Schriftlezing : Psalm 16; I Johannes 3: 1 en 2; I Johannes 5: 10 – 13
Tekst : Heidelbergse Catechismus Zondag 22
Thema : ‘Het eeuwige leven’



Geluidsfragment: Nieuw Vennep - 18 juni 2011


Vraag en Antwoord 58

Vraag:
Wat troost u het artikel over het eeuwige leven?

Antwoord:
Terwijl ik reeds nu in mijn hart
het begin(sel) van de eeuwige vreugde gevoel,
zal ik na dit leven de volkomen zaligheid bezitten,
‘die geen oog gezien,
geen oor gehoord heeft
en die in geen mensenhart is opgekomen’ (vgl. Jes. 64: 4 en I Cor. 2: 9),
om God daarin eeuwig te prijzen.

Ik geloof (in) een eeuwig leven. Wie dat zo, los, zegt, zal niet erg veel tegenspreek ontmoeten. Velen geloven immers dat er ‘iets’ is, zo ook na de dood. Het is vaag, diffuus, vluchtig. Het gaat vervolgens net als bij een onscherpe foto. Die halen we al snel uit de verzameling, de foto is eigenlijk niet toonbaar. Maar omdat het de enige foto is van zo’n unieke gebeurtenis, bewaren we de foto toch maar. Eeuwig leven, dat is een begrip geworden, iets voor bij begrafenissen, geen levende werkelijkheid. Daarmee is het in feite een marginaal geloofsartikel geworden. Dat geldt overigens ook voor het fotoboek van menig christen-gelovige. Door de jaren heen zijn de kleuren en daarmee de contouren van de foto vervaagd. Wij zijn niet alleen kinderen van God, maar in veel opzichten ook kinderen van onze tijd. Zeker in ons welvarend deel van de wereld ligt de nadruk op het hier-en-nu. Er is zoveel te ervaren, zoveel te genieten. Alles moet nu, hier gebeuren, het liefst vandaag nog. Je weet wat je hebt, niet wat je krijgt. Haast is het gevolg, stress, een grote druk. Je zult maar eens iets missen … . Godfried Bomans heeft dit levensgevoel ooit heel pregnant onder woorden gebracht: ‘Vroeger zeiden ze als iemand stierf: je bent er bijna; tegenwoordig zeggen ze: je bent er bijna geweest.’
Wat is nu het eigene van dat christelijk geloof in een eeuwig leven? Waarin onderscheidt uw geloof zich van dat van uw christelijke buurman? De Catechismus verwoordt dat met de vraag: wat troost u de zinsnede over het eeuwig leven? De Catechismus speculeert dus niet over de toekomst, over hoe dat zal zijn, maar stelt heel direct de vraag naar het hier en nu. We kijken in het vervolg eerst naar het middelste deel van het antwoord in de Catechismus (‘de volkomen zaligheid, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft …’), vervolgens naar het slot (‘om God eeuwig te prijzen’), om terug te keren naar het begin (‘reeds nu in mijn hart het begin van de eeuwige vreugde’).

Ofwel klassiek in drieën:
1) het onvermoede geschenk;
2) de onvolprezen gever;
3) de ongegeneerde ontvanger.


1) Het onvermoede geschenk.
De Heidelbergse Catechismus is opmerkelijk terughoudend bij de invulling van het begrip eeuwig leven. Dat is alleszins begrijpelijk. Tot op de dag wordt er veel gefantaseerd. Dikwijls gebeurt dat in een vrij onschuldige, grappige sfeer: Petrus die aan de hemelpoort staat en de overledenen opwacht; mensen die als engelen zouden verder leven; enzovoort. We weten dat het niet serieus is bedoeld. Toch hebben dit soort beelden en fantasieën invloed. Verder horen we mensen over bijna-dood-ervaringen: een groot, helder en warm licht … . Aan die ervaringen kunnen we natuurlijk niets afdoen. Maar is dat wat we van het eeuwige leven mogen verwachten?
Toch is de Catechismus misschien wel iets té terughoudend. We horen van alles en nog wat, maar we kunnen er vanuit onze christelijke traditie weinig concreets tegenover stellen. En, de Bijbel gebruikt wel degelijk beelden. Jezus spreekt in verschillende gelijkenissen over het Koninkrijk, het eeuwige, het voluit goede leven. Denk aan het feest, de maaltijd, de vreugde die daarmee gepaard gaat. Of nog sterker de bruiloft, zoals bij de dwaze en de verstandige meisjes; of de onwillige gasten. Of aan het overweldigende beeld van het nieuwe Jeruzalem uit het boek Openbaring. Het lijkt er sterk op dat de Catechismus ervoor beducht is dat de dynamische (levende) Bijbelse beelden statische (doodse) plaatjes worden, waarop we ons gaan fixeren en vastleggen: zo ís het. De kans is groot dat we daarmee niet alleen de Bijbel en God, maar ook onszelf tekort doen. Daarom heeft de Catechismus het over de volkomen zaligheid – ofwel: een volkomen vrede met God en al het andere dat door God geschapen is –, die geen oog gezien en geen oor gehoord heeft, die in geen mensenhart is opgekomen.
Bij dit alles een klein verhaaltje ter illustratie. Er waren in de Middeleeuwen eens twee vrome monniken. Ze spraken veel met elkaar over het eeuwige leven. Ze beloofden elkaar, dat degene die het eerst zou overlijden de ander zou laten weten, hoe het was. Ze beseften dat dat niet eenvoudig zou zijn en spraken daarom twee worden af. Als het zo geweldig zou zijn als ze nu verwachtten, dan zou het Latijnse woord zijn: ‘taliter’ (zo). Als het anders zou zijn, dan was het te gebruiken woord ‘aliter’ (anders). En zo gebeurde dat de monnik die het eerst overleed de ander in een droom verscheen en zei: ‘totaliter aliter’, totaal anders.


2) De onvolprezen gever.
Is er dan niets over het eeuwige leven te zeggen? Staan wij dan uiteindelijk toch met lege handen, met gesloten monden? De apostolische geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus bieden enkele handvaten. a) Het is niet alleen een zaak van de ziel of de geest, maar tegelijk ook van het lichaam. Wij zullen verenigd worden met Jezus. Al het beperkte, al het kwetsbare van het lichaam speelt dan geen rol meer. Het is in en door Christus genezen. Wij zullen eens weer hele, gave mensen zijn. Oplappen, restaureren, het zou al heel wat zijn als dat met lichaam en ziel zou kunnen, maar het gaat nog verder, het is grondig renoveren, herscheppen. Lichaam en ziel zijn door dood en opstanding heen gegaan. b) Jezus zal daar zijn. Hij staat in het middelpunt. Alles wordt door Hem, door Zijn liefde bepaald. c) Dat kan niet anders dan vreugde betekenen, eindeloze vreugde en blijdschap. d) Dat mondt als vanzelf uit in het prijzen van God. De kans is groot dat we daar voor onszelf een karikatuur van hebben gemaakt: van een imposante, monumentale kerk, vol met mensen, een stevig orgel, en dan zingen. Een soort Nederland zingt, altijd, zonder ophouden. Maar is dat wel God prijzen? Lopen we juist hier niet op tegen het gevaar van beelden, verbeelding?! God prijzen houdt veel meer in, het is een levensstijl (vergelijk bijvoorbeeld II Corinthe 9: 13). Heel de schepping is van origine op die stijl aangelegd en ingericht. God prijzen, dat is leven zoals het door God bedoeld is, zoals het door God verwacht wordt: zonder dat wij ook nog maar een moment verleid worden om het anders te doen, zonder dat wij er genoegen in scheppen de grenzen op te zoeken. Nu nog bidden wij het héle Onze Vader, dat Zijn naam worde geheiligd, dat Zijn Koninkrijk kome, dat Zijn wil geschiede; dat wij dagelijks brood ontvangen, dat wij kunnen vergeven, dat wij niet in verzoeking geleid worden. In de hemel blijft alleen het slot over, de zogenaamde lofverheffing: in en door alles zij U de heerlijk, en de kracht, tot in eeuwighid. God prijzen: dat betekent dat Gods naam overal bij kan en mag genoemd worden. Die naam wordt niet meer misbruikt, niemand zal God meer voor Zijn eigen karretje spannen. God prijzen: dat betekent ook eerbied voor al hetgeen door Hem geschapen is, boven het individuele, het ik-beperkte uitgetild worden. Eeuwig prijzen, dat wil ook zeggen: het kan niet meer kapot. Dat lijkt vervelend, altijd maar het zelfde … . Churchill schijnt ooit iets gezegd te hebben als ‘de eerste vijfhonderd jaar ga ik vissen, daarna weet ik het niet meer’. Eeuwig: dan denken wij aan de beslotenheid van dat kerkgebouw, en dat benauwt ons. Misschien is het beter het beeld te gebruiken van de horizon, de dynamische, steeds weer wijkende horizon. Binnen het beperkte van ook dat beeld: in het eeuwige leven duiken steeds weer nieuwe vergezichten op, het is steeds weer nieuw, steeds weer anders, steeds weer onvermoed.


3) De ongegeneerde ontvanger.
De proef op de som. Wat kunnen we nu met dit alles? Het aardige is, dat het de Catechismus met alle dogmatische formuleringen daar altijd weer om te doen is. Wat kan een mens met dit alles, welk effect kan dit hebben? Het is dus niet alleen maar straks en daar, maar juist ook hier en nu. Het is niet alleen maar na onze dood en na de opstanding van ons lichaam, maar ook nu reeds door bekering en wedergeboorte (= van boven geboren). De ommekeer nu, hier, brengt mij al bij, in Christus. Dat geeft nu al zekerheid, houvast. Daarom staat er ook in de Catechismus dat wij nu al het beginsel van de eeuwige vreugde kunnen ervaren. Begin van eeuwige vreugde kan wat slapjes klinken. Dat begin kan zoweer voorbij zijn. Beginsel is sterker, steviger, een fundament waarop gebouwd kan worden. We zouden ook in plaats van beginsel kunnen zeggen: principe. De eeuwige vreugde, het eeuwig prijzen van God kan nu al een plaats krijgen. Vanavond in de kerk, maar ook als ik thuis kom, als ik mijn werk doe, op vakantie ga … . Omdat ik dankbaar ben, dat ik door God geschapen ben. Omdat ik mag geloven, dat Hij me niet loslaat. Omdat ik verzekerd ben van vergeving van zonden door Zijn Zoon Jezus Christus. Omdat Hij me eens aan de beperkingen van dit leven voorbij doet gaan (of het nu pijn en verdriet betreft, ziekte, mislukkingen, afwijzingen, teleurstellingen …). Er zijn momenten dat ík van die eeuwige vreugde weinig voel. Maar Hij houdt vast.
De eeuwige vreugde van het eeuwige leven. Het is als een electrische lamp die ’s avonds in het donker aan kan. Het stelt me in staat van alles te doen. Maar niets gaat boven daglicht. En als de zon is opgegaan, als eenmaal dat eeuwige leven bij God is aangebroken, dan valt dat electrische lichtpunt weg in de zee van licht die God ons dan zal schenken.

Alphenadventskerk/030706
Nieuwvennep/110618 geluidsfragment



De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
NB: Het downloaden kan enige tijd kosten (x.x Mb).
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC of MP3-speler beluisteren.



Print deze pagina

© 2003-2011, KWdJ