Schriftlezing: Handelingen 8: 26 – 40

Thema: ‘Een mens op zoek’

Een mens, een man op zoek. Het is een eunuch, een ontmande, directer gezegd: gecastreerd, onvruchtbaar. Onvruchtbaar, letterlijk én figuurlijk, zonder vrucht, zonder levensvreugde, zonder levensgeluk. Een mens, een man op zoek. Hij heeft alles. Hij komt niets tekort. Hij is aangesteld over alle schatten van de koningin van Ethiopië. Maar zelf heeft hij de schat van zijn leven nog niet gevonden. Een mens, een man op zoek. Het is een eenzame weg die hij gaat, van Jeruzalem naar Gaza. Opnieuw is dat een dubbelzinnige mededeling van de schrijver van het boek Handelingen, Lucas. Een eenzame weg: de weg is stil, ligt er eenzaam bij. Geen wonder, het is middag, het is heet, als het even kan is dit niet het moment om te reizen. Maar tegelijk wijst dat ook op het eenzame van de zoektocht. De eunuch is in Jeruzalem geweest, in die stad van belofte: ‘O Godsstad – door uwe poort zal ieder binnentreden’ en ‘O moederstad – uit u is elk geboren’. Jeruzalem is de stad waar ooit een voorgangster van zijn koningin koning Salomo heeft bezocht. Zij had gevonden wat ze zocht: wijsheid, van onschatbare waarde. Maar de eunuch heeft niets gevonden. Hij denkt niets gevonden te hebben. Hij daalt af: afdalen is in de Bijbel een werkwoord met een donkere, sombere kleur. Het gaat bergafwaarts met hem, naar beneden. Het is de richting van het graf. Het is een doodlopende weg. Hoewel … . Hoe moeten we het duiden, dat hij de weg naar Gáza gaat? Wat betekent dat eigenlijk, Gaza? Lucas daagt ons uit om te zoeken, om mét deze eenzame man te gaan schat zoeken. Zowaar, Gaza betekent in het Grieks ook: schat. De eunuch is aangesteld over de schatten van de koningin van Ethiopië. Hij daalt af van Jeruzalem naar Gaza, naar ‘schat’. Wat zal hij, wat zullen wij vinden?

Een mens, een man op zoek. De bekende rabbijn Harold Kushner heeft niet alleen het boekje ‘Als het kwaad de goede mensen treft’ geschreven, maar ook ‘Niets meer te wensen en toch niet gelukkig’. Hij geeft daarin een trefzekere analyse van de Westerse wereld. Het mag nu economisch slechter gaan, wat zorgelijker zijn dan een paar jaar geleden, voor velen, zeker voor kerkmensen is er verhoudingsgewijs nog steeds een grote welvaart. Huizen, verbouwingen, ieder een auto, mooie vakanties, in veel gevallen plezier in het werk, uitdagende hobbies: alle denkbare schatten zijn verzameld. Niets meer te wensen … . We zouden denken: volmaakt gelukkig. Maar er ontbreekt iets, het knaagt, de vraag rijst: is dit het nu? Onderhuids leeft een zekere ontevredenheid. Misschien heeft het wel iets verwends. In ieder geval het is nooit genoeg. Er moet iets meer, er moet ook nog iets anders zijn … .

Een mens, een man op zoek. Als de eunuch afdaalt van Jeruzalem naar Gaza, dan komt Philippus – door God gewaarschuwd – hem achterop lopen. Hij hoort de man hardop lezen. Dat is niet zo vreemd als het lijkt. De woorden stonden in de toenmalige handschriften dicht op elkaar, zonder onderscheid tussen grote en kleine letters, zonder leestekens. Het was een kwestie van hardop spellen om zo de woorden op het spoor te komen, vanuit de woorden de zinsdelen en de zinnen, en uiteindelijk het zinsverband. Het Griekse woord voor lezen is dan ook letterlijk herkennen, in de wirwar van letters een lijn, een verhaal herkennen. Philippus vraagt: verstaat u wat u leest. Of, letterlijker: kent u wat u herkent? Bent u vertrouwd met wat u herkent?
Het antwoord is even simpel als uitdagend: hoe kan ik kennen, als er niet iemand is die mij de weg wijst? Ofwel: hoe komt hij op weg naar Gaza ook daadwerkelijk in Gaza aan, bij zijn schat. Dan moet toch iemand hem de weg wijzen, niet soms?!
Woorden van de profeet Jesaja: ‘Gelijk een schaap werd hij ter slachting geleid; gelijk een lam stemmeloos voor zijn scheerder; zo doet hij zijn mond niet open.’ Weer dat dubbelzinnige. De tekst spreekt niet, de tekst zwijgt, blijft duister. Waar gaat dit in hemelsnaam over? Wat betekent dit, waarom gaat dit zoals het gaat? Maar waar het schaap zijn mond niet open doet, daar opent Philippus zijn mond en verkondigt de eunuch Jezus. Jezus spreekt bij monde van een van zijn discipelen.
Het vervolg is bekend: de eunuch laat zich dopen. Hij heeft zijn schat gevonden. Zijn leegte, zijn eenzaamheid is gevuld. Hij mist zelfs Philippus niet eens, die door de Geest weggevoerd wordt naar Asdod. Maar wat is nu de schat die hij gevonden heeft? Wat heeft hem aangesproken? Is dat misschien het feit dat iemand hem in zijn eenzaamheid zag? Hij was apart gezet, afgesneden van het alledaagse leven, volgens de Joodse wet een onreine buitenstaander. Hij mocht weer ergens bij horen. Of is het de gedrevenheid van Philippus die hem geraakt heeft? Zelf geraakt door het evangelie ziet hij om naar deze man. Of is het Jezus zelf, dat lam, stom voor zijn scheerders: onschuldig veroordeeld, op dat wij schuldigen vrijgesproken worden door God? Daar ergens moet de crux liggen, het cruciale, het kruispunt van God en deze mens. De grote nadruk op het water wijst daarop: dat wast af, maakt schoon, reinigt. Zo wil God ook hem in Jezus Christus aanzien als een rein, schoon, een bijzonder mens. Of is het meer dat het vruchteloze, het zinloze leven van deze eunuch zin heeft gekregen? Of is het van alles wat? Of …?

Een man, een mens op zoek. Het is in dit gedeelte uit de Handelingen der Apostelen een en al onrust, beweging. Het staat vol met werkwoorden: gaan, aanbidden, terugkeren, voortgaan, afdalen (in het water), opgaan (uit het water), verder gaan. Maar het is ook een en al beweging van Godswege: opstaan, gaan, toetreden, opgaan, totdat de beweging samenvalt in de beweging van de doop: afdalen en opstaan. Juist daar loopt het samen! In alle afgaan, in alle afgang én alle opgaan van het leven, in dalen en op bergen: Hij laat niet alleen.
Een man, een mens op zoek. Maar God is al lang met hem bezig. Wie komt er op onze weg, zodat wij hem of haar kunnen helpen zoeken op de weg naar Gaza, op de weg naar de schat, op de weg naar God?


Alphendebron/030706


Print deze pagina

© 2003, KWdJ