Schriftlezing: Haggaï 1

Thema: Feesteling

Haggaï is een oudtestamentisch Bijbelboek met een beperkte omvang en behoort tot de 12 zogenaamde kleine profeten. Op grond van de genoemde data kunnen we vrij nauwkeurig bepalen wanneer de woorden van Haggaï hebben geklonken: die van hoofdstuk 1 op 29 augustus 520 v Christus. Vanaf 539 v Christus zijn de ballingen uit Babel/Babylon teruggekeerd naar Jeruzalem. Terwijl de mensen hun leven weer redelijk op orde hebben, ligt de tempel er na bijna twintig jaar nog als een ruïne bij. Daartegen richt zich in eerste instantie de profetie van Haggaï. De preek heeft dit keer de vorm van een soloact: een inleving in de persoon van Haggaï.

Mijn naam is Haggaï. Dat betekent zoveel als feesteling, op een feestdag geboren. Nu is mijn leven niet echt een feest geweest. Hoewel … . Daar zal ik zo meteen nog iets meer over zeggen. Ik ben opgegroeid in Babylon, ver weg van Jeruzalem. Ik heb altijd geweten dat ik anders was, dat ik tot een apart volk behoorde. Wij hadden geen grote tempels. Wij hadden geen afgodsbeelden. Op zaterdag, op sabbat werkten wij niet, terwijl ieder ander druk in de weer was. Bij ons thuis was er altijd grote aandacht en zorg voor de religieuze gebruiken, én voor de naaste. Mijn vader vertelde over wat hij van zijn vader had gehoord, over Jeruzalem, de fantastische stad, het prachtige land. Hij had gehoord over de grote feesten waaraan iedereen meedeed, over de tempel in al zijn glorie, over Grote Verzoendag waar iedereen, echt iedereen heel serieus zijn eigen zonden overdacht en probeerde goed te maken wat goedgemaakt kon worden. Daar was in Babylon niets van te merken, van de gewijde sfeer op straat. Op een goede dag kwam het bericht dat we terug mochten. Ik was, denk ik, een jaar of tien. We hadden hoge verwachtingen. Alles zou anders worden. Alles nieuw. De fouten van vroeger zouden niet meer gemaakt worden. God zou geëerd worden. Voor de mensen zou gezorgd worden: weduwe, wees, de vreemdeling. We zouden nieuwe huizen bouwen. En natuurlijk: een nieuwe tempel. Een grandioos nieuw begin. De mensen maakten plannen, waren helemaal vol, droomden … .

Maar … . De toch terug was ronduit bar. Toen we terugkwamen bleek het land jarenlang niet bewerkt. Het koste grote moeite om het weer enigszins vruchtbaar te maken. Van de meeste huizen was niets meer heel. Als een huis nog wat voorstelde, woonde er een ander in. De mensen die gebleven waren spraken een ander dialect, hadden andere gewoontes dan wij. Een eerste poging om de tempel te herbouwen mislukte. Tot een tweede kwam het niet. De economie viel na een korte opleving terug. In de huizen, ook bij ons thuis, overheerste de teleurstelling. Er hing een negatieve sfeer. Er was minder aandacht voor elkaar. Het was hard werken. Ieder trok zich terug op zijn eigen stekje, zijn eigen gezin, zijn eigen geluk, heel individueel. Toch, welbeschouwd, ging het de meesten nog niet eens zo slecht. Maar binnen de kortste keren waren de hooggestemde idealen verdampt. Ik bemerkte bij mezelf onvrede. Dit kan toch niet Gods bedoeling zijn?! De irritatie groeide. Ik wast niet wat ik kon doen, wat ik moest doen. Ook ik had de neiging om in een hoekje weg te kruipen.

Totdat … . Ja, dat was feest. Ik werd aangeraakt, door God zelf! Ik had een sterke innerlijke drang om Zijn stem te laten horen, Gods stem! Ik wist het zeker. Dit zegt Hij! Ik hoorde mezelf midden in de stad zeggen, roepen: ‘Tijd, tijd, jullie hebben het altijd maar over tijd, geen tijd. Het is nog geen tijd om het huis van de Heer te bouwen. Het is nog geen tijd om God onder ogen te komen. Het is nog geen tijd om ons weer te verdiepen in het Woord van God. Wat nou ‘geen tijd’, ‘het is de tijd nog niet’?! Slap gezeur! Kijk eens naar jullie eigen huizen. Dat is allemaal wel gelukt. Het zou de tijd nog niet zijn voor het huis van God, die ruïne die er nu staat?! Kijk eens goed, hoe armzalig jullie leven is. Je hebt veel gezaaid, maar weinig geoogst. Je het veel te eten, maar je raakt niet verzadigd. Je drinkt veel, maar het is nooit genoeg. Je kleedt je, maar je krijgt het niet war. Je verdient veel, maar het verdwijnt in een mottige sok vol gaten. Dat niet te verzadigen verlangen van jullie, naar meer, altijd meer, het is nooit genoeg!’ Het kwam er allemaal uit, die onvrede met het gezapige, dat verlammende … . Woede. Gods woede. Met alle vragen die daar bij komen, ook voor mezelf. Zou Hij iets te maken hebben met het feit dat het zo slecht ging?

Ik zag hoe de mensen reageerden: bang, onzeker. Ik zag dat ik met deze woorden de vinger op de zere plek legde. De mensen wisten dat ze fout zaten, maar ze hadden iemand nodig om het onder woorden te brengen, om ze hardhandig duidelijk te maken: het moet anders! Maar de schrik en paniek had ook een keerzijde. Ze durfden ineens niets meer, bang dat ze het fout zouden doen. Toen kreeg ik opnieuw een ingeving: ‘De Heer is met jullie. Dat moeten jullie nooit vergeten, wat er ook gebeurt, zelfs al maak je de grootste fouten. De Heer is met jullie.’

Eigenlijk had ik dat nooit durven denken: dat er iets zou veranderen. Maar het gebeurde wel. Een nieuwe geest, nieuw elan, enthousiasme. Bij Zerubbabel, de landvoogd, bij Jozua, de hogepriester, de anderen. Ze begonnen te bouwen aan de tempel. Nog geen vier weken later! Mensen maakten tijd. Ze deden het gewoon. Dat was een feest, een écht feest. Hoewel, het mooiste, het allermooiste was dat moment van aangeraakt worden, de grootheid van God, Zijn majesteit, maar vooral ook Zijn zorg en liefde.

Utrechtleidscherijn/101107




http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2010, KWdJ