Schriftlezing: Genesis 1: 1 – 2 en Handelingen 2: 1 – 4

Thema: ‘(…) en de Geest Gods zweefde over de wateren.’ (Genesis 1: 2c)

Ik heb lang nagedacht over het begin van de preek. Ik overwoog nog eens alle woorden uit de tekst: aarde, woest, ledig; duisternis, oervloed; Geest Gods, zweven, water. Het is een vreemde, ietwat duistere verzameling van woorden, beelden en begrippen. Hoe geef ik hier een pakkend begin aan? Het lukte niet om iets zinvols te bedenken. Daarom begin ik dit keer maar gewoon bij de tekst.

De aarde was woest en ledig. Aarde: dat is het eerste woord uit de zin. Daar is het God in het vervolg om te doen, om de aarde, een plek om veilig te wonen. Veilig: dat betekent dat een mens daar grond onder de voeten heeft en niet weg kan zakken in een waterig moeras. Veilig: dat betekent voldoende te eten en te drinken. Veilig: dat betekent dat een mens zonder de angst kan leven dat er een ander komt die hem zijn wil kan opleggen. Veilig: dat wil zeggen met ruimte om te groeien, te ontplooien. Aarde, de aarde, ‘ha èrèts’ in het Hebreeuws. Maar ‘ha èrèts’ is ook de aanduiding voor Israël, het beloofde land. Israël is bedoeld als prototype van heel de aarde: de aarde idealiter. Maar nu, niets daarvan: woest en ledig, in het Hebreeuws: ‘tohoe-wa-bohoe’. Martin Buber geeft het in zijn onvolprezen Duitse vertaling weer met ‘Irrsal und Wirrsal’: dubbele chaos. Het was niet duidelijk, wat op de aarde links en rechts was, wat boven en onder, wat voor en achter. Het was er onveilig, alsof er op de aarde een bordje hing ‘onbewoonbaar verklaard’.
De tekst uit Genesis 1 suggereert ons dat de oervloed een gelaat heeft, een gezicht: duisternis. Die oerkolk, oervloed is een afgrond zonder vorm: de afgrond heeft geen rand, geen wanden, geen bodem, helemaal niets; de afgrond is zonder ruimte, zonder tijd, zonder tegenstelling, zonder reliëf. Wij zouden nu zeggen vanuit onze kennis van het heelal: de aarde had veel weg van een zwart gat. Op sommige plaatsen in het heelal worden zwarte gaten aangetroffen, ze slurpen alle massa, alle licht op, niets in de buurt van het zwarte gat is veilig, alles wordt er door op gezogen. Het is er leeg, hol: een hel?

De aarde ís woest en ledig. Niet allen toen, ooit van vóór het begin. De profeet Jeremia heeft ooit een visioen gehad en spreekt daarin dezelfde woorden: woest en ledig. Het is dus meer dan een plaatje uit het geschiedenisboek, het is ook een beeld van de toekomst, een somber visioen. Zo kan het worden. Misschien ook: zo ís het soms. De aarde ís woest en ledig. Denk aan dat stukje aarde bij uitstek, Israël. Hoe veilig is het er voor de Jood in een willekeurige drukke winkelstraat? Hoe veilig is het er voor een Palestijn die eindeloos gecontroleerd en vertraagd zijn werk bereikt? En niet alleen daar. Hoe veilig is het in Noord-Korea? Of voor een christen in Saoedie-Arabië? Wie de verhalen van mensen uit dit soort landen hoort, die beluistert een intens verlangen … , maar het lijkt wel alsof alle hoop en energie wordt weggezogen, als in een zwart gat.
De aarde ís woest en ledig. Voor de discipelen. Er is hoop gezaaid, er zijn beloften gedaan. Ze hebben elkaar. Maar daarbuiten? Ze zijn zonder Heer die de weg wijst, zonder Heer die hen het gevoel geeft dat het leven ergens op uit loopt.
De aarde ís woest en ledig. Zelfs de kerk, zelfs de plaats waar wij vieren dat de veilige aarde komend is, soms zelfs al even doorbreekt, zelfs de kerk kan woest en ledig zijn.

De aarde ís woest en ledig. Wij zouden er bijna in blijven hangen. Het is nu eenmaal zo. Er is niets aan te doen. Wat kan het ons ook eigenlijk schelen? Onverschilligheid ligt op de loer.
Maar er is een Geest, de Geest Gods die over de aarde zweeft. Geest: het Hebreeuwse woord staat tegelijkertijd voor adem, voor wind, voor stroom … . Op onze adem worden geluiden, woorden gevormd. De Geest van Gods zweeft, waait, stuwt … . Het blijft niet het zelfde, er gaat iets gebeuren, veranderen, dat kan niet uitblijven! Een klank, een woord: het is uiterst kwetsbaar. Zal het doel treffen? Zal het vorm krijgen, gestalte? Een woord vervliegt, verklinkt, wordt snel overstemd door andere geluiden.
De Geest Gods zweeft over de wateren. Zweven, letterlijk zoveel als een sidderende beweging maken, als een klapwiekende vogel, als een broedende vogel die even z’n vleugels uitslaat. Het is alsof er adem wordt gehaald alvorens een eerste woord gaat klinken … : en God zei … . Vervolgens krijgt alles wat dreigt een plek. Al dat donker, al die duisternis van voor het begin, dat wordt bij elkaar geveegd en gaat nacht heten. Zo getuigt zelfs de nacht van Gods scheppende kracht, zo laat de nacht zien dat God hem de baas is. Al die wateren, die oervloed, het heeft geen vrij spel meer: God wijst het een plaats en noemt het zeeën. Zo getuigt ook de zee op zijn wijze van Gods scheppende kracht. Het is als een dief in de nacht: als hij geen naam heeft, geen identiteit, dan is hij extra dreigend. Als hij een naam gekregen heeft, dan weten we tegen wie we ons teweer moeten stellen, waar we op moeten letten.

Pinksteren, dat betekent dat we mogen geloven dat Gods Geest tot op de dag van vandaag (en morgen) over de dikwijls zo woeste en lege avond zweeft; dat door de Adem van die Geest woorden worden gevormd, scheppend, herscheppend: de Geest gaat stem maken. De aarde blijft niet woest en ledig. Pinksteren, dat betekent dat de adem van de Geest ons steeds weer terugdrijft naar Jezus, dat die Geest ons vervult, gaat vervullen met Jezus: niet woest en ledig, maar stralend en vol zoals Hij onder ons gewoond heeft; niet kapot, verwoest, verlaten, vol van onrust, zoals ons leven soms kan zijn, maar door Zijn overgave aan het kruis tot rust gekomen, geheeld, vernieuwd, verbonden met zovele anderen over de hele wereld.

Ik vond voor deze preek maar geen pakkende inleiding, een duidelijke opstap. Het bleef voor mij woest en ledig, chaos. Nu besef ik, dat dat helemaal niet zo erg is. De Geest Gods zweeft, die behoedt mij, ons. Ik mag erop vertrouwen dat door mijn woorden heen vanmorgen toch ook God mag spreken.

Alphendebron/030608



Print deze pagina

© 2003, KWdJ