Schriftlezing: Romeinen 5: 1 – 11

Thema: Heidelbergse Catechismus, zondag 17 (vr/antw 45)



Afgelopen week zei iemand op een gespreksgroep: ‘Ik geloof niet in de opstanding van Christus, daar kan ik helemaal niets mee.’ Ik had daarop iets kunnen antwoorden als: ‘Ik geloof wél in de opstanding van Christus, voor mij is het cruciaal.’ Maar ik denk niet, dat dat geholpen zou hebben. Het zou een welles-nietes geworden zijn, zonder duidelijke uitkomst. Een dergelijk antwoord zou wel getuigend zijn geweest, maar niet overtuigend. Bovendien: als ik zeg in de Opgestane te geloven, dan zeg ik daarmee veel, maar toch ook nog lang niet alles. Waar is de opstanding van Christus goed voor? Waarom is dat nu zo belangrijk? We lezen wat de Kerk van de Reformatie daarover in de Heidelbergse Catechismus heeft gezegd.

Zondag 17

Vraag 45:
Wat nut ons de opstanding van Christus?

Antwoord:
Ten eerste heeft Hij door zijn opstanding de dood overwonnen
om ons in de gerechtigheid te doen delen,
die Hij ons door zijn dood verworven had.
Ten tweede worden ook wij door zijn kracht
opgewekt* tot een nieuw leven.
Ten derde is voor ons de opstanding van Christus
een zeker onderpand van onze eigen opstanding in heerlijkheid.

NB: * enkele oude handschriften geven: verwekt


Als we beginnen te lezen: ‘Ten eerste heeft Hij door zijn opstanding de dood overwonnen’, dan kunnen we daar als gelovigen wel amen op zeggen. Het geeft hoop, biedt houvast. De dood is streng en bitter. Het is een harde grens, waar slechts eenrichtingsverkeer lijkt te bestaan. Het komt bij de discipelen in het evangelie dan ook niet op, dat Jezus zou kunnen zijn opgestaan uit de doden. Hij heeft het wel gezegd, meer dan eens zelfs, maar het is zo vreemd, zo tegen-natuurlijk dat het niet bij hen is opgekomen. Vandaag is het met de dood niet anders. Ons medisch kunnen is groot. We kunnen de grens van dood en leven een aardig stukje oprekken. Er zijn dikke boeken geschreven over bijnadood ervaringen, maar als we eenmaal iemand moeten laten gaan, dan is dat eens voor altijd. Niet meer, nooit meer, dat is het moeilijkste van de dood. Nooit meer een knuffel, die wijze woorden, die hulpvaardige handen … .
Maar de zin gaat verder: ‘om ons in de gerechtigheid te doen delen, die Hij ons door zijn dood verworven had.’ Een eerste betekenis ligt eigenlijk wel voor de hand. Jezus maakt Zijn werk af. Als Hij niet zou zijn opgestaan, dan zou ook Zijn lijden, Zijn verlossingswerk discutabel geworden zijn. Als Hij niet zou zijn opgestaan, dan zou immers de dood, de zonde, het van God afgekeerde tóch gewonnen hebben. Maar onder het geciteerde zinnetje ligt een tweede betekenis. Het gaat hier niet alleen om leven en dood in biologische zin, maar ook om de theologische, de symbolische betekenis. Midden in het leven zijn wij door de dood omgeven, zo dicht Maarten Luther. Niet alleen ‘elk uur, elk ogenblik’ het sterven, maar ook de zonde riekt naar de dood. Zonde is een afgekeerd zijn of worden van God, de Lévende. Nu in dát zo bedreigde en kwetsbare leven is reeds heil, heling, heelheid, verzoening te ervaren. Het kruis, vergeving en verzoening is dus niet alleen een gebeurtenis in het verleden, een voltooid verleden thuis, het kan in het hier en nu ervaren worden. Hijzelf reikt het ons aan.
* Een aantal jaren geleden kwam een man bij mij, een jaar of dertig schat ik. Hij zocht wanhopig naar vergeving. ‘Kunt u me dat geven?’ Dat kon ik natuurlijk niet. ‘Wat is er aan de hand, vertel eens wat meer?’ Hij vertelde getrouwd te zijn, maar op de sport had hij een andere vrouw ontmoet. Van het een was het ander gekomen. Verliefd geraakt, met zijn hoofd in de wolken, hij dacht alles aan te kunnen. Nu stond hij weer met beide benen op de grond, er was wroeging, schuld verteerde hem. De affaire was intussen beëindigd. Zijn vrouw kon en wilde hij het niet vertellen. Hij was bang, wilde haar geen pijn doen. De sport had hij al vaarwel gezegd. Nadat hij zijn verhaal had gedaan maakten we een nieuwe afspraak. Op een van de tussengelegen zondagen vierden we avondmaal. Hij was er ook. Als een ander mens kwam hij op de volgend afspraak. Ik wist eigenlijk al wat hij ging zeggen. Op het moment dat ik de voorbereidingsvragen had gelezen, had ik direct aan hem gedacht. ‘Aan eenieder die berouw heeft over zijn zonden en bereid is oprecht te strijden tegen hun ongeloof en voornemens zijn naar alle geboden van God te leven, verkondigen wij, dat niets is overgebleven dat God hen in genade aanneemt en aan Zijn tafel ontvangt.’ In brood en wijn, tekenen van het gebroken lichaam, het vergoten bloed van de Heer, had Hij de vergeving van Gods vergeving bevestigd gezien.

‘Ten tweede worden ook wij door zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven.’ Wat is nu die kracht die ons opwekt tot dat nieuwe leven? Die kracht wordt in beginsel gevonden in de bijbel in Gods Woord. In het licht van de bijbel is er vervolgens veel meer dat genoemd kan en mag worden. Dat kan door een gebaar, door de aandacht van een ander mens zijn - ik ben ervan overtuigd dat God door en met mensen werkt. Dat kan door een beeld in de natuur, Gods schepping, bijvoorbeeld een prachtige zonsondergang. Dat kan door het lezen van een psalm, door met de psalmdichter door diepteervaringen heen te gaan, maar ook de hoop op Gods liefde te proeven. Of is dit allemaal nog wat te vlak, te oppervlakkig? Er staat niet ‘tot een leven’, maar ‘tot een níeuw leven’. Sommige handschriften, drukken eigenlijk, hebben daarom ook niet ‘opgewekt’ gegeven, maar ‘verwekt’. Verwekt als bij een nieuw mensenleven, als bij de conceptie, maar dan – ik speel met de woorden – volgens een nieuw concept, Gods concept. Maar ook als er staat ‘opgewekt’, dan proef ik daarin iets van geroepen, opgeroepen, wakker gemaakt, uitgedaagd, gemotiveerd. Opstanding wil dus ook zeggen: blijf niet in het verleden hangen, niet zeuren van ‘ik kan niet anders’ (denk aan het voorbeeld van hiervoor, die man wilde wél anders), ga verder alsof de hele dag voor je ligt en je fris aan de slag kunt.
* Maarten Luther is voor ons een geloofsvoorbeeld, een held. Maar het is tegelijk een heel gewoon mens met grote pieken en dalen in zijn leven. Hij zat eens terneergeslagen in een grote zaal van het voormalig klooster waar hij samen met zijn vrouw woonde. Zijn vrouw vroeg hem, wat er aan de hand was. Luther begon een enorme klaagzang met wat er allemaal mis was. Het zat vol teleurstellingen, vol eigen falen, niets goeds bleef erover. Terwijl hij maar doorging, ging zijn vrouw naar buiten en begon de luiken dicht te doen. Het werd langzaam donker in de zaal. ‘Waarom doe je dat?’ Zij antwoordde: ‘We hebben een dode in huis.’ Luther: ‘Een dode?’ Zij: ‘Als jij zo somber bent, dan leeft Jezus niet meer.’ Luther dacht na en begon te lachen. Het werd licht voor hem. ‘Doe de luiken weer open!’ En hij nam houtskool en schreef op de muren ‘vivit’, Hij leeft!

‘Ten derde is voor ons de opstanding van Christus een zeker onderpand van onze eigen opstanding in heerlijkheid.’ In dit zinnetje wordt nog wat van onze geloofsinspanning gevraagd. Het betreft de laatste woorden van de apostolische geloofsbelijdenis. Wat denken wij daar eigenlijk bij? Met enige regelmaat kom ik op de begraafplaats. Bordje: ‘Deze graven worden in 2002 geruimd.’ En dan denk ik nog niet eens aan de crematoria. Wat te denken wij bij ‘onze eigen opstanding in heerlijkheid’? Die heerlijkheid duidt erop, dat om een andere orde gaat dan wat wij nu kennen. Wat nu sterfelijk is, is dan onsterfelijk. Wat nu kwetsbaar is, en geschonden, is dan onkwetsbaar, niet meer te schenden. Onvoorstelbaar eigenlijk. De opstanding van Christus is daarbij een hulp, een opstapje, sterker nog een onderpand, een waarborg. Vroeger stond er op bankbiljetten iets als: de Nederlandse Bank betaalt u tegen overlegging van dit biljet zoveel gulden uit in goud. De opstanding van Christus is net zoiets: goed voor onze eigen opstanding in heerlijkheid.
* Ik bezocht eens een oude vrouw, ver in de tachtig. Ze was net weduwe geworden. Onder de vele condoleancebriefjes had iemand geschreven: ‘je mag dankbaar zijn, dat jullie zo vele jaren samen hebben gehad’. Maar eigenlijk begreep ze dat niet. Ze was haar maatje kwijt, ze wist niet goed meer, hoe het verder moest. Behalve dit. ‘Ach, eigenlijk is het niet zo erg dat mijn man overleden is (NB: overleden: over het lijden heen).’ ‘Hoe bedoelt u?’ ‘Ik ben oud, ook ik ga gauw dood. Eens zal ik opstaan met Christus. Mijn man ook, dat weet ik zeker. En dat zal goed zijn.’

Verleden-heden-toekomst. In de opstanding van Christus krijgt alles zin, alles richting. In de opstanding van Christus komt alles in zijn verband te staan, in een zinsverband. Bij die man van 30 jaar. Bij Maarten Luther. Bij die oude vrouw. Elk leeft met en vanuit die levende Heer. Ik hoop: u ook.


Alphenadventskerk/020331


Print deze pagina

© 2002, KWdJ