Schriftlezing: Genesis 11: 1 – 9 en Handelingen 2: 1 – 4

Tekst/thema: ‘Jezelf een naam maken of een naam aannemen’


Samenvatting van de preek:


Wat hoop je en verwacht je van je kind als het een jaar of 18 geworden is, meerderjarig? Waar denk je zelf te staan over een jaar of vijf, tien, twintig misschien? Dat zijn nog niet zulke makkelijke vragen. Voor niemand niet.

Vandaag lezen we voorlopig voor het laatst in het boek Genesis. Dit boek stelt ons basale vragen. Wie is God? Wat wil God? Hoe zit het met die eeuwigdurende competitie tussen mensen, waarom gunt de een de ander het licht in de ogen niet? Hoe zit het met goed en kwaad? Vreemd toch, die verhoudingen in families, tussen man en vrouw, broers en zussen: alles komt voor, liefde, haat, bedrog … . Tussen deze mensen gaat God zijn gang. Waar moet dat op uitlopen?

We zouden deze vraag vanmorgen aan de inwoners van Babel kunnen stellen. Wat verwachten jullie van de toekomst? Wat moet er gaan gebeuren? Ze zijn naar het Oosten getrokken, ze zijn stenen gaan bakken, en bouwen. Ze weten maar al te goed wat ze willen. Ze zeggen allemaal hetzelfde.

Zo bouwen wij allemaal, op onze eigen wijze. Dat kan zijn in het kader van een relatie, gezin. Dat kan zijn, letterlijk soms, aan een huis. Dat kan zijn met een opleiding, op het werk. De vraag is steeds weer: wat is je doel, wat wil je bereiken? De inwoners van Babel spreken allen dezelfde taal, hebben een antwoord en laten er geen misverstand over bestaan. De een zegt het de ander na: ‘wij bouwen een stad en een toren, tot in de hemel, en zo maken wij ons een naam’. Zij maken zichzelf een naam. Wij zijn onze naam. Als iemand mij roept, als ik mijn naam hoor, dan keer ik mij om, dan reageer ik. Niet mijn naam is geroepen. Ik ben geroepen.

De mens wil naar boven. Maar God komt naar beneden. De mens hoeft zich geen naam te maken. Toch zijn we daar allemaal mee bezig. We denken dat we het op onze wijze prima doen. Onszelf genoeg. Dat kan door duidelijk onze mening naar voren te brengen. Maar ook door heel bescheiden te zijn: kijk mij eens, zo bescheiden … . Soms horen we over onze schouders anderen meekijken, ons iets influisteren, een ouder of een partner, heel goedbedoeld: je moet zus of zo, je moet voor jezelf opkomen, alles eruit halen wat erin zit. Al ons menselijk geploeter kan dan iets heel belachelijks krijgen. God komt naar beneden. Omgekeerd komen de mensen blijkbaar niet bij God. God komt naar beneden om te kijken waar de mensen mee bezig zijn. Zo groot, zo bijzonder is het blijkbaar. God moet er eerst voor afdalen om het te kunnen zien. Alsof Hij zeggen wil: jij, je hoeft jezelf geen naam te maken, dat is nergens voor nodig! Daarom stopt God deze heilloze weg. Hij verwart de taal. Hij verstrooit de mensen over de aarde, ze stoppen met bouwen. Daarom noemt men de stad met de naam Babel. Want hier verwarde God de taal van de mensen. Voor de tweede keer het woordje naam. Dát is de naam die de mensen zich gemaakt hebben: verwarring. In de taal van de streek, het Akkadisch betekende Babel: poort van de goden. Ieder die het vanuit het Hebreeuws hoort, hoort verwarring (NB: over de afleiding van deze betekenis van het woord Babel is nog wel wat meer te zeggen; eigenlijk klopt het niet; maar het is in ieder geval de bedoeling van de Bijbel dat het wel klopt).

Zo gaat het. Vaak nog steeds. Maar we vieren vandaag ook Pinksteren. God komt opnieuw naar beneden. Niet om te verwarren,maar om te verbinden. Joden van alle delen van de wereld zijn bijeen in Jeruzalem. Op de 50e dag na Pasen komt dan de Geest over de discipelen: ze beginnen te spreken in vreemde talen, zodat iedereen hen kan verstaan. Over die Geest wordt in aanduidende zin gesproken: met geluid als van een windvlaag, met tongen als van vuur op hun hoofden. Maar het is duidelijk: hier is God aan het werk.

In de belijdeniscatechese hebben we meer dan eens gesproken over de vraag wat de inhoud, wat het doel van geloven is. Op verschillende manieren hebben we vastgesteld: dat mijn leven niet op zich staat, maar plaats heeft in een groter geheel; dat ik uiteindelijk niet alleen ben, maar dat ik in Jezus Christus geborgen ben in God. Het is niet dat jullie of ik alles begrijpen. Het gaat bij flarden, met momenten: een bijzonder stukje uit de Bijbel, een overrompelend besef van de schoonheid van de schepping, het ontvangen van een prachtig kind … . Soms is het misschien meer een soort verlangen: dit wíl ik, hier wíl ik deel aan hebben, meer verlangen dan dat het (nog) realiteit is. Helaas. De Bijbelse traditie, het christelijk geloof vat dat samen met één naam: Jezus, ‘God redt’. Het is niét: jezelf een naam maken, niet wanhopig meerennen, maar veeleer een naam ontvangen en aannemen. Petrus zegt het op de Pinksterdag in Jeruzalem zo: ‘Bekeer u en ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen’ (Hnd. 2: 38). Dopen, belijdenis doen, dat wil zeggen: die kant wil ik op, ik wil mijn leven onder het beslag van deze ene, reddende naam laten vallen: Jezus Christus. Daar wil ik naar toe, met mijn leven, met de opvoeding van mijn kinderen. Dat wil ik anderen laten merken. Wie dat doet, die mag Gods Geest ontvangen, die mag ervaren dat Hij opgenomen is in dat grote plan van God met deze wereld, die mag zich burger weten van Zijn komende Koninkrijk, die mag weten dat het in alles uiteindelijk gaat om de naam die met dat Rijk verbonden is: Jezus.

Utrechtleidscherijn/20110612


http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2011, KWdJ