Schriftlezing: Hebreeën 9: 11 – 14

Tekst:‘… hoeveel te meer zal het bloed van Christus (…) ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende God te dienen.’

De lezing van deze morgen is op het eerste gehoor bepaald niet eenvoudig. Niet ten onrechte vroeg iemand in de afgelopen week, of ik niet bang zou zijn dat de mensen na de Schriftlezing ‘vertrokken’ zouden zijn. Als ik om me heen kijk, lijkt dat in ieder geval nog mee te vallen … .

Dit stukje uit de Hebreeënbrief – meer een verhandeling dan een brief overigens – zal voor de eerste lezers ongetwijfeld zin gehad hebben. Zij waren bekend met de tempel in Jeruzalem. Sterker nog: voor hen vormde de tempel in Jeruzalem het centrum van hun geloof. De tempel was de plaats waar de hemel de aarde raakte. Of anders gezegd: de tempel vormde de brug tussen hemel en aarde. Het was een unieke, een onvervangbare plaats. De schrijver van de Hebreeënbrief roept bij zijn lezers de beelden op van die gedenkwaardige dag in het najaar, de Grote Verzoendag. Heel Jeruzalem loopt uit. Vele gasten zijn gekomen, meer dan de stad bergen kan. Eenieder overweegt zijn levenswandel in het voorafgaande jaar. De eerste der priesters, de hogepriester, slacht een bokje en gaat met het bloed naar het binnenste van de tempel, het heilige der heiligen. Alleen op die ene dag komt hij daar. Daar sprenkelt hij het bloed over het deksel van de ark, tot verzoening van de zonden, de ongerechtigheid van het volk. Het geheel is een plechtig en indrukwekkend ritueel. Maar als de lezers dit voor ogen hebben, dan gaat hij verder met de woorden ‘… hoeveel te meer zal het bloed van Christus (…) ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende God te dienen.’ Aan de hand van de gebeurtenissen van Grote Verzoendag – op zich al iets bijzonders! - probeert hij het unieke van het werk van Christus te omschrijven.

‘… ons bewustzijn reinigen van dode werken’: wat zijn nu die dode werken? Heel direct zouden we kunnen zeggen: werken zonder leven. Ofwel: werken zonder perspectief, datgene wat plichtmatig verricht wordt, activiteiten zonder enthousiasme (letterlijk: in God zijn), zonder inspiratie (dus zonder de Geest), niet op God gericht, niet staande in relatie tot Zijn Koninkrijk. Nog anders benaderd: werken waar geen warmte in zit, waar geen liefde van uit gaat. Dode werken zijn activiteiten waarin we louter op onszelf gericht zijn. Het heeft iets van de tak van een boom. Als die aan de boom zit en leeft, dan maakt hij deel uit van een groter geheel, dan groeit hij, dan brengt hij bladeren en misschien zelfs bloemen en vruchten voort. Als de tak van de boom wordt afgezaagd, dan is het over met al die ontwikkeling. Hij verdroogt en verdort, staat niet meer in een groter verband en na verloop van tijd verpulveren de takjes, ze vergaan. Dode takken, dode werken kunnen de voortgaan van een mensenleven belemmeren. Ze blokkeren, verstoppen het bewustzijn (ofwel: het geweten, het besef, het levensgevoel). Het zijn de gebeurtenissen, de daden waar we liever niet meer aan denken. Ze bezwaren ons. De een denkt terug aan de moeilijke samenwerking op het werk. Nog blijft de vraag, waar het nu aan lag: eigen beperkingen, onverenigbaarheid van karakters, of toch aan die ander. Bij een ander overheerst een gevoel gefaald te hebben, juist toen een vriendin zo ziek werd en hulp nodig had. Is de inzet wel groot en goed genoeg geweest? Weer een ander wordt nog geregeld bepaald bij een ontslagprocedure: het was hij of zijn collega. Het werd zijn collega, maar nog altijd leeft er een schuldgevoel: door mij raakte hij zijn werk kwijt. Wie een aantal van dit soort situaties met zich meedraagt, kan verstikt raken. De Hebreeënbrief stelt nu, dat dat soort gebeurtenissen ons niet meer hoeft bezig te houden. Het bloed van Christus reinigt. Vreemde paradox is dat. Bloed is vies, plakkerig, verontreinigt, brengt gevaren van infectie met zich mee. Tóch reinigt het. Het lijkt op dezelfde paradox die de weg van Jezus’ lijden tekent. Deze weg is een direct gevolg van ons menselijk falen. Het tekent de aard en het karakter van dat falen. Wij hebben geroepen ‘Kruisigt Hem!’ Tegelijkertijd heeft juist deze lijdensweg tot doel ons falen te bedekken en weg te nemen. Maar, zo komt al snel de vraag op, hoe werkt dat dan met dat reinigende bloed van Christus? Hoe kan ik dat verklaren? Daar raken we het directe terrein van het geloof, van geheim en mysterie. Veel meer kan niet gezegd worden dan: vertrouw erop, dat Christus in Zijn lijden het kwaad van ons heeft afgenomen.

‘… om de levende God te dienen’: het reinigen staat niet op zichzelf. Het heeft een duidelijk doel, een heldere spits. Het gaat er niet zonder meer om geregeld opruiming te houden in een mensenleven. De schoonmaak staat niet op zich. Doel is het optimaal kunnen dienen van de levende God, en daarmee ook van de naaste. Wie God dient, dient de naaste. Wie de naaste dient, dient God. God dienen, dat is steeds weer, elke dag opnieuw de vraag stellen: wat verwacht God van mij, ofwel: wat zou Jezus doen?

We kunnen de tekst van vanmorgen in een enkel beeld samenvatten. Een mens gaat zwaar bepakt door het leven. Hij draagt van alles mee, op zijn rug, in zijn handen, hij wordt in zijn voortbewegen belemmerd. Het lijden van Christus neemt als het ware alles van hem af. Hij wordt weer vrij, kan vrij bewegen: hij kan zijn rug weer rechten, daarheen gaan waar hij wil, daar de handen uit de mouwen steken waar dat mogelijk is.

Alphendebron/010408

© 2001, KWdJ