed te bedenken dat deze zin in de eerste plaats degene in het licht plaatst die wél verandert: God. Daarnaast: is het niet eerlijk om te erkennen dat wij mensen tot veel in staat zijn, maar dat er in onze levens ook zo ontzettend veel mis loopt (vgl. ook de ‘ernstige’ gevallen, zoals bij de deze week gevangen genomen generaal Mladic)? Moeten we om daar ook maar enigszins verandering in te brengen niet beginnen met die realiteit te erkennen?! Pas dan kunnen we veranderen. De veranderende God: ‘nooit weer zal ik dit akkerland vervloeken’, ‘nooit weer zal ik alles wat leeft doden’. Wij veranderen niet zo makkelijk. Laten we eerlijk zijn. God verandert hier wel, radicaal zelfs!

Tot slot. God zegt: de afwisseling van zaaien en oogsten, van koude en hitte, van zomer en winter, van dag en nacht, het zal nooit ophouden. Dat is hetzelfde ophouden als op de 7e scheppingsdag: God rust. Zo biedt God ons enerzijds alle ruimte. Maar tegelijk begrenst Hij. Tussen die twee in mag de mens leven. Geborgenheid én uitzicht: troost.

Utrechtleidscherijn/20110608


http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2011, KWdJ