Schriftlezing: Genesis 21: 1 – 7

Tekst/thema: ‘Reden tot lachen’



Samenvatting van de preek:

Nog niet zo lang geleden hoorde je in de kerk niet te lachen. Het hoorde plechtig toe te gaan, rustig en stijlvol, altijd, maar zeker bij de viering van het Heilig Avondmaal. Als het Avondmaal werd gevierd was er van het begin van de dienst af aan een bepaalde moeilijk te duiden spanning. De kleding was zo mogelijk nog stemmiger dan anders. Het leek soms wel op een begrafenis! Deze terughoudendheid in het lachen bestond niet alleen in de kerk, zo vermoed ik, maar in het hele openbare, maatschappelijk leven. Het ging minder uitbundig, ingetogener toe dan veelal tegenwoordig. Mensen hielden gevoelens en emoties meer voor zichzelf. Niet alleen als het ging om tranen, om verdriet, maar ook als het ging om angst, om boosheid en blijdschap.
In de kerk werd niet gelachen. Dat was meer dan een maatschappelijk verschijnsel. Het had een diepe, religieuze achtergrond. De lach, de uitbundige, relativerende lach stond haaks op het geloof. De lach was letterlijk uit den boze. Misschien herinnert u zich nog de bestseller ‘De naam van de roos’, ruim twintig jaar geleden (ook verfilmd). Het speelt in een oud, 14e eeuws klooster met een labyrint als bibliotheek. Er is één monnik die de lach wil tegen houden en daarom ook bepaalde handschriften uit de oude bibliotheek wil verdonkeremanen. Een andere monnik wil de lach juist gebruiken, promoten, als een krachtig middel tegen angst, formalisme, als een mogelijkheid om de harde werkelijkheid te relativeren. Een van de argumenten die wordt gewisseld is dat Jezus volgens het evangelie niet heeft gelachen. De andere basisemoties kennen we wel van hem. Hij werd boos (in de tempel). Hij kon bang worden (in Getsemané). Hij was bedroefd (bij het graf van Lazarus). Maar blij, vol van vreugde, lachend …, daarover lezen we niets. Lachen, die bij uitstek menselijke eigenschap – de mens als enige in de schepping gegeven! – die lijkt Hem te ontbreken.

Toch, er is reden tot lachen. Isaäk wordt geboren. De moeder is 90 jaar, de vader 100. Een lachtertje, belachelijk, ongelooflijk, onbestaanbaar. De Bijbel wil ons dat vreemde goed duidelijk maken. Na de geboorte van Isaäk wordt amper meer over de leeftijd van Abraham en Sara gesproken. Hoe je ook tegen het realiteitsgehalte van deze leeftijden aan wilt kijken, de Bijbel makat duidelijk: hier gebeurt iets heel bijzonders, dit is uitzonderlijk. Ze hebben zo lang gewacht. Ze hadden alle hoop eigenlijk al opgegeven. De natuurlijke bronnen waren uitgeput. Wat overbleef in hun leven was de dagelijkse routine, van opstaan, eten, werken en slapen. En dan, nog net op de grens van het leven, van zijn leven, als hij 100 jaar is krijgt Abraham een zoon. Het getal 100 is in de Bijbel ook het getal voor het voltooide leven. Het léék alsof God dit oude echtpaar vergeten had. Het lijkt soms of God ons vergeet. Maar ergens kiemt iets. Wij kunnen in alle realiteit soms zeggen: dit is belachelijk, ongeloofwaardig. Maar we kunnen ook de mogelijkheid open houden. Dat noemen we dan hoop.
Er is reden tot lachen. Maar het is een ander lachen dan voorheen. Eerder horen we dat Abraham lacht (Genesis 17: 17), als hij hoort dat hij als 100-jarige eindelijk dan die lang beloofde zoon zal krijgen. Hij lacht het weg. Hij wil er dan eigenlijk niet meer aan denken. Het is hem te vermoeiend geworden, te verwarrend, hij kan een eventuele teleurstelling niet meer aan. Dat is herkenbaar, het gevecht maar willen opgeven. Iemand hoort bij een ernstige ziekte dat hij opnieuw een kuur zal moeten volgen. Maar hij is aan het einde van zijn Latijn. Het uithoudingsvermogen is op, uitgeput. Abraham zegt dan tegen God: neem Ismaël, hij kan toch voor mijn zoon doorgaan, dat moet toch genoeg zijn. Maar God blijft hem uitdagen om ruimte open te houden, om te blijven hopen … .
Niet alleen Abraham lacht, ook Sara (Genesis 18: 12). Voor haar is het helemaal pijnlijk, die eeuwige kinderloosheid, die andere vrouwen die haar meewarig aankeken, dat gevoel van onvermogen. Ze kent zichzelf, ze kent haar lichaam. Ze heeft de hoop allang opgegeven. Als ze dan hoort van het kind, dan komt alle pijn weer boven, alles wat zo zorgvuldig is weggestopt. Ze lacht het weg, net als Abraham het heeft weggelachen. Ze wil er niet van weten. Ze pantsert zich. Ze zal niet toelaten dat haar zo kwetsbaar leven nu nog eens overhoop wordt gehaald.
Tegen alle verwachting in wordt dan dat kind geboren: Isaäk. In zijn naam klinkt heel de voorgeschiedenis mee: ‘men lacht’. Abraham lacht. Sara lacht. Nu mag iedereen lachen met deze twee. Eerst hadden ze alles weggelachen. Zoals soms bij overlijden uitbundig gelachen kan worden om niets, om de stomste dingen. Het erge, het verdriet wordt even opzij gelachen. Temidden van alle druk wordt er even een moment van lucht, van ruimte gecreëerd. Maar hier, bij de geboorte van dit kind is het lachen van Abraham en Sara een uitbundig, een vreugdevol lachen. Er is blijdschap. Er is opluchting. Iedereen mag daarin delen. Sara zegt: God maakt dat ik kan lachen. In het Hebreeuws wordt daarbij de vorm gebruikt van het opdienen van een gerecht aan een maaltijd. Alsof het haar hier zo gepresenteerd wordt op een schotel, dat ze het er zo vanaf kan pakken. Ouders vertellen wel eens over de overweldigende ervaring van een pasgeboren kind. Ze vertellen van het fantastische gevoel: dat wij dit mogen krijgen, ontvangen. Alles komt dan in dat teken te staan, de wereld, het leven kan niet meer kapot.
Er is reden tot lachen. Er is een doorbraak, een patstelling wordt doorbroken. De deur die zo lang gesloten is gebleven gaat open, de wereld gaat open! Isaäk wordt besneden, hij ontvangt het teken van het verbond, het teken dat vertelt: ‘God laat niet los’. Het is het teken dat wie met de God van Abraham op pad gaat, mag rekenen op Zijn trouw. Het is teken van de doop, het teken dat God niet ophoudt maar doorgaat, hoe dan ook, ook met onze kinderen en kleinkinderen.

Er is reden tot lachen. Ook als wij het Heilig Avondmaal vieren. God doorbreekt de patstelling, de impasse. Hij heeft gezien hoe de wereld worstelt, hoe gelovigen worstelt, net als de oude Abraham en Sara. Kan het nog wat worden met mij, met deze wereld? Ik heb fouten gemaakt. Anderen maken fouten. soms worden we overspoeld door somber nieuws. De zonde blijft regeren. Het kwade lijkt alleen maar toe te nemen. Kan het anders met mij, met deze wereld? We kunnen bezwijken onder de aarzelingen, onder de twijfel. U kunt lachen om de manier waarop Abraham en Sara alles maar weglachen. Maar we kunnen ook uitbundig lachen, zoals bij de geboorte van Isaäk. Jezus heeft een andere weg gewezen. Hij heeft de zonde, Hij heeft het kwade aan het kruis overwonnen. Wie in Hem gelooft, zich aan Hem overgeeft, die kan de zonde achter zich laten, die kan met Hem vooruit kijken naar het Koninkrijk Gods.

Vandaag ontvangen wij brood en wijn, tekenen van Gods genade. Laten we die ontvangen met een dankbare glimlach, met de lach, de vreugde, dat Hij ons niet in de steek heeft gelaten.

Alphendebron/061008



De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
NB: Het downloaden kan enige tijd kosten (3.2 Mb).
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC of MP3-speler beluisteren.



http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2006, KWdJ