Schriftlezing: Genesis 4: 17 – 26

Tekst: ‘Toen begon men de Naam des Heren aan te roepen.’ (26-slot)

Is er leven na de dood? Dat is een vreemde vraag, zeker in de kerk, zeker van een predikant.
Is er leven na de dood? Wie korter – of ook al weer iets langer – geleden iemand aan de dood verloren heeft, die kan zich misschien wel iets bij deze vraag voorstellen. Alles is anders geworden, moeilijker, moeizamer. Hoe moet ik verder? Een weduwe zei eens: ‘dan zie ik al die vrouwen lachen, en dan denk ik: dat kan ik nooit meer …’.
Is er leven na de dood? Voor de ouders van dat Palestijnse meisje dat bij Israëlische aanvallen per ongeluk werd gedood? Voor de vriendin van de Israëlische jongen, omgekomen bij een zelfmoordaanslag in een disco in Tel Aviv? Er zijn diepe wonden geslagen, er is grote rouw, verdriet, boosheid … . Wat is leven dan?
Scherper, anders gevraagd: is er leven na de (broeder)moord? Hoe kan Kaïn in Gods naam leven met de last van de moord op zijn broer? Hoe kunnen wij leven met de wetenschap, dat mensen in de 3e wereld sterven om en door ons? Denk bijvoorbeeld aan kostbare wapenleveranties, ook uit ons land. Wat doen wij met dat soort schuld – hoe hard we ook proberen het allemaal weg te wuiven en te bagatelliseren? Wat doen we met die argeloosheid, die machteloosheid ook – inderdaad: we kunnen niet de hele wereld op onze nek nemen?!

Is er leven na de dood? Blijkbaar wel. Het leven gaat door. Voor de een is dat verbijsterend. Zulke ingrijpende dingen meegemaakt, van alles gebeurd, en op straat lijkt er niets van te merken. Het leven gaat door. Een feit, een hard feit. Het leven gaat door: voor een ander is dat juist een zinsnede om die ander op te beuren, aan te moedigen. Maar dat kan niet anders dan een vergissing zijn. Het is immers niet meer dan een constatering, een feit.
Het leven gaat door! Of vergaat het? Het slot van Genesis 4 vertelt wat er gebeurt. De ene na de andere naam wordt genoemd. Uit die namen rijst het beeld op van het vroegere Midden-Oosten. Blijvers en zwervers, alles door elkaar, werk en vermaak, brood en spelen. Alles is er. Maar de kwaliteit is twijfelachtig, dubbel, dubbelzinnig.
Kaïn woont in het land Nod. Nod betekent zoiets als zwerver. Het verhaal lijkt te suggereren: Kaïn is zonder vaste woon- of verblijfplaats. Onrust, onvrede. Met zijn nageslacht is het niet anders. Enerzijds klinken daar de namen van Henoch en Irad, stadsbewoners. Anderzijds Jabal op zijn fluit, Jubal met zijn kudde, de smid Tubal-Kaïn, en ook nog Naäma, liefje, maar met een twijfelachtige reputatie. Allen nomaden, tentbewoners, zwervers. In Kaïns nageslacht is geen duidelijke lijn te ontdekken. En er komt nog meer. Mehujaël en Metusaël, vader en zoon, hun namen betekenen zoveel als leven en dood. Scherper kan het niet in de tegenstelling! Met de vrouwen van Lacmech, Ada en Zilla is het niet anders, glans en schaduw. In alles klinkt iets door van: het komt niet, nooit meer goed, het is allemaal lapwerk, gebroken, kapot. Het is een zich voortdurend voortplantende onrust. We herkennen dat misschien wel tot op de dag van vandaag. In het overwegen en uitvoeren van goed én kwaad, in ons voelen kunnen optimisme en pessimisme krachtig met elkaar strijden. Wat zal ik, wat moet ik, wie ben ik? O wee, als een ander inbreekt in dat wankele wereldje van ons, als iemand ons in de weg zit … .
Het gaat van kwaad tot erger. Lamech, de krijger, een man van het gevecht, een man die de strijd niet uit de weg gaat. Bij het minste of geringste slaat hij erop los, zo bralt hij. Niet eens oog-om-oog, nee, dat is nog te vriendelijk. Zelfs een minuscuul wondje is voldoende om er op los te slaan, een ander te doden. Ooit beloofde God aan Kaïn, dat Hij hem zou beschermen, dat Kaïn in Zijn hoede geborgen zou zijn. Maar Lamech, hij heeft dat niet nodig. Hij zal zichzelf wreken. Twee dingen veronachtzaamt hij, de moord op Abel, én God. Het leven gaat door. Het leven vergaat.

Of toch niet? Gaat het toch verder? Het vervolg laat het zien. Kinderen worden geboren, net zo goed. Een natuurlijke gang van zaken. Het gaat verder, het gaat beter! Lamech mocht dan alles zijn vergeten, de vrouw (Eva, moeder), zij vergeet niét. Kinderloos is ze achtergebleven: de een is vermoord, de ander is voor altijd vertrokken. De vrouw vergeet niet, als er opnieuw een kind, een zoon geboren niet. Ze vergeet God niet, hoewel ze wel voorzichtiger, ingehoudener over Hem spreekt. Niet Zijn eigen Naam klinkt meer, maar meer algemeen: God. Zij is een paar illusies armer geworden in het leven, maar toch … . Ze vergeet God niet én ze vergeet de moord niet. Hoe zou ze dat ook kunnen vergeten! ‘Ik heb een zoon gekregen, Set, plaatsvervanger van Abel (die vermoord is door Kaïn).’
Een zoon, een plaatsvervanger voor Abel, dat is al heel wat. Maar het is nog niet genoeg. Daarvoor is er teveel gebeurd, daarvoor is de onzekerheid te groot. Met spanning wordt op het vervolg gewacht. Zal deze lijn zich door kunnen zetten? Ook aan Set werd een zoon geboren, hij noemde hem Enos. Eigenlijk staat daar: hij riep zijn naam, Enos. ‘Toen begon men de des Heren aan te roepen.’ Ofwel, toen kon men het wonder van Gods eigen Naam herkennen: Hij is erbij. Wat is er dan aan de hand? Het is zo wonderlijk, zo ontroerend. Eerst was er Abel, adempje, vergankelijke. Nu is er Enos, wat zoveel betekent als mensje, sterfelijke. Opnieuw een dun draadje, fragiel, opnieuw een mens waarvan met de woorden van Okke Jager gezegd kan worden: ‘hoe kostbaar is een kwetsbaar mensenkind’. God durft wel!
Het leven gaat door, God gaat verder. Wij zouden denken: nu zal Hij toch wel de weg van de sterkste kiezen, survival of the fittest, Hij zal zich nu toch wel aanpassen aan het krachtenveld van de mens, dat kan nu toch niet anders meer … . God weet wel beter! Geen kracht, geen geweld, geen wapengekletter. Niets daarvan, helemaal niets! Enos, mensje, sterfelijke. Hoe groot, hoe groots.

Is er leven na de dood? Jazeker! God begint opnieuw, en hoe! Hij begint bij het begin, bij de genesis, de wording van de mens. Alle ellende van de wereld ten spijt, alle teleurstelling ten spijt. Kan het nu niet anders? Ja en nee. Nee, opnieuw een Abel. Ja, een kans om het anders te doen. God vertrouwt ons die kleine Enos toe, dat kleine weerloze mensje. God kiest niet voor de adelstand van Kaïn met zijn bravoure en krachtpatserij. God kiest voor de Abelstand. Dat is wat geen oog ooit gezien heeft, geen oor ooit heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat dát zou gebeuren. Set-Enos-Abraham-David … Jezus Christus. Hij was kwetsbaar tot op het kruis, tot op het bot.
Is er leven na de dood? Jazeker! Jezus Christus is aan en met onze zonden ten onder gegaan. Maar Hij is er ook uit opgestaan!

Alphendebron/020526




Print deze pagina

© 2002, KWdJ