Schriftlezing: Genesis 15: 1 – 6 en Hebreeën 11: 1 en 2, 8 – 16

Thema: Ik geloof … (Apostolicum 1)

Ik geloof. Dat staat stoer. Het lijkt iets bijzonders. Geloof is immers een schaars goed aan het worden: het aantal kerkleden daalt, het aantal kerkgangers evenzo. Toch heb ik de neiging om de zaak maar eens op scherp te zetten en te stellen: íedereen gelooft (of althans bijna iedereen). Iedereen gelooft. De een in God, de Vader van Jezus Christus. De ander in Allah, weer een volgende in de weg die Boeddha heeft voorgeleefd, het achtvoudig pad … . Zelfs wie uitdrukkelijk zegt niet in God te geloven – een Boeddhist zal in veel gevallen overigens ook al niet stellen dat hij in God gelooft – zelfs wie aan het ‘er zal wel iets wezen’ voorbij is, ook hij of zij gelooft. De klassieke socialist geloofde bijvoorbeeld in de kracht van de arbeidersbeweging, hij was er rotsvast van overtuigd dat het kapitalisme vast zou lopen, hij wist zeker dat de heilsstaat komen zou. De moderne tweeverdiener, die zal in veel gevallen geloven in vandaag, in het hier en nu, in het genieten van al het goede wat op haar weg komt. De jonge student verwacht alles van de wetenschap, van de techniek: de mens is tot steeds meer in staat, het moet toch mogelijk zijn op termijn de grote wereldproblemen te overwinnen, ernstige ziekten, honger, tegenstellingen tussen arm en rijk … . Wie niet gelooft, écht nergens in gelooft, die zal meestal cynisch zijn, verbitterd, aan de grens van het leven zelf staan. Wat is immers dan de doel, de zin van alles wat leven heet?
Ik geloof. Dat is op zich dus niet zo bijzonder. De vraag is veeleer: wat/waarin/in wie geloof jíj? We kijken vandaag wat dat betreft eerst maar eens naar Abraham, de vader aller gelovigen. Abraham geloofde …, maar wat?

Abraham is op weg gegaan, uit Ur, uit Oer. Aanvankelijk was hij nog samen met zijn familie opgetrokken, met vader Terach onder anderen, naar Haran. Pas daar maakt hij zich op Gods roepstem los van de anderen. Hij trekt naar het land dat God hem wijzen zal. En er gebeurt va alles. Abraham trekt rond en komt zelfs in Egypte. Hij moet afscheid nemen van zijn neef Lot. Hij levert strijd met andere koningen en bedoeïenenvorsten. Keer op keer horen we van wonderbaarlijke gebeurtenissen: Abraham redt het! Dat is een reden tot tevredenheid, tot rust. Maar Abraham is niet tevreden, hij is en blijft onrustig. Hij mag dan vrij zijn, hij mag dan rondjes kunnen trekken in een weids land, voor hem is alles doelloos, het leidt nergens toe. Er is geen vooruitgang, geen progressie … . Want er is geen kind, geen zoon. Wat geloof je eigenlijk, Abraham?
Als de vragen steeds indringender worden, plaatst God Abraham onder de sterrenhemel. Dat is overweldigend. Bij ons roept dat allerhande romantische gevoelens op. Schitterend! Prachtig! Bijna als vanzelf komen de woorden uit Psalm 8 ook bij ons naar boven: Heer, onze Heer, hoe heerlijk is uw Naam op de hele aarde … . Aanschouw ik de hemel: de sterren, de maan … . Ook voor Abraham is het over-weldigend. Maar anders. Over-weldigend in de zin van verschrikkelijk, verpletterend, onbegrijpelijk. Alles wordt op losse schroeven gezet. Heb ik het wel goed begrepen? Begrijp ik wel waar het allemaal om begonnen is, wat de bedoeling is? Het is alsof hij teruggeplaatst wordt in de tijd, alsof hij terug gaat naar Ur, naar Oer, naar af, terug naar het milieu en het geloof waarvan hij nu juist afscheid genomen heeft. Daar las de priester de sterrenhemel als een boek, daar vertelde de priester de mens wat hem te wachten stond, wat voor levenspartner hij krijgen zou (of nemen moest), of er kinderen zouden komen, hoe het zat met rijkdom en de te verwachten leeftijd … . Het lag allemaal vast, er was geen beweging in te krijgen. Verwarring alom bij Abraham. Wat moet ik nu? Abraham dacht dat hij het doemdenken achter zich had gelaten, dat hij het onontkoombaar lot had ingeruild voor een taak, een levensopdracht, een keuze. En hij hád gekozen, hij had ja gezegd en was gegaan, uit-gegaan van het land en de familie van zijn vaderen: een ware exodus.
Maar het wordt nog moeilijker. Want Abraham staat nog niet onder die heldere sterrenhemel en God zegt: tel de sterren. God over-vraagt Abraham. Letterlijk. We weten dat het met al die sterren gaat om een getal met minstens 22 nullen. We zouden alleen al bij het tellen van die nullen de tel kwijt raken. Het is een onuitspreekbaar getal. 1, 10, 100, ja zelfs bij 1000 hebben we nog een besef van hoeveel. Maar van dit getal … ?! Maar God over-vraagt Abraham ook figuurlijk. Want tellen is ook lezen. In het Hebreeuws wordt elk getal weergegeven met een letter. Alsof een A 1 zou zijn, een B 2, enzovoort. God zegt: Abraham, lees de sterren. Even lijkt het alsof het allemaal voor niets is geweest. Even lijkt het dat Abrahams grootste vrees bewaarheid wordt. Het is allemaal een pot nat, het maakt allemaal niets uit. Het is net als vroeger, de sterren openbaren, onthullen de toekomst. God daagt Abraham uit, hij tergt hem, zo lijkt het wel: tel de sterren, als je ze tellen kunt … . ‘Pak me dan, als je kan.’ Maar Abraham pakt niet, hij vat het niet, hij kan de sterren niet tellen, hij kan ze niet lezen. Dat zegt hem niets meer. Staat hij nu met lege handen? Over beproeving gesproken … .
Er volgt nog één zinnetje. ‘Tel de sterren, als je ze tellen kunt … . Zó zal je nageslacht zijn.’ Zó ontelbaar veel. Dat is op zich al bijzonder. Met dat ene zou Abraham al een stuk opschieten. Nu is hij nog alleen, ooit zullen het zovelen zijn als dat getal met die vele nullen. Maar zó is ook: zij zullen tellen, zij zullen vertellen. Nu staat Abraham er nog alleen voor, als door God geroepen. Nu moet de wereld het nog van hem alleen hebben. Dat is zwaar. Dat leidt tot grote eenzaamheid. Hij is de enige die het weet, die zo direct van God weet, die het kan vertellen. Maar dat zal niet zo blijven.
En Abraham geloofde in de Here. Geloven. Wij kennen het Hebreeuwse werkwoord ook van het woordje ‘amen’. Het is waar en zeker, zo vertaalt de Heidelbergse Catechismus dit slotwoord van het Onze Vader (N.B. waar en zeker, niét vast en zeker!). Abraham zegt amen, en dan volgt er ‘en hij rekende het hem tot gerechtigheid.’ Dat kan op twee manieren begrepen worden: ‘en Hij, God, rekende het hem, Abraham, tot gerechtigheid.’ Zo is het vaak begrepen, ook in het Nieuwe Testament. Maar ook: ‘en hij, Abraham, rekende het Hem, God, tot gerechtigheid.’ Het is met andere woorden dubbelzinnig. Het meest ontroerende vind ik het om het accent op deze laatste leeswijze te leggen. Abraham rekent het God tot gerechtigheid. Er breekt iets in Abraham. Met al zijn twijfel en onzekerheid, ondanks dat alles: hij geeft zich gewonnen. God heeft wat hem betreft op voorhand recht op dankbaarheid, op toewijding. Terwijl het alleen nog maar gaat om een belofte. God belooft een groot nageslacht. Het is nog maar afwachten of dit wel zo zal zijn … . Als God iets belooft, óns iets belooft, dan plaatsen wij dat als het ware eerst op de debetzijde. We moeten het nog ontvangen, incasseren. Abraham plaatst het echter op voorhand op de creditzijde. Hij doet als het al gebeurd is. Hij ziet als het ware in de sterren aan de hemel al de gezichten aftekenen en oplichten van die vele velen die na hem zullen komen, een wolk van getuigen. Dat is geloof!

Ik geloof. Maar wat? Keuze genoeg. De een zal primair kiezen voor de lijn van de wetenschap. Meten is weten. Nog altijd klinkt de echo door van de leraar op school bij het onzekere antwoord ‘ik geloof, dat …’: ‘Geloven doe je maar in de kerk. Hier moet je het weten!’ Geloven is dan alleen, wat verifieerbaar is, te grijpen, te begrijpen, te tellen. De ander zal kiezen voor het meer magische, occulte, de grote nadruk op het rituele – als ik nu maar precies zus of zo doe – op het bijgelovige af. De wereld van de sterren heeft ook vandaag de dag talloze volgelingen. Weer een volgende zal kiezen voor het lot, voor dat wat hem of haar overkomt. Gods wil is onverkort af te lezen aan de loop van de geschiedenis. Of een ander beperkt zich tot het zekere, voorhandene, het hier en nu: het gaat om genieten vandaag, NU. Maar het is ook mogelijk tegen alles in te kiezen voor de lijn die met Abraham wordt ingezet. De Hebreeënbrief zegt ‘Het geloof is de zekerheid van de dingen die men hoopt.’ We kunnen daar Abrahams levensgeschiedenis zo inlezen, intekenen. Het is het bewijs van de dingen die men niet ziet. Abraham durft vertrouwen op de God achter de dingen, op Zijn belofte alleen. Abraham heeft niet anders. Alles is hem uit handen geslagen, zijn verleden, zijn familie, zijn oude godsdienst met alle gebruiken er om heen, zijn geschiedenis (waarin dat beloofde kind nog maar steeds niet gekomen is …). Het kleine kind vraagt dikwijls: waarom …, waarom groeien hier bloemen, waarom moet ik naar school, waarom moet ik eten, waarom gaat opa dood … ? Wij staan dan vaak met een mond vol tanden. Wij hebben geen antwoord. Ook Abraham heeft geen pasklaar antwoord. Hij heeft alleen een belofte die hij op voorhand voor waar wil houden.
Ik geloof … . Ik zal het u straks voor-zeggen. Bewust doe ik dat zo. Ik geef niet meer dan een aanzet. Daarna moet u het zelf maar zeggen. Of u het wilt na-zeggen. Of wat u dan ook wilt zeggen, als u elkaar vraagt ‘hé, wat geloof jij nu eigenlijk …?’ Of u zich door de kennis van Jezus wilt voegen in de wolk van getuigen, die met Abraham willen vertellen van Gods roemrijke daden.

Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde.
En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Here;
die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;
die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, neergedaald in de hel;
op de derde dag opgestaan uit de doden;
opgevaren naar de hemel, en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader;
vandaar zal Hij komen om te oordelen de levenden en de doden.
Ik geloof in de Heilige Geest.
Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen;
vergeving van de zonden;
opstanding van het vlees;
en een eeuwig leven.


Alphendebron/040815




Print deze pagina

© 2004, KWdJ