Schriftlezing: Hooglied 1

Thema: ‘Kuste hij me maar’

Afbeelding: Marc Chagall (1956) ‘Hij kusse me, met de kussen van zijn mond.’ ‘Kuste hij me maar, met kussen van zijn mond.’ ‘Overstelp me met je kussen!’ Dit is in verschillende vertalingen na het opschrift de eerste regel van het Hooglied. Het is krachtig. Het is heftig. Het hakt er direct in. Het klinkt volstrekt anders dan bijvoorbeeld het ‘In den beginne schiep God …’ (Genesis), of het ‘Geslachtsregister van Jezus Christus …’ (Mattheüs). Ook dat zijn betekenisvolle, geïnspireerde en inspirerende zinnen, maar ze vergen veel meer van ons: studeren, nazoeken en nadenken, overwegen … : wat staat er, waarom staat het er? Kuste hij me maar: bij het Hooglied zitten we er direct middenin. Het raakt direct aan bepaalde gevoelens: liefde, verliefdheid, een onstuimig en ontembaar verlangen, vlinders in je buik, soms zo alles overweldigend dat je er ziek van kunt worden. Het is duidelijk, waar het hier om gaat: de ene mens verlangt naar de ander, naar die éne ander. Hij is er vol van. Het klinkt niet als van gisteren of eergisteren, uit een ver verleden, maar als vandaag: er is een vonk overgesprongen!
Dat is nu wel allemaal heel mooi, maar: Hooglied staat in de Bijbel, in het boek van Gods omgang met ons mensen. Duizenden keren gaat het in de Bijbel over God, over zijn eigen naam, Here, maar in het Hooglied klinkt het slechts een enkele keer. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in het jaar 95 na Christus slechts de minderheid van een groep gezaghebbende rabbijnen meende dat het in de Bijbel thuis hoorde. Er was echter één rabbi, Akiba, die hen met moeite wist te overtuigen. Hooglied is om zo te zeggen met de hakken over de sloot in de Bijbel terecht gekomen. Maar vervolgens heeft het een ereplaats gekregen in de Joodse eredienst: het wordt elkaar als feestrol op Pesach, Pasen, gelezen, het feest van Gods liefdevolle omzien naar zijn volk. Maar toch: wat is de functie, wat is de zin van dit kleine bijbelboekje met z’n acht hoofdstukken in het geheel van de Bijbel?

Om te beginnen. Er is alles voor te zeggen om het Hooglied te lezen en te beluisteren als een liefdeslied. Zoiets als ‘Je t’aime’, ‘Een beetje verliefd’, ‘Hopelesless devoted to you’, of welk vergelijkbaar nummer dan ook. Net als sommige van de liefdesliedjes is het Hooglied erotisch geladen. Maar het is anders, minder direct dan wij dat geneigd zijn te doen. Het zit vol met symboliek.

De jongen zegt: ‘Wat ben je mooi, mijn vriendin, wat ben je mooi! Je ogen zijn [als] duiven.’ (vertaling Drijvers-Renkema)

De jongen zegt dus niet: wat zijn je ogen mooi, of wat schitteren ze prachtig. Hij gebruikt een vergelijking: ze zijn als duiven. Dat kan dus van alles zijn: ze fladderen, ze twinkelen; of: ze zijn zo vrij als die vogel, ze stralen vrijheid uit; of: ze zijn net als de duif de bode van goed nieuws; of: … . Door de beelden van de natuur heen wordt een bepaalde sfeer opgeroepen.

De jongen zegt: ‘Nectar vloeit van je lippen, m’n meisje. Honing en melk proef ik onder je tong. En de geur van je kleren is als de geur van de Libanon.’ (vertaling Drijvers-Renkema)

De theoloog zegt: melk en honing, dat verwijst naar het beloofde land. Geen wonder, de aanwezigheid van het meisje bewerkstelligt dat de jongen zich in het beloofde land waant. Wat breder: het verhaal van de jongen en het meisje wordt in geuren en kleuren verteld. Alle zintuigen worden aangesproken: ogen, reuk, smaak. Maar ook het gehoor.

Het meisje zegt: ‘Hoor! Mijn liefste! Kijk! Daar komt hij, dans over de bergen, springt over de heuvels. Mijn liefste lijkt op een gazel.’ (vertaling Drijvers-Renkema)

Het is zo beeldend, maar tegelijk zo direct: we zouden hem/haar willen beetpakken, voelen, betasten, ervaren … . De tekst laat veel te raden, veel te fantaseren.

De jongen zegt, wat bezitterig: ‘Maar mijn eigen wijngaard, die bewerk ik zelf.’ (vertaling Drijvers-Renkema)

Met die wijngaard doelt de jongen op het lichaam van het meisje. Dat is de wijngaard die hij wil bewerken. Wij zouden dat misschien preuts vinden, ouderwets, niet meer nodig. Maar het maakt het samen met alle fantasie wel spannend. Als íets bij de liefde, de prille liefde, hoort, dan is het wel iets van spanning, van het stiekeme.

Ergens zingt het meisje: ‘Was jij maar mijn broer, die ook gedronken heeft van de borst van mijn moeder. Kwam ik je tegen op straat, ik zou je kussen; en niemand zou me erop aankijken. Ik zou je meenemen en naar het huis van mijn moeder brengen.’ (vertaling Drijvers-Renkema)

Het Hooglied kan puur horizontaal gelezen worden. Dat heeft zin en het hóudt zijn zin. Prachtig! Wie eenmaal zo begint, ontdekt veel. Maar de vraag naar de plaats van het Hooglied in het geheel van de Bijbelse verkondiging blijft daarmee uitstaan. In het verleden is het Hooglied sterk verticaal gelezen. Dan stonden de jongen en het meisje, bruidegom en bruid, voor God en Zijn volk, of voor Christus en Zijn gemeente (vergelijk ook Paulus in de Efesebrief). Daarmee raken we het terrein van de mystiek. Een van de bekendste mystici die zich met Hooglied heeft bezig gehouden is Bernard van Clairvaux, een bevlogen monnik uit de eerste helft van de 12e eeuw. Hij heeft meer dan tachtig preken geschreven en gehouden alleen over het Hooglied, en alleen al over het eerste vers maar liefst negen!

Meisje: ‘Kuste hij me maar, met kussen van zijn mond!’ (vertaling Drijvers-Renkema)

De mens verlangt naar God. Bernard van Clairvaux ontleedt de woorden op een allegorische en symbolische wijze, tot op het bot. Hij maakt bijvoorbeeld onderscheid tussen verschillende soorten kussen, in zijn tijd gebruikelijk: voetkus, handkus en mondkus. Hij ziet verschillen in intensiteit, hij schetst een geestelijke weg, steeds dichter bij God. Hij vraagt zich vervolgens af, waarom er niét staat ‘Kuste hij me maar met zijn mond’, maar ‘met de kússen van zijn mond’. Bernard wijst op het wezenlijke verschil tussen God en mens. Als God en mens elkaar vinden, als de mens God vindt, dan is dat niet als twee mensen die elkaar kussen. Van gelijkwaardigheid en intimiteit kan in die zin geen sprake zijn. God en mens kunnen elkaar slechts ontmoeten door de bemiddeling van de Heilige Geest, die met Pinksteren over ons is uitgeblazen. De kus, dat is dus de Geest.
Nog steeds wordt het Hooglied zo gelezen. Op internet kwam ik gesproken preken tegen uit de rechterflank van de gereformeerde gezindte, de Gereformeerde Gemeenten. Het is klassiek, veelal voorspelbaar, maar ook fascinerend hoe de verhouding tussen God en mens zo geschilderd wordt. Zowel bij de ascetische en celibataire monnik Bernard van Clairvaux en deze hedendaagse preken is elke zweem van het lichamelijke verdwenen, volkomen onbelangrijk geworden.

Hoewel … . Aan het slot van de eerste negen preken zegt Bernard: ‘Wat een kus is, kom je beter te weten doordat iemand er een op je wang drukt, dan doordat hij het met woorden uitdrukt.’ Daarin daagt voor mij iets van het antwoord op de vraag: waarom staat het Hooglied nu in de Bijbel?! Ik bedoel dit. Zou het juist niet kunnen gaan om de voortdurende wisselwerking tussen het horizontale en verticale. Hooglied bezingt de uitbundige, zinderende liefde van twee mensen. Alleen zo, uitsluitend langs deze weg kunnen wij uiteindelijk de liefde tussen God en mensen beginnen te vatten. Om die bijzondere verhouding tussen God en mensen te beschrijven is het allermooiste nodig wat aan mensen is gegeven: liefde in al zijn dimensies, ook de lichamelijke, met alle tinteling, spanning, erotiek, seksualiteit. De enige plaats in het Hooglied waar de Godsnaam wordt gebruikt is in de uitspraak dat de liefde is als vlammen van een vuur, als de gloed van de Heer (Zelf). De liefde tussen mensen verwijst naar de liefde van en voor God. Daarom is het ook zo nodig om die liefde met alles wat er om heen zit zuiver te houden.
Voor mijzelf roept dit alles vanmorgen één vraag op: waar sta ik zelf in mijn verhouding tot God. Voldoet mijn liefde aan die hoge maatstaf van verrukking en verlangen uit het Hooglied? Kan ik eraan werken dat ik in die stemming kom, voor God, voor Christus in het bijzonder? Kan ik Zijn liefde voor mij beantwoorden met dezelfde overgave, waarmee Hij Zich aan ons, aan deze wereld heeft gegeven (N.B.: jezelf geven, ook al zo’n erotisch geladen woord): kuste Hij me maar, met kussen van zijn mond?!

Alphendebron/041003


Print deze pagina

© 2004, KWdJ