Schriftlezing: Haggaï 2: 10-11a, 15-23

Tekst/thema: ‘Vanaf vandaag zal ik jullie mijn zegen geven.’ (19-slot)



Samenvatting van de preek:


We staan op deze zondag nadrukkelijker dan anders stil bij vergankelijkheid en onvergankelijkheid, bij tijd en eeuwigheid. Soms kan het ons ineens aanvliegen: wat blijft erover van een mensenleven? Na verloop van jaren verdwijnen langzaam de tastbare herinneringen: het samen gekochte schilderij, die stoel van vroeger, de bewaarde schriften van de lagere school. Je kunt immers niet alles bewaren. Natuurlijk, ook dan blijven er herinneringen, de onzichtbare, in ons hoofd. Maar ook die verdwijnen langzaam, vervagen. Het gezegde ‘opgaan – blinken – verzinken’ is niet zonder grond. Ook als het om ons eigen leven gaat kunnen onze gedachten in de loop der tijd veranderen. ‘Ik heb me druk, boos gemaakt om de aanleg van die nieuwe weg. Het heeft me veel tijd gekost, teveel tijd eigenlijk. Mijn gezin heeft het gemerkt, heeft eronder geleden. Achteraf denk ik wel eens: waar heb ik me toch zo druk om gemaakt?! Heb ik anderen niet tekort gedaan, had ik mijn tijd niet anders moeten besteden?’

Haggaï profeteert. Opnieuw. Het volk is geconfronteerd met beperkingen, met vergankelijkheid. De oogsten vallen tegen. Geen twintig ton graan van een stuk grond, maar tien. Geen vijftig vaten wijn uit de wijngaard, maar twintig. ‘Waar doen we het allemaal voor? Wat levert ons ploeteren op?’ Dat alles staat tegen de achter grond van een politiek onzekere tijd. Wat heeft Jeruzalem van de nieuwe machthebber, van de Perzen, van hun koning Darius te verwachten? Waar loopt dit nieuwe tijdperk op uit?
Er bestaat een bekende anekdote van prof. van der Leeuw, kort na de oorlog minister van onderwijs. Hij zat op een terrasje waar twee vrouwen druk met elkaar in gesprek waren. Het ging overduidelijk om ernstige zaken. Op een gegeven moment riep een van hen uit: ‘Waar moet het allemaal naar toe?’ Daarop draaide Van der Leeuw zich om en zei: ‘Wie zegt dat het ergens naar toe gaat?’ Dat is een stap, een geloofsstap, het vertrouwen dat het ergens heen gaat, dat het leven een doel heeft, dat het ergens op uitloopt.

Het is niet toevallig dat Haggaï in een tijd van malaise en onzekerheid richting geeft. De kans is niet denkbeeldig dat mensen het maar gewoonweg zouden opgeven. Als het zaad toch niet ontkiemt. Als de wijnstok toch geen vruchten voort brengt. Als er toch geen vijgen, granaatappelen en olijven van de bomen te plukken vallen. Waar doe je het dan allemaal voor? Haggaï zegt: God heeft zijn zegen onthouden, sterker nog, Hij is het die de zaak in het honderd heeft gestuurd, maar nu, nu zal Hij zijn zegen geven.
Niet alleen in de economie, ook in de politiek geeft Haggaï richting. Koningstronen zullen wankelen. Paarden en ruiters zullen omkomen (een subtiele verwijzing naar de uittocht uit Egypte, weg van onderdrukking en slavernij. Haggaï verwijst naar Zerubbabel, de gouverneur. Ooit heeft God zijn grootvader Jojakin afgedaan als een zegelring (om met de woorden van de profeet Jeremia te spreken (22: 24)). Nu zal hij de kleinzoon, Zerubbabel opnieuw omdoen als zegelring, als verwijzing naar Hemzelf, de eigenaar. Deze man, dit volk, het verwijst naar God, heeft de opdracht naar God te verwijzen. Haggaï geeft richting. Want deze Zerubbabel komen we tegen op de geslachtslijst van Jezus, het is een van zijn verre voorouders.

Er zit veel weerbarstigheid in de woorden van Haggaï. Toen: van de teruggekeerde ballingen werd gehoorzaamheid gevergd, een andere levenshouding ten opzichte van God dan hun voorouders aan de dag hadden gelegd. Nu: is het God die in de slechte oogst het onheil op de mensen heeft afgestuurd? Is het God die de koningstronen omver stoot, strijdwagens en hun berijders ten onder laat gaan?
Ik kan proberen hier een paar mooie, dogmatisch getinte overwegingen tegenaan te leggen. Aan de ene kant de liefde van God, die grenzen stelt. Aan de andere kant God die mensen niet aan hun overlaat. Toch wil ik die weg niet bewandelen. Ik wil het anders doen. Stelt dat je arm bent, zelf niet in staat een vuist te maken? Stel dat je geweldloos de oppositie aanvoert in een land als Birma? Hoe zou iemand als Aung San Suu Kyi tegen dit soort woorden aankijken? Twintig jaar heeft ze in gevangenschap verkeerd en huisarrest gehad. Ze kon niet bij haar man zijn toen die ernstig ziek was en in het buitenland overleed. Twintig jaar lang is ze vrijwel geheel van de buitenwereld afgesloten, kon ze maar heel beperkt met anderen communiceren. In zulke omstandigheden spreekt niet de dreiging, maar de hoop: er is er Eén die boven onderdrukkende machten uitgaat … . Wereldlijke regimes hebben niet, nooit (!), het laatste woord!

Haggaï belooft Gds zegen. Zegen, dat betekent ook: dat het er toe doet wat je doet, wat je hebt gedaan, al je inspanningen. Anders, wat moderner gezegd: zegen betekent dat met Gods hulp jouw inzet het verschil maakt. In Psalm 90 lijkt de wereld op zijn kop te staan. Goede en kwade dagen, ze buitelen over elkaar heen. De psalm eindigt met de hartstochtelijke bede aan God om het werk van de dichter te bevestigen, vast te maken, zeker. We moeten oppassen daar niet onze meetlat tegen aan te leggen. Het gaat niet om nut en succes volgens onze visie, maar Gods visie. De dood van Jezus, die is in onze ogen volstrekt nutteloos, zinloos. Toch verleent God er zegen aan: leven op de derde dag, vergeving van zonden voor eenieder die zich tot Hem wendt.
Zo willen wij vandaag ook onze geliefde overleden gedenken. We doen dat in de overtuiging dat ook zij vallen binnen de belofte van de profeet Haggaï, dat God zijn zegen verleent, ook aan hun levens, dat ook zij passen in dat grote raamwerk van Gods geschiedenis met ons.

Utrechtleidscherijn/101121


http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2010, KWdJ